We zijn allemaal Antwerpenaars, ook als we in Brasschaat wonen

 Leestijd: 9 minuten3

De federale regering kwam tot stand bij de gratie van een ‘communautaire standstill’. Er mag aan de regeringstafel van Michel I vier jaar lang niet over ‘splitsen’, ‘regionaliseren’ of ‘transferts’ gesproken worden, laat staan over ‘herfederaliseren’. Ondertussen blijkt elke dag wat een kluwen de zevende staatshervorming is. De institutionele bouwwerf die België is wankelt, en dat laat zich elke dag voelen. We maken ruzie over ons wegennet, over ons klimaatbeleid, over het aantal erkende artsen, over CETA, geluidsnormen in Zaventem, de politiezones in Brussel en over de vraag of de koning mag meereizen op handelsmissies.

Komt er ooit een einde aan de ongebreidelde verkavelingsdrift van de Vlaming? (Foto: Flickr cc © Mikey)

Komt er ooit een einde aan de ongebreidelde verkavelingsdrift van de Vlaming? (Foto: Flickr cc © Mikey)

En die mislukking is voor een keer niet de schuld van ‘de Walen’, maar van diepe ideologische verschillen onder Vlamingen.

Weg met de provincies… maar niet helemaal

Waar gaat het om? Na de federalisering van België gingen bij zowat alle Vlaamse partijen stemmen op om de provincies af te schaffen. Dat tussenniveau, dat nog door Napoleon werd gecreëerd, zou zijn nut verloren hebben. Om de kloof tussen het Vlaamse niveau en de gemeenten toch niet te groot te maken, zouden kleinere gemeenten moeten fuseren en zouden er stadsregio’s of andere intergemeentelijke samenwerkingsverbanden moeten komen.

Het is pas onder Bourgeois I dat de Vlaamse regering echt werk ging maken van die staatshervorming. Maar N-VA en CD&V staan hier lijnrecht tegenover elkaar. Open Vld zit meer op de lijn van N-VA, maar speelde bij de regeringsvorming geen enkele rol en is nu louter toeschouwer van een weinig verheffend spektakel.

Het samenvoegen van gemeenten tot grotere gehelen verloopt ook niet van een leien dakje. In Limburg willen enkel Opglabbeek en Meeuwen-Gruitrode samensmelten.

In het regeerakkoord werd vastgelegd dat de provincies minder bevoegdheden krijgen en dat de gemeenten aangespoord worden om vrijwillig samen te gaan met buurgemeenten.
De provincies moeten hun zogenaamd ‘persoonsgebonden’ bevoegdheden afstaan aan Vlaanderen of aan de gemeenten. Dat wil – in theorie – zeggen dat ze zich niet meer met sport, welzijn en cultuur kunnen bezighouden. Tijdens de zomer van 2016 keurde de Vlaamse regering de lijst goed van instellingen en organisaties die zullen worden overgeheveld. Daaruit bleek alvast dat er heel wat uitzonderingen zijn op de algemene regel. Op het terrein heerst er enorm veel onzekerheid.

Het provinciale luik van de ‘interne Vlaamse staatshervorming’ is dus nog lang niet afgerond. De reden: sommige instellingen zijn te groot om ze (terug) in de gemeenten te integreren en andere zijn te klein om ze op Vlaams niveau te tillen. Ze blijven dan maar provinciaal. Ad hoc.

Vrijwillige fusies

Het samenvoegen van gemeenten tot grotere gehelen verloopt ook niet van een leien dakje. In Limburg hebben Opglabbeek en Meeuwen-Gruitrode te kennen gegeven dat ze willen samensmelten. In Oost-Vlaanderen hebben Kruishoutem en Zingem ook een vrijwillige fusie aangekondigd. Misschien zit er ook nog een fusie van Hamont-Achel en Neerpelt of Bocholt aan te komen. Meer succes heeft de oproep van de Vlaamse regering voorlopig dus niet.

De betrokken gemeenten hebben telkens twee redenen om tot een fusie over te gaan: ze kunnen het geld dat de Vlaamse regering vrijmaakt om de operatie te ‘smeren’, goed gebruiken. Vlaanderen scheldt de schulden kwijt van de gemeenten en geeft nog een eenmalige premie.  Belangrijker is dat ze zelf nog willen beslissen over hun eigen lot. Opglabbeek en Meeuwen-Gruitrode en Kruishoutem en Zingem zijn evenwaardige gemeenten. Hun grootste angst is om – door een volgende Vlaamse regering – gedwongen te worden om te fuseren met een grotere (centrum)stad in de buurt: Genk of Kortrijk.

De halfslachtige inkrimping van de provincies en de vrijwillige fusies die vooral de steden benadelen, zorgen voor een enorme scheeftrekking.

Als nog meer kleine gemeenten vrijwillig gaan samensmelten met andere kleine gemeenten, dreigt de Vlaamse staatshervorming de concurrentie tussen stad en platteland nog te vergroten. Door de schuldkwijtschelding kunnen de gefuseerde gemeenten de belastingen verlagen, waardoor het voor de steden nog moeilijker wordt om tweeverdieners of rijkere burgers aan te trekken.

De steden trekken nu al veel armoede en problemen aan. Zonder voldoende fiscaal draagvlak gaan ze kopje onder. Zij moeten het gros van de sociale woningen bouwen, de leefloners betalen, gemeenschapsvoorzieningen bouwen als theaters, bibliotheken, ziekenhuizen, rusthuizen en jeugdhuizen.

Het oorspronkelijke idee achter de afslanking van de provincies was ze te vervangen door stadsregio’s en plattelandsregio’s. Die zouden de bovengemeentelijke rol op zich nemen. De halfslachtige inkrimping van de provincies en de vrijwillige fusies die vooral de steden benadelen, zorgen echter voor een enorme scheeftrekking. Stadsregio’s komen niet van de grond en blijven in een experimentele fase steken.

Turnhout blies zijn oude stadsregionale samenwerking met Vosselaar, Beerse en Oud-Turnhout nieuw leven in. Maar die kan de in 1977 gemiste fusie voor de kleinste centrumstad niet compenseren en ze is louter een vrijwillige samenwerking op een beperkt aantal domeinen.

Gevaarlijk spel

De mislukte Vlaamse staatshervorming stond in de sterren geschreven. Vlaanderen wantrouwt van oudsher zijn steden en idealiseert het platteland op een haast potsierlijke manier. Steden zijn verzamelplaatsen van vreemdelingen, hangjongeren, bedelaars, wereldvreemde kunstenaars, prostituees, criminelen en toeristen.

Op het platteland wonen de ‘echte’ Vlamingen. In hun fermette, met hun fanfare, hun ongerepte natuur, hun dorpsschooltje en – vaak nog – meneer pastoor. Het zijn uiteraard van de pot gerukte clichés, maar wie zich professioneel een beetje verplaatst in Vlaanderen, weet dat de wederzijdse vooroordelen over platteland en stad nog niet verdwenen zijn. (Neem het aan van iemand die werkt in Antwerpen en Brussel maar in een centrumstad in de Kempen woont. Een ‘stad’ in ‘De Kempen’; een grotere contradictio in terminis bestaat er in Vlaanderen niet.)

De betonstop die de Vlaamse regering wil invoeren, komt eigenlijk al te laat. Moet iedereen dan in Antwerpen of Gent gaan wonen?

Onze ‘rurale droom’ heeft een dubbel effect gehad. Enerzijds wonen en leven Vlamingen beter en comfortabeler dan andere Europeanen. Het mag dan al nefast zijn voor de open ruimte, toch is het voor de ontwikkeling van kinderen en de harmonie in een gezin wellicht veel beter om op te groeien in de grote huizen-met-tuin die in Vlaanderen de norm zijn, dan in de ‘kruipkotjes’ waar onze noorderburen vaak in wonen.

Dat we met onze verkavelingsdrift dit mooie land finaal naar kloten hebben geholpen, is iets wat we niet langer mogen aanvaarden. De betonstop die de Vlaamse regering wil invoeren, komt eigenlijk al te laat. Die betonstop betekent niet dat iedereen voortaan in Antwerpen of Gent moet gaan wonen. Ook in de kleinere (centrum)steden is er nog veel plaats en een betonstop staat niet in de weg dat er ook in de dorpskernen aan wooninbreiding wordt gedaan. Wel moet het gedaan zijn met het verkavelen van open ruimte, ook al gaat het niet om natuurgebied maar om – bijvoorbeeld – landbouwgebied of militaire domeinen die de federale staat van de hand doet. (Gaan we Tielenheide écht verkavelen als de para’s daar moeten verdwijnen?)

‘Mijn bouwgrond’

Zo’n betonstop is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Een Vlaming is immers verknocht aan ‘zijn bouwgrond’. De vrees dat hij niet zal kunnen bouwen op het perceel waar zijn ouders vlijtig voor gespaard hebben, kan snel omslaan in volkswoede. Denk even terug aan de tijd toen wijlen Steve Stevaert ermee dreigde illegale weekendhuisjes af te breken (Stevaert heeft trouwens nooit een huisje afgebroken, dat was zijn opvolger Eddy Baldewijns, maar soit.)

Als de kleinere gemeenten raken aan het gemeentefonds en een juste retour van hun centen eisen, stevenen ze af op een verplichte fusiegolf. Een andere manier om de financiële ineenstorting van de steden te voorkomen, is niet denkbaar.

Er is een heuse ‘opstand’ van het kleinstedelijke platteland aan de gang in Vlaanderen. Heel wat gemeenten stappen naar het Grondwettelijk Hof om meer geld uit het gemeentefonds te krijgen. Ze pikken het niet dat grote steden meer geld krijgen uit dat fonds dan zij. Het is de wereld op zijn kop, natuurlijk. Omdat grote steden een centrumfunctie hebben inzake onderwijs, cultuur, zorg, … en daarenboven magneten zijn voor mensen met een laag inkomen, hebben ze het sowieso veel moeilijker om via hun eigen belastingen alle maatschappelijke noden te lenigen. Ze lenigen immers niet alleen de noden van de eigen bewoners, maar ook die van de randgemeenten.

'Op het platteland wonen de ‘echte’ Vlamingen. In hun fermette, met hun fanfare, hun ongerepte natuur, hun dorpsschooltje' (Foto-Flickr-cc-© Stephane-Mignon)

‘Op het platteland wonen de ‘echte’ Vlamingen (Foto: Flickr cc © Stephane Mignon)

Die randgemeenten zijn residentieel, trekken rijk volk aan. Omdat ze minder sociale uitgaven hebben (OCMW), minder uitgaven inzake onderwijs (hoeveel dorpen hebben secundair onderwijs), geen ziekenhuizen of jeugdhuizen, kunnen ze de belastingen laag houden. Soms heffen ze zelfs geen aanvullende personenbelasting, wat hen tot de inlandse versie van de Kaaimaneilanden maakt. Veel OCMW’s sturen hun ‘cliënten’ zelfs naar ‘de grote stad’, omdat ze daar ‘meer kansen’ zouden krijgen. De val klapt helemaal dicht wanneer de steden dan hun belastingen moeten verhogen en zo nog minder aantrekkelijk worden voor een kapitaalkrachtiger publiek.

‘Juste retour’

Het gemeentefonds (waar het oude stedenfonds in opging) compenseert die scheeftrekkingen. Akkoord, er zijn misschien parameters die moeten worden verfijnd, maar het solidariteitsmechanisme van het fonds is de basis van de Pax Flandria: de gewapende vrede tussen stad en platteland. In ruil voor ‘fiscale autonomie’ (het recht om lage belastingen te heffen, zeg maar) krijgen de gemeenten geld uit de Vlaamse kas om de scheeftrekkingen weg te werken. En de inwoners van rijke gemeenten betalen – normaliter – meer Vlaamse belastingen. Vestzak-broekzak, dus. Maar de illusie van een ‘fiscaal vriendelijke’ randgemeente blijft erdoor intact.

Als de kleinere gemeenten raken aan het gemeentefonds en een juste retour van hun centen eisen, stevenen ze linea recta af op een verplichte fusiegolf. Een andere manier om de financiële ineenstorting van de steden te voorkomen is niet denkbaar.

Het is volkomen terecht dat steden meer geld krijgen uit het gemeentefonds dan het platteland. Door de versnippering van de bewoning in Vlaanderen is de kost om de basisinfrastructuur in alle uithoeken te voorzien, enorm. Is het rechtvaardig dat een stedeling evenveel betaalt voor zijn riolering en afvalophaling dan iemand die in een villa in de weide rond Poppel woont? Een vuilniszak ophalen in een stad kost aan de intercommunale minder dan een vuilniszak ophalen in een dorp waar de bewoning verspreid is over een grotere oppervlakte. En riolering doortrekken naar een geïsoleerde wijk midden in het groen is peperduur, als je de kost berekent per aansluiting. Hetzelfde geldt voor het elektriciteitsnet en de kabeldistributie. Een tv-abonnement van een Antwerpenaar is even duur als dat van iemand in Baarle-Hertog.

Deel Vlaanderen in stadsregio’s in. Schaf alle intercommunales met bijhorende raden van bestuur en zitpenningen af, en groepeer hun bevoegdheden in stadsregionale structuren.

Is het rechtvaardig dat de steden bijna volledig opdraaien voor de huisvesting, begeleiding en ondersteuning van kansarmen? Is het rechtvaardig dat de steden volledig opdraaien voor de pensioenen van de verple(e)g(st)ers die in hun OCMW-ziekenhuizen werk(t)en? Werden in die ziekenhuizen dan geen patiënten verzorgd uit de randgemeenten die nooit een euro aan belastinggeld bijdroegen aan de bouw of de exploitatie van die ziekenhuizen? Het pensioenprobleem van de gemeenten is trouwens een gigantische molensteen die elk jaar zwaarder wordt. En omdat steden wegens hun centrumfunctie meer personeel hadden en hebben dan kleinere gemeenten, is hun molensteen ook zwaarder. Helemaal dolletjes is het dat de loononderhandelingen voor het personeel door de Vlaamse regering worden gevoerd. Het prijskaartje van eventuele loonsverhogingen wordt wel doorgeschoven naar de gemeenten.

Stadsregio’s

De Vlaamse staatshervorming dreigt te crashen op een muur waar in grote letters: ‘raak niet aan mijn bouwgrond’ , ‘ik wil geen belastingen betalen’ (en ‘minder vreemdelingen’) staat gekalkt. De Vlaamse regering heeft alle touwtjes in handen om de (fiscale) concurrentie tussen steden en platteland te temperen. Ze kan dat door verplichte fusies op te leggen tussen kleinere steden en hun randgemeenten of tussen landelijke gemeenten onderling. Een minimum van 40.000 inwoners per gemeente is daarbij de richtlijn.

Maar er is een alternatief dat misschien minder animositeit zou opwekken (fusies blijven zeer delicaat en het duurt minstens drie generaties voor ze verteerd zijn): deel Vlaanderen in in stadsregio’s. Schaf alle intercommunales (met bijhorende raden van bestuur en zitpenningen) af en groepeer hun bevoegdheden in stadsregionale structuren. Maar dan wel met een eigen ‘raad’ (parlement) en een eigen bestuur (executieve). Geef ze ook – zoals provincies – het recht om belastingen te innen. In Duitsland heten die regio’s ‘Kreisen’. Breng ook de politiezones onder in die regio’s, stem je ziekenhuisregio’s af op die afbakening, enzomeer.

De volgende Vlaamse regering kan zich geen halfslachtige keuzes permitteren. Ofwel kiest ze voor krachtige provincies die de gemeenten blijven helpen, ofwel geeft ze meer slagkracht aan de centrumsteden om stadsregio’s te vormen.

Kiezen voor regionale tussenstructuren maakt de provincies overbodig, houdt de oude gemeentelijke grenzen met al hun ‘romantische’ aspecten intact. Zelfs het aantal burgemeesters hoeft er niet door te verminderen, het aantal gemeenteraadsleden en schepenen wel. Door bevoegdheden die niet op lokaal niveau kunnen worden uitgeoefend te delegeren naar het stadsregionale niveau, kan de bestuurskracht vergroten en door het fiscale draagvlak te verruimen is er meer solidariteit tussen de rijke rand en de arme stad, zonder dat de rijke rand zijn ‘karakter’ verliest. Als dit niet haalbaar is, is een verplichte fusie het laatste redmiddel, ook al open je dan in alle uithoeken van Vlaanderen een doos van Pandora.

‘Splitsen’

De volgende Vlaamse regering kan zich geen halfslachtige keuzes meer permitteren. Ofwel kiest ze voor krachtige provincies die de gemeenten kunnen blijven helpen, ofwel geeft ze meer slagkracht aan de centrumsteden om stadsregio’s te vormen. Het huidige systeem dreigt op termijn de groei en bloei van de Vlaamse centrumsteden, die al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw bezig zijn, te fnuiken. Het geeft ook de kleinere gemeenten een vals gevoel van veiligheid. Zonder provincies is de bestuurskracht van een gemeente van 25.000 inwoners totaal onvoldoende om de verwachtingen in te lossen die burgers in hun bestuur stellen.

Die institutionele weeffouten (of noem het institutionele kortsluitingen) zullen de kloof tussen stedelingen en plattelandsbewoners (wat op zich al een idiote tweedeling is in Betonland Vlaanderen, maar soit) nog groter maken. Ze zullen gevoeligheden over fiscaliteit, ongelijkheid, diversiteit, milieu en ruimte alleen nog maar vergroten. De Belgische ‘communautaire’ spanningen hebben één deus ex machina: splitsen. Maar in Vlaanderen kun je stad en platteland niet splitsen. We zijn allemaal Antwerpenaars. Ook als we in Brasschaat wonen.

 

Het eerste e-book van Apache: Kleine Steden – Grote Dorpen, Michiel Petitjean

Apache publiceert vandaag het e-book Kleine Steden, Grote Dorpen. Hoeveel burgemeesters verdraagt Vlaanderen? Het is gebaseerd op het eindwerk van Michiel Petitjean (bachelor Journalistiek). In dit e-book onderzoekt Michiel Petitjean het gemeentelijk luik van de Vlaamse staatshervorming: de vrijwillige fusies. Het geeft een overzicht van de voornemens van de politici en van de resultaten op het terrein. En vooral van de kloof die daartussen gaapt. Een leerrijk onderzoek.

Het e-book is gratis voor leden van Apache. Niet-leden betalen 5 euro om het e-book te downloaden.

 

Auteur: Karl van den Broeck

Apache.be-hoofdredacteur Karl van den Broeck (°1966) is journalist sinds zijn 20ste. Eerst 18 jaar bij De Morgen, dan vijf jaar als hoofdredacteur bij Knack en sinds 2011 freelance. Cultuur (en dan vooral literatuur) politiek en geschiedenis zijn zijn passies. Tussendoor maakt hij tentoonstellingen en schreef hij een boek waarin hij probeert te verklaren waarom we nog altijd de indianen willen redden. Sinds 2014 is hij deeltijds Agora-coördinator bij BOZAR. In 2001 won hij de Vacature Persprijs. Op Twitter gekend als kvdbroec