‘Kerst vieren gaat niet meer. Alles komt weer boven’ 

31 oktober 2019 Monica Moritz
FILES DANNY HUWE
VTM-journalist Danny Huwé kwam in 1989 om het leven toen hij verslag uitbracht van de Roemeense Revolutie tegen dictator Nicolae Ceaușescu (Foto: © Belga)

Paul: ‘Wij stonden ’s morgens op de redactie en ze vroegen ons of wij bereid waren om naar Roemenië te vertrekken, metéén. We hebben spontaan ja gezegd. Wij waren jong en beseften niet wat ons te wachten stond. De toenmalige VTM-redactie heeft de situatie toen ook onderschat. Ze beschouwden dat niet als een oorlogsreportage.’ 

De Journalist

Dit interview verscheen eerder in het oktobernummer van De Journalist, het magazine van de Vlaamse Vereniging van Journalisten.

Jan: ‘We zijn op den bots vertrokken, zonder briefing, zonder te weten wat zich in Roemenië afspeelde. Ga maar wat draaien, zeiden ze. Op 24 december begon onze fatale rit van Sofia naar Boekarest. Onderweg hebben we aan de grensovergang in Roese nog een stukje gemaakt voor het nieuws, met een stand-up van Danny. Dat waren de laatste beelden van hem op het VTM-nieuws.’

Paul: ‘We ontmoetten daar ook mensen – personeelsleden van de ambassade – die uit Roemenië weggevlucht waren en die ons aanraadden niet naar Boekarest te rijden omdat er overal sluipschutters op de loer lagen. De situatie was uit de hand aan het lopen, zeiden ze. Dat was een duidelijke waarschuwing.’ 

FILES DANNY HUWE
VTM-journalist Danny Huwé kwam in 1989 om het leven toen hij verslag uitbracht van de Roemeense Revolutie tegen dictator Nicolae Ceaușescu (Foto: © Belga)

Wie heeft beslist om toch naar Boekarest te rijden?

Jan: (Jan en Paul wisselen veelbetekenende blikken uit.) ‘Danny Huwé en de Turkse journalist Emre Aygen. Onderweg passeerden we verschillende checkpoints, zowel van gewapende burgers als van het leger dat de kant van het volk had gekozen. Eenmaal in Boekarest gingen we eerst op zoek naar het hotel, maar een gps bestond nog niet en we hadden geen kaart van de stad. Op een bepaald moment moesten we kiezen: links of rechts afslaan. De journalisten zaten vooraan en kozen links.’ 

Paul: ‘Een noodlottige keuze. Zonder het te weten, reden we het plein op waar aan de ene kant het ministerie van Landsverdediging lag en aan de andere kant de militaire academie. En plots versperde een tank de weg.’ 

Jan: ‘Ze begonnen meteen op ons te schieten, kogels doorboorden twee ramen achteraan. Danny is vollen bak achteruit beginnen te rijden om rechtsomkeer te maken, maar hij reed zich vast op uitgebroken tramrails. Hij riep dat we moesten uitstappen en op de grond gaan liggen.’ 

Hadden jullie een perssticker op de auto?

Jan: ‘Ja, een heel kleintje, waar ‘tv’ op stond.’ 

Paul Van Schoor: ‘Danny keek me recht in de ogen toen hij een kogel in het hoofd kreeg. Hij was op slag dood’

Stond de camera aan? 

Paul: ‘Ik had hem meteen op color bars en record gezet. Ik kon alleen geluid opnemen. Het was donker en we hadden geen lichtgevoelige camera. Toen ze ons onder vuur bleven nemen, zijn we deels onder de auto gaan liggen. De camera stond naast mij te draaien, en Danny is door de auto van de linker- naar de rechterkant gekropen. Daar hurkte hij naast de camera, met zijn gezicht naar de micro en mij gekeerd. Toen hij iets begon in te spreken, werd hij rechts in het hoofd door een dumdumkogel geraakt. Hij was op slag dood. Hij zat op minder dan een halve meter naast me en keek me recht in de ogen toen het gebeurde.’ 

Wat hebben jullie dan gedaan? 

Jan: ‘Gewacht. Een uur of zes, in de vrieskou, onbeweeglijk, plat op de grond, met mijn gezicht op de straatstenen. Ik heb er zelfs een vrieswonde aan overgehouden.’

Paul: ‘Het vroor die nacht en mijn bebloede kleren kleefden aan mijn lichaam. Dat was verschrikkelijk.’

Jan: ‘Ze bleven ook regelmatig schieten, met lichtkogels. Daardoor zagen we duidelijk dat ze op ons mikten, zowel vanuit de militaire academie als vanuit het ministerie. Achteraf heb ik gemerkt dat mijn blouson doorboord was, waarschijnlijk door een afketsende kogel.’ 

Waaraan denk als je daar zo ligt? 

Paul: ‘Je neemt afscheid van het leven en je berust daarin, ik toch. Je denkt: hier stopt het.’

Jan: ‘Berusten, ik weet het zo nog niet. Je ligt daar machteloos, in shock. Opstaan en wegspurten heeft geen zin en je weet dat je ieder ogenblik kan sterven. Ik lag alleen aan de linkerkant van de auto en had in het donker een beetje zicht op dat plein. Plots zag ik twee mannen afkomen. Ik hield me dood. Ze schopten me tussen de ribben om te controleren of ik nog leefde. Tussen twee salvo’s in was het muisstil. Opeens hoorde ik geronk en zag dat de loop van een tank in onze richting draaide. Ik dacht dat die op onze auto ging schieten. Dan zou de benzinetank ontploft zijn en was het afgelopen.’

Paul: ‘Maar plots passeerde een ander voertuig van het leger en reed die tank ook weg.’ 

Hoe zijn jullie uiteindelijk ontsnapt? 

Paul: ‘Het werd licht, en ik zag in de verte mensen lopen en hoorde trams. Toen ben ik met Jan beginnen te praten en die heeft het lef gehad – en dat is onze redding geweest – om terug achter het stuur te kruipen en die auto te starten.’ 

Jan: ‘Proberen te starten, want die wagen had daar uren stilgestaan met parkeerlichten aan. Maar ik kreeg hem op gang en kon hem losmaken van de rails omdat hij zonder passagiers minder woog.’ 

Paul: ‘Ik wist met zekerheid dat Danny dood was en we hebben hem daar achtergelaten. Mijn camera kon mij op dat moment gestolen worden, die heb ik laten staan. De cassette heb ik er ook niet uitgehaald. Je denkt alleen aan overleven. Als je zo lang bijna onbeweeglijk op de koude grond gelegen hebt, kun je niet meer helder denken. Dat Jan de tegenwoordigheid van geest heeft gehad om achter het stuur te kruipen, is opmerkelijk en heldhaftig. We zijn in de auto gekropen en dan heeft Jan plankgas gegeven.’ 

Jan: ‘We moesten weer via het checkpoint waar we laatst waren geweest. Die mannen herkenden ons, ze waren heel behulpzaam.’ 

Paul: ‘Zij zijn Danny gaan zoeken. Wat mij blijft achtervolgen, is dat wij daar niet gestopt zijn en zelf geprobeerd hebben om Danny’s lichaam op te halen. Wij hebben daar zelfs niet bij stilgestaan, dat is de ‘fout’ die we gemaakt hebben. Wij waren helemaal van slag en verlamd door angst. Daar heb ik echt veel spijt van. In het begin knaagde dat enorm, nu kan ik dat enigszins plaatsen. We waren niet voorbereid op een oorlog. Ze hebben ons daarin gesmeten, groen, naïef, en zeer jong, Het enige waar wij aan dachten toen we uit Boekarest wegvluchtten, was: 60 kilometer rijden en we zijn aan de Bulgaarse grens. Erwin (Van Der Stappen, freelance-cameraman die destijds voor de Turkse tv werkte, red.) heeft Danny de volgende dag in het mortuarium gevonden.’ 

Jan: ‘Wij zijn verdwaasd teruggereden naar Roese met een Passat vol kogelgaten en kapotte ruiten. We hebben die auto daar achtergelaten en een taxi naar Sofia genomen, na een telefoongesprek met productiehuis Videohouse.’ 

Hoe reageerden ze op dat tragische nieuws?

Paul: ‘Tja, ze schrokken natuurlijk. Met VTM hebben we niet gebeld.’

Jan: ‘In Sofia zijn Luc Beaucourt, de urgentiearts, en Ivo Vandenbroeck van Videohouse ons met een vliegtuigje van de VAB komen halen. De toenmalige bazen van Videohouse hebben ons in Melsbroek afgehaald en naar huis gebracht.’ 

Hebben ze onderweg iets significants gezegd?

Jan: ‘Dat we in shocktoestand waren en we twee weken rust móesten nemen, als zelfstandigen nota bene. Verder niks.’ 

Heeft VTM of Videohouse voor psychologische opvang gezorgd? Heeft een arts jullie onderzocht?

Jan: ‘Er was helemaal niks. Niemand heeft ons opgevangen of onderzocht. Alleen Ludo Maes (oprichter van Videohouse, red.) was een echte steun in die moeilijke periode. We zijn ook met hem en zijn vrouw naar de begrafenis gereden.’ 

Paul: ‘Gaby Feyaerts van het VTM-nieuws heeft ons menselijk goed ontvangen. En daar stopte het. Merci hé jongen, je moet er niet mee in zitten, het komt wel goed. Of zoals mijn oom daarna zei: Als je dat overleeft, word je 100 jaar.’ 

Jan: ‘Bijna iedereen reageerde zo. Nadien heeft VTM de journalisten die ze naar conflictzones stuurden wel een overlevingsopleiding laten volgen in het trainingscentrum voor commando’s in Marche-les-Dames.’ 

Kun je zo’n trauma verwerken? 

Jan De Coninck: ‘Ik ben een paar keer teruggegaan naar Roemenië. Dat helpt om het te verwerken’

Jan: ‘Ik had het ‘geluk’ dat ik aan de andere kant van de auto lag, ik heb niet gezien hoe ze Danny doodschoten. Ik heb wel alles gehoord... Ik heb nooit een psycholoog geraadpleegd, ik heb het grotendeels op mijn manier verwerkt. Soms heb ik nog last van PTSS (posttraumatisch stresssyndroom, red.). Toen ik eens opnieuw op reportage was in Roemenië, hoorde ik ’s nachts knallen. Ik durfde niet door het raam te kijken van de schrik. Ik dacht dat ze weer aan het schieten waren, terwijl het maar vuurwerk was.’ 

Paul: ‘Vijf jaar na de feiten heb ik zelf een psycholoog opgezocht. Die heeft PTSS vastgesteld. Telkens als ik achter een Passat reed, begon ik het al warm te krijgen. Ik kon me soms niet meer concentreren, kreeg paniekaanvallen, hyperventileerde en had nachtmerries. Die nachtmerries heb ik nog altijd.’ Jan: ‘Ik ben zelfs eens wakker geworden onder mijn bed, ik was in mijn droom gaan schuilen.’ 

Paul: ‘Zoiets draag je mee tot je laatste adem. Je leert ermee leven, zoals met pijn.’

Jan: ‘Je hebt ook geen keuze. Die beelden blijven haarscherp. Ik heb geen flashbacks meer, maar dat blijft door je hoofd spoken, zeker rond de kerstperiode. Ik ben een paar keer teruggegaan naar Roemenië. Dat helpt om het te verwerken.’ 

Paul: ‘Teruggegaan was voor mij ook een opluchting. Op klaarlichte dag begrijp je beter wat zich daar heeft afgespeeld. Verwerken is een groot woord, je kunt zoiets op de duur wel plaatsen, maar nooit helemaal verwerken. Ook daaraan moeten journalisten denken voor ze een gevaarlijke opdracht aannemen.’ 

Hebben jullie ooit nog in een oorlogsgebied gedraaid?

Jan en Paul: (bijna tegelijk, nadrukkelijk) ‘Nooit.’

Jan: ‘Ik weiger zulke opdrachten. Een tiental jaar geleden gingen we met de koning naar ex-Joegoslavië en toen ik daar in een kazerne moest draaien, werd ik heel nerveus. Zo’n posttraumatische reactie heeft een negatieve impact op je job.’

Paul: ‘Ik heb na die nacht besloten nooit meer in een conflictgebied te werken en ik probeer het verleden los te laten, maar soms haalt het ons in.’

Jan: ‘De geruchtenmolen blijft ook jaren draaien. Daar kon ik heel boos om worden. Toch erg wat er met uw collega Danny Huwé gebeurd is. Amai, dat was ook niet verstandig om daar een interviewke of een stand-upke te doen met een spotje op de camera. En dat weten ze dan ‘uit goeie bron’, van ‘mensen die erbij waren’. Denken ze dat wij debiel zijn en daar staan te draaien terwijl ze op ons schieten?’ 

Hoe heeft het de laatste 30 jaar jullie leven bepaald?

Paul: ‘Dat bepaalt gewoon je hele leven, punt. Kerst vieren kan ik niet meer. Mijn vrouw Catherine weet het maar al te goed, die sleurt mij iedere keer weer door die dagen.’ 

Jan: ‘Voor mij is het ook geen feestdag meer en ik ben in de kerstperiode niet beschikbaar. Werken gaat niet, dan komt alles weer boven.’ 

Hebben jullie er ooit aan gedacht om van beroep te veranderen?

Jan: ‘Nee, maar het heeft mijn beroep begrensd, omdat ik opdrachten weiger.’

Paul: ‘Ermee kappen: nee. Nieuws draaien en reportages maken, dat was mijn droom en ook die van Jan. Dat was letterlijk van onze hobby ons werk maken. En dat geef je ook na tegenspoed niet op.’ 

Hoe waardevol is journalistiek voor jullie?

Paul: ‘Vroeger was ze dat meer dan nu. Ik heb de indruk dat er vandaag minder kwalitatieve nieuwsjournalistiek te zien is op commerciële zenders. Dat ligt niet zozeer aan de journalisten, maar aan de budgetten.’ 

Jan: ‘Er is ook meer tijdsdruk, iets uitpluizen gaat dus niet. Journalisten moeten met scoops komen, de eerste zijn. Scoren is de boodschap – maar dan wel liefst met een mooi gedraaide reportage.’ 

Paul: ‘Een goede reportage moet een nieuwswaardig verhaal in beeld brengen dat de kijker toelaat beter te begrijpen waarom iets gebeurt. We hebben ooit negen dagen in de gevangenis van Dendermonde doorgebracht voor een stuk van 25 minuten. Dat kan vandaag niet meer. Dat was de journalistiek waar ik van hield.’

Jan: ‘Ja, een geloofwaardig, inhoudelijk sterk stuk maken, met woord en wederwoord, dat is fantastisch. Nu is het vaak een race tegen de klok en dat is voor de journalist noch voor de cameraman plezant. Vroeger vormden we samen met een geluidsman een hecht team. De journalist briefte ons en dan overlegden we samen in de auto hoe we het onderwerp zouden aanpakken.’

Paul: ‘Ze hebben ook steeds minder ploegen nodig. Op Europese toppen gaan journalisten nu live via hun smartphone met een autocue-app. Videojournalisten zijn goedkoper. Die gaan ook alleen naar conflictzones, dat is geen positieve ontwikkeling.’ 

Wat raad je journalisten aan die naar gevarenzones trekken?

Jan: ‘Spijt komt altijd te laat. Daarom moet je hier de tijd nemen om uit te zoeken wat er op het terrein gebeurt en met een ervaren team naar die gebieden trekken. Die kunnen de risico’s beter inschatten en brengen hun collega’s niet in gevaar. Op stap gaan met jonge gasten die zich willen bewijzen en blind zijn voor mogelijke hinderlagen, dat is echt niet aan te raden.’ 

Paul: ‘Embedded heb je meer bescherming. In een burgeroorlog weet je nooit wie er tegenover je staat, nooit, en van dat gevaar moet een journalist zich bewust zijn.’ 

Is jullie rouwproces na dertig jaar afgesloten?

Paul: ‘Nee, en excuses van de Roemeense overheid zouden na dertig jaar wel op hun plaats zijn. Dat het leger ons heeft willen vermoorden, is niet de schuld van de huidige regering, maar toch verwachten Jan en ik eindelijk eens officiële verontschuldigingen, ook al brengen die Danny niet terug.’ 

LEES OOK