MAP gefileerd: Vlaams mestbeleid zit in een Catch-22

 Leestijd: 15 minuten0

Het nieuwe mestactieplan, MAP6, is een halfslachtig en complex plan vol achterpoortjes. Economische belangen en waterkwaliteit zitten elkaar nog altijd in de weg. “In de huidige Europese en mondiale context kunnen we niet én het milieu, én de landbouw ten dienste zijn. Minder intensief aan landbouw doen, zou het milieu zeer ten goede komen, maar kan in de huidige context enkel gepaard gaat met een sterk afbouwscenario van het aantal landbouwers en bedrijven”, klinkt de Catch-22.

Het Vlaamse mestbeleid trappelt al vijf jaar ter plaatse en de kwaliteit van het oppervlaktewater blijft ver achter op de Europese Nitraatrichtlijn. Willen we een betere waterkwaliteit, dan moet er voorzichtiger en vooral minder bemest worden. Dat betekent een krimp in de veestapel én het consequent opleggen van terreinmaatregelen.

Maar de economische malaise en het lobbywerk van spelers uit de landbouwwereld verhinderen een ‘rechttoe rechtaan beleid’. Het nieuwe mestactieplan (MAP6) is een halfslachtig plan vol achterpoortjes dat weinig aan de kwaliteit van het oppervlaktewater zal veranderen, vrezen experts.

Nieuw plan mijdt – alweer – taboes

Het winterjaar 2017-2018 was barslecht voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in landbouwgebied. In 28% van de meer dan 700 meetplaatsen die de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) opvolgt, werd teveel nitraat gemeten. Dat was zelfs slechter dan het gemiddelde van de afgelopen vijf jaar, wanneer de Nitraatnorm in gemiddeld 20% van de meetpunten overschreden werd. Terwijl de doelstelling van het eind 2018 afgelopen MAP5 op 5% overschrijdingen lag.

Het Vlaamse mestbeleid trappelt al vijf jaar ter plaatse en de kwaliteit van het oppervlaktewater blijft ver achter op de Europese Nitraatrichtlijn

Vooral de bekkens van de IJzer (57%) en de Leie (47%), in de provincie West-Vlaanderen, en de Maas (43%), in de provincie Antwerpen, zijn er slecht aan toe. “Niet toevallig zijn dat de regio’s waar op de meest intensieve wijze aan landbouw wordt gedaan in zowel de veeteelt als industriële groenteteelt”, reageert Freek Verdonckt (Natuurpunt).

Met die cijfers in het achterhoofd werkte het kabinet van voormalig minister van Omgeving, Natuur en Landbouw Joke Schauvliege (CD&V), samen met milieu-, landbouworganisaties en andere belanghebbenden aan een nieuw Mestactieplan. Het zesde nu al. Dat gebeurt in het zogenaamde OMAP (Opvolgcommissie Mestactieplan). “Het kabinet verzaakte daarbij te vertrekken van een grondige analyse met de stakeholders om uit te zoeken waar het huidige MAP5 te kort schoot”, gaat Freek Verdonckt (Natuurpunt) verder. “Zij koos integendeel voor de vlucht vooruit met een totaal nieuw en complex plan. De taboes over de veestapel en aanwijzingen van een uiterst fraudegevoelig mestbeleid bleven op die manier in de schuif zitten.”

Andere meetmethode, andere doelen

Belangrijkste nieuwigheid in dat zesde mestactieplan is een nieuwe meetmethode om gebieden af te bakenen waar maatregelen genomen moeten worden. In het nieuwe MAP zal voortaan een gemiddelde per afstroomzone berekend worden, in plaats van een overschrijding van een individueel meetpunt.

Dat laatste mag verbazen, want de Europese nitraatrichtlijn legt lidstaten net op om dergelijke overschrijdingen te voorkomen.

Landbouworganisaties waren in het verleden al vragende partij voor een nieuwe meetmethode, omdat ze zich slachtoffer voelden van een veel te fijnmazig netwerk. De VLM zegt verder dat met de nieuwe methode trends en evoluties ook beter ingeschat kunnen worden.

Al wisselden ook de landbouworganisaties en cours de route het geweer van schouder.

“De landbouworganisaties hebben rond 2000 nochtans zelf aangedrongen op bijkomende meetpunten,” brengt professor Bodemvruchtbaarheid Stefaan De Neve (UGent) in herinnering. Toen ging de sector er vanuit dat het probleem bij de industrie of het huishoudelijk afvalwater lag. Wat dus niet het geval was.

Dat fijnmazig netwerk van meetpunten heeft ook zijn nadelen, erkent professor De Neve. “Soms liggen die meetpunten in kleine slootjes en wat er ook gebeurt, het heeft een grote impact op het meetpunt. Daardoor zijn sommige resultaten weinig relevant. Toch is de verantwoording voor het werken met gemiddelden, en zeker dit gemiddelde (20 mg nitraat per liter), zeer zwak onderbouwd. Er zouden hiervoor veel alternatieven kunnen onderzocht worden. Ik ben daarom verrast dat Europa daarin meegaat.”

Het valt te betwijfelen of het verzamelen van meer accurate gegevens de echte reden is van het nieuwe meetsysteem in MAP6. In het huidige systeem zouden de vooropgestelde doelen alleszins nooit bereikt worden.

Voor de milieubeweging maskeert het veranderen van de meetlat nog iets anders. “Een beleidsevaluatie maken over het gehele traject van het mestbeleid, dat al meer dan twintig jaar loopt, wordt op deze manier moeilijk gemaakt”, zegt Freek Verdonckt (Natuurpunt), die namens de milieubeweging in OMAP zetelde. “En passant werd ook nog eens aan het ambitieniveau gemorreld. De tussentijdse doelen van MAP6 tegen 2022 liggen zowat de helft lager dan de doelen die we onder het vorige MAP nastreefden”.

Een beleidsevaluatie maken over het gehele traject van het mestbeleid, dat al meer dan twintig jaar loopt, wordt op deze manier moeilijk gemaakt.

Ook meststoffen in grondwater

Ook Vlaams parlementslid Wilfried Vandaele (N-VA) toonde zich in de Commissie Leefmilieu al kritisch over wat hij een ‘beproefde oplossing’ noemt. “Als de gehanteerde methodes niet de verhoopte resultaten brengen, past men de methodes aan. Men gaat met gemiddeldes werken, want dat is zogezegd veel gefundeerder en waarheidsgetrouw. Maar juist op de piekmomenten krijgt men de meeste nitraten in het milieu, en die worden nu uitgevlakt,” klonk het.

En er is meer. De mestactieplannen zijn niet alleen een regionale vertaling van de Europese richtlijnen rond nitraat in oppervlaktewater, maar ook voor grondwater. Want ook daar zijn in veel gebieden de nitraatconcentraties te hoog. Dat komt omdat het overschot aan meststoffen dat planten niet opnemen, langzaam naar de grondwatertafel doorsijpelt. Het is een traag proces, maar ook daar zijn maatregelen nodig.

Landbouworganisaties zijn niet te spreken over het opleggen van strenge maatregelen op basis van slechte grondwaterstalen, juist omdat bodemprocessen complex zijn en moeilijk uit te leggen aan de achterban, zo werd onder meer geuit in het decembernummer van Boer & Tuinder. Die verzuchting werd uiteindelijk gehonoreerd in MAP6.

Professor Stefaan De Neve (UGent) toont zich daarover kritisch. “Als het grondwater moet worden meegenomen in de analyse, moet dat wel op een correcte en transparante manier gebeuren”, zegt hij.

Wie braaf is krijgt lekkers

Net als in MAP5 wordt Vlaanderen in vier soorten gebieden onderverdeeld, wat een ‘getrapte verscherping’ van de aanpak mogelijk maakt. In elk gebiedstype moeten landbouwers telkens specifieke maatregelen nemen om de waterkwaliteit te verbeteren.

“In principe is dat een goed systeem, maar alles valt of staat bij de keuze van de maatregelen en de mate waarin ze te handhaven zijn”, zegt Freek Verdonckt (Natuurpunt). Dat begint al bij de versoepeling die MAP6 ‘als beloning’ introduceert in ‘gebiedstype 0′, waar de doelen uit de Nitraatrichtlijn momenteel bereikt zijn. Niet zonder risico’s, zo blijkt.

De betwiste versoepeling bestaat eruit dat in iets minder dan de helft van het Vlaamse landbouwareaal bemestingsvrije buffers langs waterlopen worden teruggebracht van vijf tot één meter van de oever. Tenminste, wanneer met precisietechnieken bemest wordt. Een ongelukkige maatregel, vindt professor Johan De Neve: “Rechtstreekse input van meststoffen in oppervlaktewater moet ten allen tijde worden vermeden. Zo’n strook is veel te smal om accidentele verliezen naar het water te vermijden tijdens het bemesten. Er is bovendien risico op directe verliezen, bijvoorbeeld via oppervlakte afstroming bij hevige regen.”

Precisiebemesting Foto (c) Boerenbond

Precisiebemesting Foto (c) Boerenbond

Ook Natuurpunt is kritisch, want omdat die maatregel toegepast wordt in een gebied waar het momenteel goed gaat, kunnen controleurs van de Mestbank er in de praktijk amper toezicht op houden of boeren wel tegemoet komen aan de randvoorwaarden van die versoepeling. “Een achteruitgang in gebieden waar het nu net goed gaat, moet nochtans absoluut vermeden worden”, zegt Verdonckt.

In zones met ‘gebiedstype 1’ is nog een kleine inspanning nodig om de waterkwaliteitsdoelen te halen, leert MAP6. Dat daar ‘naar waarschijnlijkheid’ die doelen wel gehaald zullen worden door het beleid uit MAP5 verder te zetten doet alvast de milieubeweging de wenkbrauwen fronsen. MAP5 heeft de voorbije jaren immers zijn effectiviteit niet kunnen tonen.

Het zwaartepunt van MAP6 moet in de gebieden van type 2 en 3 liggen. Het zijn de klassiek gekende regio’s waar in de beginjaren van het mestbeleid wel grote vooruitgang is geboekt maar die sinds 2014 stagneren. Sommige streken gingen zelfs nog verder achteruit, onder meer door de oprukkende industriële groenteteelt.

Aardappelteelt Foto (c) Boerenbond

Aardappelteelt Foto (c) Boerenbond

MAP6 pakt daar uit met twee standaardmaatregelen die volgens experten – en ook Natuurpunt – wel degelijk het potentieel hebben om de waterkwaliteit aanzienlijk te verbeteren. Het gaat om strengere bemestingsnormen en een verhoogd areaal ‘vanggewassen’. Die teelten, zoals bepaalde grassen, halen na de oogst de ‘overschotten’ uit de bodem. “Maar net als in MAP5 dreigt het mis te lopen in de uitvoering op het terrein en kan vandaag al voorspeld worden dat zij die willen, door de mazen van het net zullen glippen”, zegt Verdonckt.

Kunstmest niet controleerbaar

De strengere bemestingsnormen die sommige landbouwers opgelegd krijgen (in gebiedstypes 2 en 3), kunnen onmogelijk gecontroleerd worden omdat het kunstmestgebruik nergens officiëel geregistreerd wordt. In het Vlaams Parlement verklaarde de Vlaamse Milieumaatschappij dat het gebruik van stikstof uit kunstmest de afgelopen tien jaar fors is toegenomen.

Cijfers van het landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) toonden eerder dat het reële gebruik van kunstmest veel omvangrijker, mogelijks zelfs het dubbele bedraagt van de gegevens op basis van aangiftes van landbouwers “Het officiële cijfermateriaal over het gebruik van kunstmest is weinig betrouwbaar, terwijl daar wel veel winst geboekt kan worden. Maar in tegenstelling tot dierlijke mest, waarvan transporten, opslag en verwerking bijgehouden wordt, is er momenteel geen mogelijkheid tot efficiënte monitoring”, hekelt ook professor De Neve.

De strengere bemestingsnorm die sommige landbouwers opgelegd krijgen, kan onmogelijk gecontroleerd worden omdat het kunstmestgebruik nergens officiëel geregistreerd wordt.

“De maatregel rond scherpere bemestingsnormen is daarmee niet alleen een slag in het water”, zegt Verdonckt. “De straffeloosheid die er rond zal ontstaan zal ook landbouwers die wel goed bezig zijn moedeloos maken. Zij zitten immers opgescheept met de beslommeringen die zulke halfslachtige mestactieplannen met zich meebrengen.”

Tegenvoorstel

Het zaaien van ‘vanggewassen’, de andere speerpunt-maatregel in MAP6, is een maatregel om overschotten aan nitraat op te nemen en te verhinderen dat die in waterlopen terecht komen. Het gaat om bepaalde grassoorten of rogge bijvoorbeeld die overtollige nitraten uit de grond opnemen tijdens hun groei. “Maar omdat vanggewassen vroeg genoeg moeten ingezaaid worden om hun milieu-effect te bereiken, kunnen ze niet dienen als nateelt (gewassen die worden geteeld na oogst van het hoofdgewas, n.v.d.r.) op een aantal intensieve gewassen zoals industriegroenten, aardappel en mais”, merkt Verdonckt op.

Omdat deze gewassen juist in opmars zijn in regio’s met slechte waterkwaliteit, kan die MAP6-maatregel maar slagen indien er ingrijpend op de teeltplannen wordt ingezet. Dat betekent minder mais, groenten of aardappelen, wat botst met economische krachten. Daarom biedt MAP6 de landbouw een uitweg aan om zelf een zogenaamde ‘equivalente maatregel’ voor te stellen.

Stefaan De Neve vindt dat vanuit economisch standpunt begrijpelijk, maar vindt het onduidelijk in hoeverre deze equivalente maatregelen hetzelfde effect zullen hebben als de vanggewassen. “Een adviescomité zal dit moeten beoordelen, maar voor veel equivalente maatregelen zijn er gewoon te weinig objectieve gegevens.”

Maxima zijn de norm geworden

MAP6 ziet ook heil in adviezen die moeten leiden tot betere bemestingspraktijken. “De bemestingspraktijk van vele bedrijven staat nog niet genoeg op punt om een goede waterkwaliteit te verzekeren”, verklaarde Stijn Overloop van de Vlaamse Milieumaatschappij halverwege januari in het Vlaams Parlement.

“Een eufemisme”, repliceerde Vlaams parlementslid Wilfried Vandaele (N-VA) in de commissie leefmilieu. Hij voelde zich ‘een beetje bekocht’ nu blijkt dat landbouwers na meer dan 20 jaar mestbeleid ‘nog steeds niet weten hoe ze het moeten doen’.

Een belangrijk pijnpunt is allicht de maximale bemestingslimieten. Die worden door een wetenschappelijk comité bepaald in functie van de bodem en het soort gewas dat geteeld wordt. “En hoewel deze maxima uiteraard helemaal niet bedoeld zijn als bemestingsadvies, worden ze in de praktijk wel zo gebruikt. In deze -soms enorme- ruimte tussen wat maximaal toegelaten en wat in de praktijk geadviseerd wordt, ligt wellicht de grootste kans tot verdere verbetering van de waterkwaliteit, zegt professor De Neve.

“Er worden in Vlaanderen vaak bemestingsadviezen geformuleerd waarover grote twijfel bestaat omtrent de betrouwbaarheid”, zegt professor De Neve. “De overheid zou zich moeten richten op het verder nagaan van de kwaliteit van die systemen, en enkel systemen die hun deugdelijkheid voldoende bewijzen toelaten als enige mogelijke en erkende.”

Vraag is of de overheid dat echt wil. Professor De Neve merkt op dat al vier jaar een studie rond bemestingsadvies stof ligt te vergaren en dat niet duidelijk is hoe men adviseurs gaat certificeren.

Economische drijver buiten schot

Zelfs wanneer bemestingsadviezen performanter worden, blijft de voornaamste achterliggende reden achterwege waarom landbouwers die in de praktijk niet altijd zullen of kunnen volgen.

In regio’s waar meer dierlijke mest geproduceerd wordt dan er grond is om die kwijt te kunnen, is mest geen grondstof maar een afvalproduct. Boeren willen er aan de laagste kost van af, want mest naar de verwerker brengen kost geld. “Het is dus de economische druk die de landbouwers dwingt zoveel mogelijk mest kwijt te raken op het land en die hen ertoe aanzet alle mogelijke achterpoortjes in de regelgeving te gebruiken”, verduidelijkt professor De Neve.

Te weinig en te laat

Europa heeft zich bij het beoordelen van MAP6 bijzonder meegaand en mild getoond, want het nieuwe MAP6 is geen trendbreuk met de vorige versie, ondanks de slechte resultaten, meent professor De Neve.

“In die 28 jaar (in 1991 werd het eerste mestdecreet goedgekeurd, red.) is heel veel tijd verloren gegaan”, zegt professor Bodemkunde Stefaan De Neve (UGent) over MAP6. “De aanpak van het mestprobleem is al die tijd een ongelooflijk moeilijk proces geweest. Omwille van de lobbydruk nam de politiek altijd de kleinst mogelijke maatregelen. Had men de ernst van het probleem van in het begin voldoende onderkend en passende maatregelen genomen, dan zouden we al een heel stuk verder staan.”

Maar de oorzaak van het probleem, een industriële veeteelt en een veel te intensieve groenteteelt, blijft ook in MAP6 buiten schot. “In die impasse zit ons mestbeleid. Maar wie bepaalt het ritme van de mestwetgeving? Ook bijvoorbeeld leveranciers van veevoeders en daar hebben de boeren even veel last van. Op één minister van Landbouw na (Vera Dua van Groen, red.), waren bovendien altijd CVP en CD&V-ministers bevoegd.”

De Vlaamse land- en tuinbouw boekte vorig jaar een geraamde omzet van 5,2 miljard euro, wat 5% minder is dan het vijfjaargemiddelde. De marges staan onder druk en prijzen zijn onderhevig aan sterke schommelingen. In verschillende deelsectoren duiken rendabiliteitsbarometers zelfs in het rood, meldde Boerenbond in een recent dossier rond het landbouwinkomen.

Het is een kritiek die ook -en al lang- bij de milieubeweging leeft.

“Zolang je de disproportioneel grote veestapel in stand houdt, kan je zoveel maatregelen bedenken als je wil, maar mest wordt geproduceerd en moet ergens naartoe”, merkt Laurens De Meyer op. Hij is beleidsmedewerker Voeding en Landbouw bij de Bond Beter Leefmilieu.

Volgens De Meyer wordt bij het uitschrijven van mestwetgeving nooit rekening gehouden met systeemfouten. Ook een globale visie ontbreekt. “We kunnen dan wel de laagste CO2-uitstoot per kilo biefstuk of per liter melk hebben, maar je kan niet enkel uitpakken met de winstzijde van een sector als de veeteelt. Lokaal zit je met verliesposten als mestoverschot en stikstofafzetting. Globaal zijn dat sojatransporten en biodiversiteitsverlies dat daar overzees mee gepaard gaat.”

Varkensteelt Foto (c) Boerenbond

Varkensteelt Foto (c) Boerenbond

Het werken in een internationale markt speelt een goed mestbeleid parten, meent ook professor De Neve. “De landbouw opereert in een vrije markt en Europa kent steeds minder subsidies toe. Vergroening gaat wel gepaard met bijkomende kosten, terwijl prijzen variabel en laag zijn. Wie gaat die bijkomende kosten dragen? Gaat de consument voor duurder voedsel betalen? Of gaat die goedkoper voedsel uit het buitenland aankopen?  De vrijheid om in te grijpen is met andere woorden beperkt. Onze Vlaamse landbouw is kleinschalig en moet wel intensiveren of specialiseren.”

Ook in Bretagne of Malaga kampt intensieve groenteteelt met gelijkaardige problemen, maar daar gaat het op relatief beperkte oppervlaktes ten opzichte van het land in zijn geheel.

Dat intensiveren van veeteelt leidt dan weer tot een onoplosbaar milieuprobleem.

“Het is in die Catch-22 dat de landbouw gevangen zit”, gaat professor De Neve verder. “In de huidige Europese en mondiale context kunnen we niet én het milieu, én de landbouw ten dienste zijn. Minder intensief aan landbouw doen, zou het milieu zeer ten goede komen, maar kan in de huidige context enkel gepaard gaat met een sterk afbouwscenario van het aantal landbouwers en bedrijven.”

Professor De Neve pleit voor een mondiaal protectionisme in de landbouw. “Bescherm landbouwers en laat hen produceren op een duurzame manier voor een eerlijke prijs, met subsidies en importtarieven. Niet enkel de Belgische landbouw, maar elk land zou de mogelijkheid moeten hebben protectionistishe maatregelen te kunnen nemen voor zijn landbouwers. Inclusief, en zelfs nog meer in ontwikkelingslanden. De landbouw is te belangrijk om aan de vrije markt over te laten.

“Het is net dat complex van intensieve landbouw, met lage toegevoegde waarde in de productie, die voor West-Vlaanderen de doodsteek gaf voor de vooruitgang in de waterkwaliteit”, geeft Bart Vanwildemeersch van de West-Vlaamse Milieufederatie aan. “Onze provincie kent de combinatie van intensieve veeteelt, met lokale mestoverschotten, en intensieve groenteteelt, met grote vraag naar nutriënten voor de groei. De veeteelt zoekt naar grond voor goedkope mestafzet en de groenteteelt wil maximale opbrengst per hectare en verkent zo de uiterwaarden van het mestbeleid. De combinatie met niet-ingerekende klimaateffecten, zorgt voor een rampzalig resultaat voor de waterkwaliteit.”

De West-Vlaamse Milieufederatie pleit dan ook voor een mestproductie door de veeteelt, die afgestemd is op de mestvraag door de akkerteelten.

De lobby

Dat dieren essentieel zijn in een duurzaam landbouwsysteem, maar niet in een disproportionele verhouding tot ons beperkte landbouwareaal, beseffen ook administraties. “Je ziet vaststellingen en aanbevelingen in het Milieurapport Vlaanderen (Mira) bijvoorbeeld, maar kabinetten gaan daar niet op in. Voorgestelde maatregelen worden in de ene na de andere lobbyronde afgezwakt, hekelt BBL-expert Laurens De Meyer.

“En het gaat niet enkel over de oppervlakte- en grondwaterlichamen, maar ook in het kader van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie, luidt men de alarmbel”, vult Bart Vanwildemeersch (WMF) aan. Ook in zee wordt schade aangericht. Hier zorgt de overvloed aan nutriënten voor een teveel aan algen, dat op zijn beurt de mariene voedselketen verstoort. Ook hier wordt aanbevolen om ‘ingrijpende veranderingen in het landbouwproductiesysteem en bepaalde economische mechanismen’, door te voeren.

Ondertussen bleef voormalig Landbouwminister Joke Schauvliege (CD&V) het afgelopen jaar, in de commissie Leefmilieu, de afbouw van de veestapel afwijzen.

Meer mest dan nodig

De productie van nitraat (N) en fosfaat (P) via dierlijke mest is in Vlaanderen hoger dan het dierlijk mestgebruik in Vlaanderen. Bovendien, zo blijkt nogmaals uit het laatste Milieurapport van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). In 2017 zowat 5% meer stikstof geproduceerd dan bij de start van het mestdecreet in 1991.

Na een daling door een inkrimpende veestapel tussen 2000 en 2007 is er terug een stijging van de stikstofproductie. Dat komt omdat de veestapel sinds 2007 terug uitbreidt omwille van bijkomende mogelijkheden tot mestverwerking.

Mede daardoor is de mestbalans wel min of meer in evenwicht. Het mestoverschot in Vlaanderen wordt namelijk onbehandeld geëxporteerd of verwerkt.

Ondanks de povere resultaten, leverde de landbouwsector de voorbije decennia wel heel wat inspanningen in de vorm van investeringen voor mestverwerking, strengere bemestingsnormen, aangepaste voeding of het gebruik van innovatieve technieken, zoals emissiearme stallen. Maar de totstandkoming van die stalregelgeving kent een merkwaardig verloop.

“Dit vertaalde zich in een aanzienlijke toename in de eco-efficiëntie”, schreef de VMM eind vorig jaar in een rapport over de omvang van de veestapel. “Toch zijn er grenzen aan deze efficiëntiewinsten en blijft de absolute milieudruk gerelateerd aan de omvang van de veestapel en de hoge productievolumes in Vlaanderen.” Het is een bevestiging van wat zowel professor De Neve als BBL-expert De Meyer zeggen.

8 op 10 mestverwerkers heeft probleem

Het sluitstuk van het vorige mestactieplan (MAP 5) was handhaving en daar wordt -meer dan ooit- op ingezet in MAP6. “Handhaving als een sleutelelement,” klonk het op een voorstelling van het zesde mestactieplan het Vlaams Parlement.

Maar wie goed naar de uiteenzetting luistert, hoort bij de Mestbank ook een gevoel van onmacht rond handhaving. Het is de Mestbank die instaat voor het opleggen en controleren van mestregels. Handhaving botst dus op haar grenzen, zeker wanneer een grote groep spelers kleine marges blijven opzoeken, boven wat wettelijk is. “In een intensief landbouwgebied als dat van Vlaanderen hebben we die marges niet”, klonk het bij de Mestbank.

In 2018 liet de Mestbank nog optekenen dat er maar een kantelmoment kan komen, als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt. Het is duidelijk dat er nog verbetermarge is, klonk het recent in de commissie Landbouw. Het beeld is somber, maar de hoop is voor de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) niet helemaal verloren, zo klonk het.

Het aantal inbreuken zijn nochtans niet min. Uit gerichte controles bleek vorig jaar al dat bijna de helft van de gecontroleerde bedrijven niet orde was met de wetgeving. In 2017 werden ook 22 mestverwerkingsinstallaties gecontroleerd. Bij acht op de tien werden problemen vastgesteld, vooral bij de registratie en de afvoer van mest, zo blijkt uit cijfers van de VMM. Die zegt dat er gewerkt wordt aan effectiever toezicht op mestverwerking.

Ook bij de inhoud van mesttransporten worden nog veel onregelmatigheden vastgesteld. Nog zorgwekkender is de fraude die werd vastgesteld bij het meten van nitraatresidu’s. Die stalen worden door erkende bodemlabo’s genomen op de percelen, heel vaak met de landbouwer erbij. Omdat die staalname bepaalt of een landbouwer strengere maatregelen krijgt, en omdat ze uitgevoerd wordt door tijdelijke werkkrachten die vaak banden hebben met de sector, is het een fraudegevoelige controle geworden. In 2016 werden in elk geval tien staalnemers geschorst. MAP6, zoals het nu voorligt, biedt aan landbouwbedrijven de kans om op basis van een positieve staalname een vrijstelling te krijgen van bijkomende maatregelen. In dat licht is dat zorgwekkend.

Tijdens een hoorzitting in het Parlement laakten zowel N-VA, Groen als sp.a de hoge inbreukcijfers die de Mestbank blijft vaststellen. 

“Mochten de cijfers van het rapport in eender welke andere bedrijfssector op tafel liggen, er zou schande van gesproken worden”, klonk het bij monde van Bruno Tobback (sp.a) in het Vlaams Parlement. “Geen enkele andere bedrijfssector in dit of eender welk beschaafd land komt weg met dergelijke resultaten, en dat na twintig jaren van controles, naleving, stimulansen, subsidies, toelagen, enzovoort.” De VLM stelt daar tegenvoer dat er heel gericht gecontroleerd wordt, wat ten dele de hoge inbreukpercentages verklaart.

Geen enkele andere bedrijfssector in dit of eender welk beschaafd land komt weg met dergelijke resultaten, en dat na twintig jaren van controles, naleving, stimulansen, subsidies, toelagen, enzovoort.

De capaciteit van de Mestbank qua handhaving en qua doorlichting is uiteraard ook beperkt, merkte Els Lesage van de VLM op. Extra middelen worden evenwel niet voorzien, antwoordde (toenmalig) minister Joke Schauvliege (CD&V) verwijzende naar het regeerakkoord om tot minder personeel te komen bij de Vlaamse Overheid.

“De mensen die de handhaving organiseren, doen dat vanuit de beste intenties”, zegt De Meyer. “Maar de controle-instanties kunnen ook maar roeien met de riemen die ze hebben en kunnen niet overal tegelijk zijn. Het is daarom verbazend dat onder MAP6 de regels op die manier worden aangepast dat de druk op de handhaving nog groter wordt. Uiteindelijk krijg je een complex kluwen aan regels die gewoonweg niet meer handhaafbaar zijn en valt de stok achter de deur weg. Dat moet ontmoedigend werken voor zowel de overheid als voor al die boeren die de regels wél volgen.”

Het openbaar onderzoek over MAP6 liep donderdag 21 februari af. Daarna wordt het politiek besproken met de meerderheidspartijen en in decreet omgezet.

Of MAP6 zoals het voorligt goedgekeurd raakt, valt nog te betwijfelen. Voor N-VA parlementslid Wilfried Vandaele alvast niet. “Wat ons betreft moeten er aanpassingen gebeuren”, zegt Vandaele aan Apache.

Of MAP6 zoals het voorligt goedgekeurd raakt, valt nog te betwijfelen.”Wat ons betreft moeten er aanpassingen gebeuren”, zegt Wilfried Vandaele (N-VA).

De kersverse minister Koen Van den Heuvel (CD&V) wijst erop dat het nieuwe ontwerp mestactieplan de toets van Europa heeft doorstaan en de volgende weken binnen de regering besproken wordt.

Hij zal in elk geval de hete adem van de landbouworganisaties voelen. Want die willen zo snel mogelijk een mestactieplan om ook de ‘derogatie’ veilig te stellen. Dat is een goedkeuring van Europa om op bepaalde teelten meer dierlijke mest af te zetten dan normaal mogelijk. En het bemestingsseizoen is ondertussen al begonnen.

Als een nieuw MAP niet binnen de zestig dagen wordt afgeklopt, dan wordt het over de verkiezingen getild en wordt het voor de landbouwsector moeilijk om de gewilde derogatie binnen te halen.

Boerenbond verkoos om niet te reageren. In VILT liet de organisatie optekenen dat vooral de strengere maatregelen in gebieden waar de waterverontreiniging het ergst is, een doorn in oog is. “Dat dreigt drastisch in te grijpen in de bedrijfsvoering”, aldus Boerenbond. Tegelijk is de landbouworganisatie niet tevreden omdat boeren ‘maar met mondjesmaat’ beloond worden in de gebieden waar de norm bereikt werd.

 

 

 

UPDATE: In de alinea ‘ander meetmethode andere doelen’ werd letterwoord ‘VMM’ vervangen door ‘VLM’. In de alinea ‘wie braaf is krijgt lekkers’ werd het percentage 62% vervangen door ‘iets minder dan de helft’. Ook een reactie van minister Van den Heuvel werd later aangevuld.
Auteur: Steven Vanden Bussche

Steven Vanden Bussche studeerde geschiedenis aan de UGent en mag ook lesgeven aan het secundair onderwijs. Sinds 2005 werkt Steven als journalist. Eerst als regiocorrespondent voor Het Laatste Nieuws en de VRT, daarna zeven jaar voor het persagentschap Belga. Sinds augustus 2017 schrijft Steven voltijds voor Apache.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books