Waarom private bedrijven in openbare zwembaden duiken

 Leestijd: 12 minuten0

Waarom werken steeds meer gemeenten samen met private spelers om openbare zwembaden te bouwen en uit te baten? En waarom kiezen andere er net voor om het wel nog zelf te doen? De bouw van een nieuw gemeentelijk zwembad stelt de rolverdeling tussen de lokale overheid en de private sector op scherp. “Bij veel gemeenten is de expertise voor uitbating er nog wel, maar is de vraag: ‘Waar steken we nog onze tijd in?’”

Van fiscale optimalisatie, begrotingsdiscipline tot het aantrekken van private expertise, of zorgen voor ruimere openingsuren. Lokale besturen die voor de bouw en uitbating van hun publieke zwembad samenwerken met een private speler, geven uiteenlopende redenen om daarvoor te kiezen. Al zijn er ook lokale besturen die een andere weg bewandelen en daar opvallend genoeg gelijkaardige redenen voor hebben.

Apache Lokaal
Apache trekt een jaar lang rond vier thema’s de regio in. In de tweede ronde nemen we de privaat-publieke zwembaden onder de loep. Waarom werken steeds meer gemeenten samen met een private partner voor de bouw en exploitatie van hun gemeentelijk zwembad? Wie zijn die private partners? Wat betekent deze gedeeltelijke privatisering voor gebruikers en personeel? De komende tijd leest u er alles over op Apache. Voor deze reeks werkten we opnieuw vruchtbaar samen met lokale (burger)journalisten en geïnteresseerde lezers.

In de eerste ronde onderzochten we al de (uit)verkoop van publieke gronden en gebouwen in Vlaanderen.

“De keuze voor PPS is voor een stuk net wel ideologisch”, steekt Nathalie Debast van VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten) van wal. “Het gaat om de verhouding, en de keuze, tussen privé en overheid, en over wat een gemeente zelf nog wil doen. PPS is één van de opties om een zwembad uit te baten. Het is dus echt een bewuste keuze van gemeenten om het zo te doen.”

Vlaanderen telt vandaag meer dan twintig publieke zwembaden die via een zogeheten publiek-private samenwerking (PPS) zijn gebouwd en worden uitgebaat. Zo’n constructie betekent dat de overheid, in het geval van zwembaden hoofdzakelijk steden en gemeenten, een private partner zoekt die het volledige zwembad kan ontwerpen, bouwen, eventueel financieren, en uiteindelijk ook onderhouden en uitbaten. In ruil betaalt het lokaal bestuur een jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding aan de private partner.

Dit betekent dat het zwembad niet meer helemaal in handen is van de gemeente, al wordt in het contract wel een bepaalde mate van zeggenschap vastgelegd over bijvoorbeeld tarieven. Aan het einde van de overeenkomst, die meestal voor een periode van 30 jaar wordt gesloten, komt het zwembad in principe in handen van de gemeente.

Apache vroeg bij 24 Vlaamse steden en gemeenten deze zwembadcontracten op en onderzocht wat de grote lijnen zijn. Op zoek naar een antwoord op de vraag: waarom kiezen gemeenten voor een PPS-zwembad? Wat zijn de voordelen? En wat de nadelen?

Vlaams duwtje in de rug

Vlaanderen duwde in de periode 2008-2012 lokale besturen richting PPS vanuit een budgettaire motivatie: PPS kon buiten de begroting worden gehouden

Het VVSG duidt de keuze voor een PPS-constructie als een duidelijk politiek gemotiveerde en bewuste keuze, tussen verschillende opties. Heel wat gemeenten mogen dan al bewust voor dit soort samenwerking hebben gekozen en nog steeds kiezen, toch gaf de Vlaamse overheid lokale besturen een hele tijd een duwtje in de richting van PPS.

Dat gebeurde meer bepaald in de periode tussen 2008 en 2012 onder toenmalig sportminister Bert Anciaux (sp.a). Om aanspraak te kunnen maken op subsidies voor hun jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding uit het in 2006 opgerichte Vlaams Sportinfrastructuurfonds, mochten zwembaden enkel gebouwd worden via de PPS-formule.

De Vlaamse overheid nam later afstand van die PPS-voorwaarde. In 2014 en 2015 schreef Anciaux’ opvolger Philippe Muyters (N-VA) nog twee andere oproepen uit waarbij lokale besturen een eenmalige investeringssubsidie konden krijgen voor de bouw van zwembaden, zonder dat de beheersvorm (bijvoorbeeld PPS) door Vlaanderen bepaald werd. Ook voor subsidies via het nieuwe decreet Bovenlokale Sportinfrastructuur uit 2017 is de beheersvorm niet langer op voorhand vastgelegd.

Dat Vlaamse subsidies een rol speelden in de keuze voor PPS bij de bouw van een nieuw zwembad, geeft de stad Brugge ook zelf aan. Via watermaatschappij Farys (het vroegere TMVW) sloot de stad samen met de provincie West-Vlaanderen in 2013 een overeenkomst met S&R Group voor het ‘zwembadcomplex Olympia’ in Brugge.

“Een belangrijk element in het leggen van die puzzel destijds was de mogelijkheid tot subsidiëring via het Vlaams Sportinfrastructuurfonds. Dat zette de stad en provincie op weg naar PPS”, legt Jelle Hanseeuw van de Brugse sportdienst uit. “Onder toezicht van de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV) schreef de Vlaamse overheid de gunningsprocedure uit en werd een geschikte partner gezocht en gevonden voor een PPS-project.”

Ook in de Limburgse gemeente Lanaken was deze Vlaamse subsidievoorwaarde een bepalende factor. Dat Vlaanderen in de periode 2008-2012 lokale besturen richting PPS duwde, kwam er “vanuit een budgettaire motivatie van Vlaanderen”, zegt David Nassen, directeur van het Vlaams Instituut voor Sportbeheer en Recreatiebeleid (ISB). “Zo werd PPS een doel op zich.”

Vanaf 2014 ging die boekhoudkundige redenering niet meer op, door een verstrenging van de Europese regels. Terwijl PPS-projecten ervoor uit de begroting konden worden gehouden, was dat vanaf toen niet meer mogelijk.

De PPS-voorwaarde kreeg bovendien in 2009 al zware kritiek vanuit het Rekenhof, omdat zo budgetneutraliteit voorrang kreeg op het creëren van meerwaarde. Publieke investeringen uit de overheidsbegroting houden, leek belangrijker dan maatschappelijke en andere meerwaarde creëren, stelde het Rekenhof.

Het Gentse zwembad Rozebroeken dat door S&R Group wordt uitgebaat (Foto: © Frederiek Vande Velde (ID/ photo agency))

Fiscale optimalisatie

De private partner kan een overheidswaarborg goed gebruiken wanneer hij naar de bank stapt

Behalve hogere begrotingskunde komt er ook een stuk fiscale optimalisatie kijken bij de keuze voor PPS. “De private speler kan de btw van de bouw namelijk wel recupereren, dat kan een lokaal bestuur niet”, legt Nathalie Debast uit. Dat maakt de bouw door een private partner dus al voor een stuk goedkoper, want voor gemeenten geldt die btw-regel niet.

“Met VVSG blijven we bij de federale overheid ijveren om gemeentelijke investeringen ook aan 6% btw te belasten. Dit kan ervoor zorgen dat gemeenten minder naar bepaalde fiscale ‘constructies’ moeten grijpen”, stelt Debast.

Uit analyse van de verschillende PPS-contracten blijkt dat gemeenten vaak borg staan voor de private partner, zodat die makkelijker en goedkoper een lening kan aangaan. Een lokaal bestuur neemt zo ook een deel van het financieel risico voor zijn rekening. “Het financieel risico wordt zo gespreid, en dat is net de bedoeling in een samenwerking”, stelt Nassen van ISB.

De private partner kan die overheidswaarborg dan ook goed gebruiken wanneer hij naar de bank stapt. “Veel banken vertrouwen weinig meer dan een overheidswaarborg”, zegt Michaël Schouwaerts, algemeen directeur van de Groep Sportoase, die 14 publieke PPS-zwembaden uitbaat in Vlaanderen.

“Het is een ingeburgerde praktijk om met een zo sterk mogelijk dossier naar de bank te stappen. Het is dus niet zo dat specifieke risico’s gespreid worden. In een goed draaiend project lopen we ook weinig risico. Aan de andere kant, en dat is ook een redelijk logische situatie, maar stel dat het ooit zou foutlopen, dan is de gemeente nog altijd eigenaar van het project en dus aanspreekpunt van de bank”, stelt Schouwaerts.

In verschillende overeenkomsten is bovendien bepaald dat gemeenten mee kunnen delen in de winst als die wordt uitgekeerd, of dat (een deel van) de winst naar nieuwe investeringen in het zwembad moet gaan.

“Gelet op de waarborgstelling van de gemeente en de tegenwaarborgen van Sportoase is het van belang dat de gerealiseerde winsten door Sportoase ook deels terug naar de gemeente vloeien”, zegt Yven Schoofs, woordvoerder van de gemeente Lanaken, die er nog aan toevoegt dat het “op dit moment nog te voorbarig is om over uitkering van dividenden te spreken”. Het zwembad van Lanaken opende vorige zomer de deuren.

Schouwaerts noemt het rendement in de sector ‘aanvaardbaar’. “Als de beschikbaarheidsvergoeding zou leiden tot te hoge winsten dan is die te hoog ingeschat. Daarom dat er vaak ook met winstdelingsmechanismen wordt gewerkt”, zegt hij.

Duurder?

Of de keuze voor PPS budgettair en financieel altijd de juiste keuze is, is maar de vraag. “Voor PPS kiezen enkel vanwege budgettaire redenen is fout, want PPS is vaak duurder”, stelt Debast, die wijst op het feit dat de private partner een bepaald financieel rendement nastreeft. Dat winststreven dat de private sector kenmerkt, is voor sommige gemeenten een reden om niet voor PPS te kiezen.

‘Voor PPS kiezen enkel vanwege budgettaire redenen is fout, want PPS is vaak duurder’

“We hebben lang het financieel plaatje bestudeerd, en voor ons kwam PPS inderdaad duurder uit. De private partner moet namelijk winst maken”, stelt Joris Vandenhoucke (CD&V), schepen van sport in de Zuid-Oost-Vlaamse faciliteitengemeente Ronse. De stad opende eind september een nieuw zwembad dat ze zelf uitbaat, zonder private partner dus. Voor de bouw deed Ronse wel beroep op de private bouwfirma Pellikaan, en ook het onderhoud wordt de komende dertig jaar uitbesteed.

Voor Ronse was het financiële plaatje dus een belangrijke factor om net niet voor PPS te kiezen. “We hebben twee scenario’s uitgewerkt, en in het scenario van PPS lag de exploitatiekost hoger. Om in eigen beheer aan hetzelfde bedrag te komen van een PPS over 32 jaar zou onze exploitatiekost in plaats van 550.000 euro nu, moeten oplopen tot ongeveer 1 miljoen euro. Of een verschil van zo’n 450.000 euro per jaar”, legt Vandenhoucke uit. “Bovendien, als je later extra’s wil, zoals meer uren voor schoolzwemmen, of bepaalde sociale kortingen, dan moet je als stad altijd bijbetalen.”

Dankzij een samenwerking met vijf buurtgemeenten, waaronder twee Waalse, kan Ronse de eerste jaren al het onderhoudscontract betalen. “Die gemeenten betalen de korting in de plaats van hun bewoners, zo kunnen hun bewoners aan hetzelfde tarief zwemmen als de Ronsenaars. Voor publiek zwemmen betalen ze een vast bedrag van 5.000 euro per jaar. Voor schoolzwemmen betalen ze een vaste prijs voor een vast aantal zwembeurten, en als ze meer zwembeurten nodig hebben, moeten ze extra betalen”, legt Vandenhoucke uit.

Het gemeentelijk zwembad van Ronse in aanbouw. (Foto: © Spotter2 (Wikimedia Commons))

Ook het Antwerpse Mortsel zocht een samenwerking met buurgemeenten Hove, Borsbeek en Edegem voor de bouw van een nieuw zwembad dat wordt uitgebaat in eigen beheer. Om het zwembad te realiseren kregen de gemeenten een subsidie van de Vlaamse overheid.

Het was Mortsel dat het initiatief nam voor een nieuw zwembad. Aangezien intergemeentelijke samenwerking één van de voorwaarden was om de broodnodige Vlaamse subsidie van 1,8 miljoen euro binnen te halen (op een totale kostprijs van 6 miljoen euro), trokken ze de buurgemeenten mee in het bad. In tegenstelling tot Ronse participeerden die buurgemeenten ook financieel in de bouw van het zwembad. Het beheer gebeurt via een intergemeentelijke vereniging.

Dat Vlaanderen bovenlokale samenwerking stimuleert is volgens de Mortselse schepen Koen Dehaen (N-VA) een goeie en logische zaak. “Het is niet meer te verantwoorden dat elke gemeente een zwembad heeft”, stelt hij. “Edegem heeft het eigen zwembad dan ook gesloten, en is mee in dit project gestapt.”

Ook volgens Joris Vandenhoucke is een eigen zwembad bouwen voor een kleine gemeente niet meer haalbaar. “Wij hebben ons ook laten begeleiden, want een zwembad bouwen is een zware opdracht.”

Welke expertise?

Behalve het kostenplaatje speelde voor Ronse ook het feit mee dat er bij de stadsdiensten de nodige expertise aanwezig was over het uitbaten van een zwembad. “We kunnen bogen op een goed draaiende sportdienst en hadden al voor het oude zwembad een sterk team”, zegt schepen Vandenhoucke.

“Onze diensten waren heel gemotiveerd om zelf het zwembad te exploiteren. We hebben bij de stad 50 jaar ervaring met het uitbaten van een zwembad, en de werknemers zijn ook steeds bijgeschoold op vlak van nieuwe milieu- en andere normen”, legt Vandenhoucke uit. Omdat die expertise er niet is bij de stad voor het onderhoud van de infrastructuur, wordt die taak wel uitbesteed.

Bij veel gemeenten is de expertise voor uitbating er wel nog, maar is de vraag: ‘Waar steken we nog onze tijd in?’

“Een zwembad is één van de meest complexe zaken die een gemeente kan bouwen, onderhouden en exploiteren”, stelt Debast van VVSG. “De uitbating is veel complexer geworden dan vroeger, want de regelgeving is ook strenger. Bij veel gemeenten is de expertise voor uitbating er wel nog, maar is de vraag: ‘Waar steken we nog onze tijd in?’”

Heel wat gemeenten beantwoorden die vraag de laatste jaren blijkbaar met: “Niet in het uitbaten van een zwembad.”

Ervaring met het openhouden en onderhouden van zwembaden was in het geval van Lanaken in tegenstelling tot Ronse net een reden om wel voor PPS te kiezen. “Op basis van jarenlange ervaring met eigen sporthallen en de daarbij horende exploitatiekosten en de nakende renovatiekosten heeft de gemeente Lanaken een beroep gedaan op private expertise”, legt Yven Schoofs van de gemeente Lanaken uit.

Eenzelfde geluid klinkt in Brugge. “De ervaring met het vroegere provinciaal zwembad leerde dat de uitbating als overheid zwaar verlieslatend was en ook zeer specifieke technische kennis vereiste”, stelt Jelle Hanseeuw van de Brugse sportdienst. Volgens Adinda Van Gerven (N-VA), schepen van sport in Brasschaat, neemt de samenwerking met Sportoase een aantal lasten bij de gemeente weg. “Sportoase heeft de expertise en kennis, maar ook ervaring met andere zwembaden. Zij hebben de schaalvoordelen en zorgen zo voor een betere dienstverlening.”

‘Sportoase heeft de expertise en kennis, maar ook ervaring met andere zwembaden. Zij hebben de schaalvoordelen en zorgen zo voor een betere dienstverlening’

Michaël Schouwaerts stelt dat Sportoase meerwaarde wil creëren op verschillende gebieden. Eén daarvan is betere openingsuren, of zoals hij het noemt ‘maatschappelijke beschikbaarheid’. “De zwembaden van Sportoase zijn gemiddeld 362 dagen per jaar open. Dat was vroeger moeilijk denkbaar, of op zijn minst uitdagend voor een gemeente.”

Volwassener

Bij de keuze voor PPS zoekt een gemeente de expertise voor bouw, onderhoud en uitbating op de private markt. Sinds de start van dit soort samenwerkingen in Vlaanderen begin jaren 2000 is er veel veranderd. Bij de eerste projecten waagden besturen en private partners zich op onbekend terrein.

‘Als je een zwembad in eigen beheer hebt, moet een gemeente expertise hebben in exploitatie, bij PPS moet een bestuur expertise opbouwen in contractmanagement en regievoering’

Volgens David Nassen van het ISB is de PPS-zwembadsector intussen wel volwassener geworden en kunnen lokale besturen gebruikmaken van de opgebouwde kennis. Dat wil niet zeggen dat een gemeente zelf haar huiswerk niet moet maken. “Als je een zwembad in eigen beheer hebt, moet een gemeente expertise hebben in exploitatie, bij PPS moet een bestuur expertise opbouwen in contractmanagement en in regievoering.”

Bovendien mag de gemeente volgens ISB haar zwembad wel, maar haar zwem(bad)beleid niet uit handen geven. “Het is vanuit dat beleid dat een gemeente een keuze moet maken voor PPS of een andere beheersvorm”, stelt Nassen.

“Dit wil ook zeggen dat een gemeente moet kunnen garanderen dat scholen kunnen gaan zwemmen, of dat er sociale kortingen zijn voor bepaalde groepen. Dit kan niet op conto van de private beheerder geschreven worden. Dat moet onderdeel zijn van de afspraken”, betoogt Nassen. Om sociale kortingen voor bepaalde doelgroepen, of om meerbeurtenkaarten aan te kunnen bieden, steekt het lokale bestuur dan ook vaak nog een centje toe.

Subtropische overheid

De zwembaden die vandaag gebouwd worden, omvatten meestal veel meer dan een gewoon baantjeszwembad. Meestal hoort er ook een recreatief gedeelte bij, met de klassieke glijbaan, maar ook sauna’s, wildwaterpartijen en andere snufjes. Subtropische zwemparadijzen zijn bij PPS eerder regel dan uitzondering. “Een puur instructiebad wordt bijna niet meer gebouwd”, stelt Nassen. “Recreatie komt er steeds meer bij, want daar is ook vraag naar bij gebruikers.”

Lokale besturen spelen dus blijkbaar wel in op die vraag naar meer en beter zwemaanbod, en bouwen dus zwembaden waar je niet enkel meer gewoon kan zwemmen. Dat heeft ook implicaties voor de beheersvorm die lokale besturen kiezen.

Is het de taak van een gemeente om in samenwerking met een private speler bijvoorbeeld een sauna aan te bieden?

“Hoe complexer een project is, hoe aanlokkelijker en relevanter PPS wordt”, vertelt Debast. Dit heeft ook elders gevolgen, want hoe groter en beter het aanbod is, hoe duurder een zwembeurt vaak wordt. In die zin is het logisch dat je voor een plonspartij in een PPS-zwembad meer betaalt dan in een ‘klassiek’ zwembad.

Maar is het de taak van een gemeente om in samenwerking met een private speler bijvoorbeeld een sauna aan te bieden? Koen Dehaen (N-VA), schepen in het Antwerpse Mortsel, vindt van niet.

“We beschouwen zwemmen, en sport in het algemeen, als een kerntaak van de gemeente”, legt Dehaen uit. “Daarom bouwden we een klassiek 25-meterbad waar je baantjes kan zwemmen, en een klein instructiebadje. Als we voor een PPS-constructie zouden hebben gekozen, dan hadden we een zwembad met alle toeters en bellen moeten bouwen. Dat had in plaats van de maximum 6 miljoen euro die we konden investeren, eerder 10 à 12 miljoen euro gekost.”

Volgens Dehaen waren er behalve financiële beperkingen nog andere redenen om daar niet voor te kiezen. “De locatie die we voor ogen hadden, leende zich niet tot een groter complex, en bovendien zijn er in de buurt voldoende zwembaden met een groter recreatie-aanbod.”

Tarieven

De hogere tarieven voor een zwembeurt in een ‘subtropisch’ PPS-zwembad botsen niet zelden op protest van gebruikers. Vaak verhogen niet enkel de prijzen voor een ‘luxueuzere zwembeurt’, maar ook voor een klassieke beurt. De infrastructuur is dan ook nieuw, en ook de verstrengde milieu- en veiligheidsnormen spelen een rol. Meestal behoudt de gemeente wel enig zeggenschap over de tarieven in een PPS-constructie, maar de onderlinge verschillen zijn wel opvallend.

Het recreatief gedeelte beschouwt de stad Brugge eerder als een commerciële activiteit waarbij de wetten van de markt spelen

Wie over de tarieven beslist, wordt bepaald in de initiële samenwerkingsovereenkomst. In de ene gemeente moet de private partner enkel het advies van het lokale bestuur inwinnen, elders worden tarieven afgeklopt binnen een overlegcomité, en soms heeft een tariefwijziging de expliciete goedkeuring van het lokaal bestuur nodig. Al gelden voor bepaalde activiteiten ook vaak aparte tarieven, die ook op een andere manier worden bepaald.

In Brugge moeit de stad zich bijvoorbeeld enkel met het ‘sportieve’ gedeelte, en niet met het meer recreatieve gedeelte. “Het recreatief gedeelte beschouwt de stad eerder als een commerciële activiteit waarbij de wetten van de markt spelen. Toch verwachten we om geïnformeerd te worden wanneer daar de tarieven wijzigen”, zegt Jelle Hanseeuw van de Brugse sportdienst.

“De stad achtte het, vanuit haar sport-voor-allen-beleid, wel noodzakelijk dat alle inwoners, scholen en verenigingen aan zeer democratische tarieven baantjes kunnen zwemmen in het 50-meterbad”, legt Hanseeuw uit. “Iedere inwoner moet kunnen zwemmen en daartoe ook de kans krijgen. Daarom werd ook opgelegd dat de private partner billijke tarieven hanteert voor het sportbad.” In de overeenkomst die Brugge sloot met S&R Group staat dat het tarief voor een ‘gewone zwembeurt’ in lijn moet liggen met dat in vergelijkbare zwembaden in Vlaanderen.

“Wat zeker is, is dat PPS de discussies over tarieven en subsidiëring zeer tastbaar maakt”, vindt David Nassen van ISB. “Als een gemeente sociale kortingen toekent in eigen bad, moet ze dat ook betalen. Ook de kosten van exploitatie in eigen beheer moeten betaald worden. Bij PPS moet over die prijs onderhandeld worden met de private partner.”

Zware contracten

De afspraken met de private partner zijn gedetailleerd, moeten op voorhand vastgelegd worden, en dat voor een lange periode. De transparantie kan er wel onder lijden

Wat buiten kijf staat: de samenwerkingsovereenkomsten tussen lokale besturen en private spelers zijn lange, juridisch ingewikkelde documenten, waarin over elk aspect afspraken gemaakt worden. Meestal lopen deze overeenkomsten 30 jaar, dus zijn beide partijen graag goed ingedekt bij uiteenlopende scenario’s. Of zoals de stad Brugge het bekijkt: “Hoe meer er beschreven staat, hoe minder aanleiding tot discussie tijdens de uitvoering.”

Die zware juridische context die aan een PPS-project vasthangt, is volgens VVSG één van de nadelen. “De afspraken met de private partner zijn gedetailleerd, moeten op voorhand vastgelegd worden, en dat voor een lange periode. De transparantie kan er wel onder lijden”, stelt Nathalie Debast.

Het eindigt namelijk niet bij de in het begin afgesloten overeenkomst. Dat maakt de Brugse case duidelijk. “In een 30-jarige overeenkomst kan niet alles gevat worden”, legt Hanseeuw uit. “Er zijn externe omstandigheden waarop kan én moet ingespeeld worden. Indien er bijsturing gebeurt aan de initiële overeenkomst wordt dit, na goedkeuring door alle partners, aangepast via een bijakte.” Tot op heden werden er voor Brugge al vijf bijaktes goedgekeurd.

Vlaams Journalistiek Fonds

Dit onderzoeksartikel kwam tot stand met de steun van het Vlaams Journalistiek Fonds.

Auteur: Jan Walraven

Jan Walraven schrijft sinds 2015 voor Apache. Behalve journalist is hij ook redactiecoördinator bij Apache. Zijn boek, ‘De diefstal van de eeuw’, over privacy en de tentakels van technologie, verscheen in 2018 bij Van Halewyck.

Auteur: Steven Vanden Bussche

Steven Vanden Bussche studeerde geschiedenis aan de UGent en mag ook lesgeven aan het secundair onderwijs. Sinds 2005 werkt Steven als journalist. Eerst als regiocorrespondent voor Het Laatste Nieuws en de VRT, daarna zeven jaar voor het persagentschap Belga. Sinds augustus 2017 schrijft Steven voltijds voor Apache.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books