Het rommelt in het Museum van Tervuren

 Leestijd: 11 minuten3

Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika is sinds 2013 dicht. Ook de permanente tentoonstelling is gesloten. Maar daar verschijnen de Congolese diaspora, de wetenschappers en de museologen op het toneel, en het resultaat is een permanent gevecht.

De oude opgezette olifant zit helemaal onder de plastic zeilen en rondom hem zijn arbeiders druk in de weer, maar zelf is hij onverstoorbaar. Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren ondergaat een facelift.

Het neoklassieke gebouw, dat meer dan honderd jaar oud is, is sinds 2013 gesloten voor een grondige opfrisbeurt. Sinds die datum staan de collecties opgeslagen in het gigantische magazijn, met miljoenen stalen van dieren, 100.000 vissen, maskers, trommels, muziekinstrumenten, houtsnijwerk, 17.000 slangen en 300.000 spinnen.

De meeste daarvan zijn in de koloniale periode weggehaald uit Congo. Alles staat netjes gerangschikt te wachten op de heropening. Debora Silverman, professor Europese geschiedenis aan de universiteit van Californië, is gespecialiseerd in het museum van Tervuren.

‘Deze collectie is een versteend woud van het kolonialisme, opgebouwd door tijdens het decennialange bestuur van Leopold II massaal dieren, artefacten en producten weg te slepen.’

Ze noemt deze gigantische collectie een “versteend woud van het kolonialisme, opgebouwd door tijdens het decennialange bestuur van Leopold II massaal dieren, artefacten en producten weg te slepen. De culturele en natuurlijke bronnen werden op een onvoorstelbare schaal geplunderd.”

Dit museum en deze collectie zijn nauw verbonden met de koloniale geschiedenis van België, en in het bijzonder met de persoonlijke onderneming van Leopold II, die nooit een voet op Congolese bodem heeft gezet, maar die in zijn eentje tussen 1885 en 1908 de Kongo-Vrijstaat leidde. Naar aanleiding van de wereldtentoonstelling van 1897 gaf de vorst het bevel om dit “museum van Congo” op te richten.

Hij wou daarmee zijn commerciële avontuur voor het voetlicht plaatsen: het ging vooral om de ontginning van grondstoffen, die tot direct gevolg had dat de Congolezen hardhandig onderworpen werden.

De monumentale achtergevel van het Museum van Tervuren. (foto: (c) Wikimedia)

De permanente tentoonstelling veranderen

“Het museum was duidelijk een overblijfsel van het koloniale tijdperk, en het was al jarenlang aan het verkommeren.” Aan het woord is Toma Muteba Luntumbue, kunstenaar en docent aan de Ecole nationale supérieure des arts visuels in Terkameren. Hij was de eerste die op een tijdelijke tentoonstelling (ExitCongoMuseum, 2000-2001) hedendaagse kunst introduceerde in het gebouw in Tervuren.

In die tijd drong ook het idee zich op dat niet alleen de gevel onder handen moest worden genomen, maar dat ook de mouwen moesten worden opgestroopt voor de permanente tentoonstelling. Daar zat al sinds 1959 geen beweging meer in. Bruno Verbergt, de operationeel directeur publieksgerichte diensten geeft het toe:

“Het museum had de uitstraling van het laatste koloniale museum in de wereld. En voor de permanente tentoonstelling was dat ook zo. Sinds de jaren 80-90 werd het steeds maar pijnlijker om die voorwerpen op dezelfde manier te blijven presenteren. Het werd tijd dat er verandering kwam.”

In het begin sprak niemand over het museum ‘dekoloniseren’. Men had het over ‘afstoffen’, en hoogstens over een ‘modernisering’ van de tentoonstelling.

De permanente tentoonstelling veranderen… Sinds de eeuwwisseling is het personeel van het museum er al mee bezig. Het werk is lang, complex en verloopt aarzelend. In het begin sprak niemand over het museum ‘dekoloniseren’. Men had het over ‘afstoffen’, en hoogstens over een ‘modernisering’ van de tentoonstelling.

In de eerste ruwe schetsen van de opstelling wordt er zelfs geen zaal gereserveerd voor de koloniale geschiedenis, die van de hand wordt gewezen als een ‘transversale’ discipline.

‘U kunt er niet aan ontsnappen. U zult echt een zaal moeten inrichten met als onderwerp de koloniale geschiedenis.’

Maar in 2013 voeren museologen uit de hele wereld een evaluatie uit, en daarin wordt de leiding van het museum aangemaand: “U kunt er niet aan ontsnappen. U zult echt een zaal moeten inrichten met als onderwerp de koloniale geschiedenis.”

Het Comraf (Comité KMMA – Afrikaanse verenigingen) is een adviserend orgaan dat sinds 2003 leden van verenigingen van mensen van Afrikaanse afkomst en personeelsleden van het museum groepeert. Rond 2013 doet het comité een voorstel aan het museum: de directie moet voor de permanente tentoonstelling zes experts uit de Afrikaanse diaspora consulteren. In 2014 worden die gerekruteerd, hoofdzakelijk in de wereld van de kunst en de universiteiten. Maar al snel blijkt dat het een moeilijk gesprek zal worden.

Anne Wetsi Mpoma, gespecialiseerd in kunstgeschiedenis, maakt deel uit van de groep. Het duurt niet lang voor haar enthousiasme een opdoffer krijgt. “Ik dacht dat we samen dingen zouden uitwerken, maar dat bleek al snel een illusie: het museum wilde alleen dat wij hun beslissingen zouden goedkeuren. We hebben stevig moeten onderhandelen om ook content te mogen aanbrengen.”

Ayoko Mensah is programmator van de Afrika-afdeling van Bozar. Ze treedt Anne Wetsi Mpoma bij: “We zijn ten einde raad. Door de renovatiewerken is er 10 jaar geleden een soort morele steun gekomen, maar de aanpak van het museum gaat niet echt de richting van de dekolonisatie uit.”

Wetenschappers in hun bubbel

 En toch begint de directie van het MRAC in die periode – in 2014 – officieel over de “dekolonisatie” van het instituut te spreken. Dat zijn sterke woorden, die intern heel terughoudend worden onthaald. Maar Bruno Verbergt staat erachter:

“Jarenlang heeft het Westen een discours over en een visie op de wereld gecreëerd die gebaseerd waren op foute observaties. Zo werd beweerd dat de zwarten minder ontwikkeld waren dan de blanken. En die ideeën hebben een ideologie gevoed die het koloniale discours, en dus ook het discours van het museum, vorm hebben gegeven. Als we dekoloniseren, leggen we dat mechanisme bloot.”

Voor sommige leden van de groep van Zes zijn die woorden niet meer dan een doekje voor het bloeden. Tenslotte zijn het nog altijd de experts van het museum die bepalen hoe we naar het verleden kijken. En dat stelt Muteba Luntumbue aan de kaak:

“De directeur is zo’n beetje de minister van de kolonies. In zijn ministerie doet het museumpersoneel alsof het een monopolie heeft op de manier waarop over Afrika moet worden gepraat.”

Sinds 2014 gaapt er een kloof van onbegrip tussen de zes experts en een aantal personeelsleden van het museum. Dat kun je verklaren als je de organisatie van het instituut kent, en de gevechten die intern worden gevoerd.

Daar bovenop zijn dan de zes externe consultanten gekomen. Het KMMA is een museum, maar in de eerste plaats toch vooral een wetenschappelijk instituut. Er zijn 249 werknemers, die in twee categorieën kunnen worden verdeeld. Aan de ene kant heb je de museumspecialisten, die verantwoordelijk zijn voor de presentatie en de contacten met het publiek, en aan de andere kant heb je 97 wetenschappers.

Die laatste groep kun je onderverdelen in specialisten in menswetenschappen – geschiedenis, antropologie – en de ‘harde’ wetenschappen zoals biologie en geologie. De wetenschappers beheren de collecties.

Foto: (c) Matthias De Groof, Palimpsest, 2018

Territoriumtwisten

Tussen wetenschappers en museologen zijn de spanningen al zo oud als het KMMA zelf. Bruno Verbergt legt het duidelijk uit:

“Je zou het schematisch zo kunnen stellen dat de museologische tak vindt dat de geselecteerde voorwerpen het verhaal moeten volgen en dat de wetenschappelijke tak vraagt dat het verhaal wordt aangepast aan de voorwerpen die ze kiezen. Als je in een wetenschappelijk instituut een tentoonstelling organiseert, moet je proberen die spanningen weg te werken.”

Billy Kalonji is voorzitter van het laatste Comraf en lid van de groep van Zes. Hij gaat er verder op in:

“Aan de ene kant heb je mensen met een open mentaliteit die laten blijken dat ze belangstelling hebben voor wat we voorstellen. Aan de andere kant zie je een zeer gesloten wetenschappelijke wereld – specialisten in geologie, biologen… – tot wie we niet kunnen doordringen en die in een bubbel leven.”

Gratia Pungu, een ander lid van de groep, doet er nog een schepje bovenop: “We worden altijd wel aan de kant geschoven: ofwel zijn we niet Afrikaans genoeg, ofwel zijn we niet wetenschappelijk genoeg.”

In 2011 neemt de directie van het KMMA Terenja van Dijk in dienst, een Nederlandse die gespecialiseerd is in het opzetten van tentoonstellingen. Ze krijgt de opdracht coherentie te brengen in de chaotische opstelling van de permanente tentoonstelling.

‘Het gebouw is koloniaal en de overgrote meerderheid van de voorwerpen in de collectie komt uit het koloniale verleden. Dat kun je niet zomaar onder de mat vegen.’

Vier jaar later neemt ze haar ontslag, omdat ze genoeg heeft van de eindeloze interne discussies. “Er zijn heel wat wetenschappers die de dingen anders zien en die vechten voor hun territorium”, legt ze uit. “Er zijn er die denken dat het museum een platform is om hun wetenschappelijke kijk op Afrika te laten zien. Over het algemeen zijn ze van mening dat dat allemaal niets te maken heeft met een koloniale kijk op de dingen. Alleen is het gebouw koloniaal en komt de overgrote meerderheid van de voorwerpen in de collectie uit het koloniale verleden. Dat kun je niet zomaar onder de mat vegen.”

Die onderhuidse spanning komt tot uiting in de zaal over het koloniale verleden, waarvan de inhoud nog steeds niet definitief is vastgelegd. Iemand van de ‘museologische clan’ die historica van opleiding is, heeft in nauwe samenwerking met de directie de leiding over de ontwikkeling.

In het begin stond nochtans een wetenschapper aan het roer: Patricia Van Schuylenbergh. Ze heeft zich momenteel teruggetrokken in de dienst ‘geschiedenis en politiek’ waarvan ze de leiding heeft, nadat ze de handdoek in de ring had geworpen als wetenschappelijk commissaris van de zone.

De historica heeft een vrij scherpe visie op haar functie:

“Ik wil het mogelijk maken dat de bezoeker zich een eigen mening vormt. Het museum hoort niet partijdig te zijn. Als het een meer geëngageerde positie inneemt, is dat geen wetenschappelijke opinie meer.”

In het begin van de werken had Patricia Van Schuylenbergh naar eigen zeggen “een wetenschappelijk voorstel ingediend waar de museologen uithaalden wat hen interesseerde, maar dat was mijn eigen keuze niet meer.”

Er is dus een reëel conflict tussen de wetenschappers en een deel van de directie. Er heerst beroering bij het museumpersoneel. Een wetenschapper uit zijn ongerustheid:

“Veel van onze mensen hebben het gevoel dat er niet naar ons is geluisterd. Zo te zien gaat het de richting uit van een tentoonstelling waarin België met de vinger wordt gewezen en door het stof moet kruipen. Terwijl er gewerkt zou moeten worden aan het imago van Afrika op dit moment.”

Voor deze wetenschapper is de directie van de instelling te ver door de knieën gegaan voor “historici die ideologisch gekleurd zijn” en voor de diaspora: “Het verbaast me dat zoveel aandacht wordt geschonken aan mensen die geen actuele visie op Afrika hebben. Tenslotte is het museum in Tervuren niet het museum van de diaspora.”

Foto: (c) Matthias De Groof, Lobi Kuna, 2018

Een heel continent vertegenwoordigen

De zes experts van de diaspora die door het museum om advies worden gevraagd, hebben niet de indruk dat ze welkom zijn.

Wanneer de groep van Zes de concrete voorstellen voor de nieuwe tentoonstelling te horen krijgt, laten ze hun ontgoocheling blijken. Dat vindt het museumpersoneel dan weer moeilijk te slikken: het lijkt er volgens hen op dat de groep alles systematisch tegenwerkt.

En dan is er ook nog een verschil in aanpak tussen professionals die het doolhof van het KMMA goed kennen en externen voor wie de consultancy-opdracht maar een bijbaantje is.

En dan is er ook nog een verschil in aanpak tussen professionals die het doolhof van het KMMA goed kennen en externen voor wie de consultancy-opdracht maar een bijbaantje is. Wat van de groep van Zes wordt verwacht, is niet zo duidelijk. De groep denkt zelf dat ze werden gevraagd om de nieuwe tentoonstelling “mee op te zetten”, maar volgens Bruno Verbergt bestaat hun rol erin hun “deskundigheid over wat gevoelig ligt” te uiten.

De zaal met de koloniale geschiedenis en de verwarring die daarover heerst zijn een mooi voorbeeld van het onbegrip en de beperkingen van de consultancy. Wat de inhoud van die zaal wordt, is nog steeds niet bekend en zal door het museum worden bepaald.

In augustus 2017 zou de groep experts uit de diaspora inzage hebben gekregen in de kaderteksten voor de zaal. Twee leden van de groep moesten ze herlezen. Maar dat overleg is op dit moment doodgebloed. In de eerste plaats “omdat er geen historici in de groep zitten”, vertelt Bruno Verbergt, en ook “omdat er niemand Nederlands spreekt en de teksten in het Nederlands zijn opgesteld.” Tot zover de diaspora.

Nochtans kijkt iedereen met argusogen naar wat de inhoud van die zaal zal worden. “In de eerste versies die ons werden voorgelegd was Leopold II zo goed als afwezig,” vertelt Gratia Pungu. “En nu weten we nog steeds niet hoe hij zal worden voorgesteld.”

Het gaat nochtans om veel meer dan de koloniale geschiedenis. Het KMMA beschouwt zichzelf als een modern museum dat in de eerste plaats begaan is met de problemen van het hedendaagse Afrika. Dat is één van de belangrijkste geschilpunten.

Voor Matthias De Groof, onderzoeker aan het Helsinki Collegium for Advanced Studies, die aan een documentaire over de vernieuwing van het museum van Tervuren werkt,

“blijft het koloniale gezichtspunt aanwezig, ook al zijn er individuen die het anders willen. In het museum is men nog niet afgestapt van het idee dat Afrika via diverse wetenschappelijke disciplines moet worden voorgesteld, net zoals men dat in de 19e eeuw deed. Maar we kunnen niet, van hieruit, de legitimiteit hebben om een heel continent te vertegenwoordigen.”

Controverses op alle verdiepingen

Door deze frontaal tegengestelde visies zijn er controverses ontstaan over alle negen geplande tentoonstellingszones. De manier waarop de mineralen worden tentoongesteld, hoe ze worden ontgonnen, de dieren, de nationale parken… alles leidde tot onbegrip.

Ayokof Mensah verwoordt het zo:

“In de zaal met natuurhistorische collecties werden de fauna, de flora en de landschappen meestal voorgesteld alsof er geen mensen aanwezig waren, alsof ze een ‘ideaalbeeld’ wilden ophangen van een Afrika dat niet geëvolueerd was.”

Er is hevig gebakkeleid over de scenografie van de miombo (beboste savanne) en het nationaal park Serengeti aan de hand van diaporama’s en levensgrote scènes uit het leven van de dieren. “Het lijkt wel of deze tentoonstelling zich richt op safarireizigers”, vertelde Gratia Pungu.

In deze context van wantrouwen hebben de ideeën van de commissarissen van de zone ‘journey of life’ op bepaalde groepsleden als een rode lap gewerkt. In deze zaal wil het museumteam de grote etappes in het leven van de bewoners van Centraal-Afrika laten zien – geboorte, huwelijk, dood – om op die manier een inzicht te geven in wie ze zijn.

‘Afrikanen zijn geen studieobjecten, maar mensen, en dus moeten ze niet in een vitrine worden uitgestald of tentoongesteld als rariteiten.’

“Waarom zouden we in de 21ste eeuw de mensen nog op zo’n antropologische manier te kijk zetten?” vraagt Anne Wetsi Mpoma zich af. “Afrikanen zijn geen studieobjecten, maar mensen, en dus moeten ze niet in een vitrine worden uitgestald of tentoongesteld als rariteiten.”

In deze zaal probeert het museum, net als in andere trouwens, het Afrika van vandaag voor te stellen met voorwerpen van gisteren. De paradox van het KMMA is eenvoudig samen te vatten als: hoe kun je je werk in de wereld van vandaag verankeren als je steunt op een collectie die in wezen uit de koloniale tijd afkomstig is?

Ondanks de verschillen in visie en de kritiek op de legitimiteit van de groep zullen bepaalde voorstellen van de groep van Zes of een aantal van zijn leden de toekomstige permanente tentoonstelling mee vorm geven.

Patricia Van Schuylenbergh vertelt: “We hadden een grotere vertegenwoordiging van de diaspora moeten hebben. We hadden vroeger advies moeten vragen en breder moeten gaan.” En Billy Kalonji: “Een van de tentoonstellingszalen zal aan de diaspora worden gewijd. Dat was een van de dingen die we gevraagd hebben. Een deel van de tentoonstelling zal gaan over de manier waarop de zwarten werden voorgesteld en gekleineerd. Dat is belangrijk, want het is vandaag nog steeds aan de orde.”

Voor verschillende leden van de groep van Zes (die het nochtans over verschillende kwesties onderling niet met elkaar eens zijn) heeft het museum “de kans gemist om de grenzen te verleggen. De kans is groot dat de directie geen knopen zal doorhakken en zich zal terugplooien op haar vertrouwde basis om zo weinig mogelijk mensen voor het hoofd te stoten” vertelt Gratia Pungu.

Maar ook al is het niet makkelijk om samen te werken, voor een aantal werknemers van het KMMA is het nodig. Isabelle Van Loo zegt het zo: ”Wanneer de deuren opengaan voor het publiek kunnen wij niet neutraal blijven, we moeten andere stemmen laten horen.”

Bruno Verbergt beaamt dat het KMMA “een kritische houding zal moeten aannemen, in de letterlijke betekenis van het woord: het onderscheid maken tussen wat echt is en wat vals. Het is de rol van het museum om te informeren en te onderwijzen, niet om te veroordelen.”

Hoe groot zal de kritiek zijn? De inzet is groot, dat weet ook Debora Silverman: “Het is van kapitaal belang dat we het schandelijke verleden (zoals het imperialistische geweld) onder ogen zien, om tot verzoening te kunnen komen en een nieuwe gedeelde geschiedenis te kunnen opbouwen.”

In het laatste trimester van 2018 gaan de deuren van het museum weer open. We zullen dan zien wat ervan gekomen is.

Oud-kolonialen eisen ‘uitstekende plaats’ voor buste Leopold II

Robert Devriese is administrateur-generaal van KBUOL (Koninklijke Belgische Unie voor de Overzeese Landen), de koepel die de verenigingen van oud-kolonialen groepeert. Op 31 juli 2017 uitte hij zijn ongerustheid in een brief aan het KMMA, omdat “de Belgen, en vooral diegenen die in Congo hebben gewoond, destijds toch een van de welvarendste landen van Afrika, geen inspraak hebben in de vernieuwing van het museum.”

Hij eist “een uitstekende plaats” voor de buste van Leopold II en een nieuwe tentoonstelling gebaseerd op “wetenschappelijke argumenten”. Voor André Schorochoff, de gedelegeerd bestuurder van KBUOL, komt het erop aan “onze vijanden in beeld te brengen om hun logica te kunnen begrijpen en te proberen ze te overtuigen.” Om de twee weken komen de oud-kolonialen samen in het museum, en ze onderhouden banden met bepaalde personeelsleden, zoals Patricia Van Schuylenbergh, lid van de raad van bestuur van Mémoires du Congo, één van de verenigingen in de koepel. Maar hun invloed is beperkt, en KBUOL werd niet officieel uitgenodigd om hun advies te geven over de nieuwe tentoonstelling.

Auteur: Cedric Vallet

Cedric Vallet is journalist bij Medor, platform voor onderzoeksjournalistiek (en de Franstalige tegenhanger van Apache).

Word lid

Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu nog aan 6,66 euro per maand.


Ja, ik word lid

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books