Ingrid Vander Veken: “Aan mijn lijf geen polonaise”

 Leestijd: 14 minuten1

De voorbije weken zocht Ingrid Vander Veken voor Apache zes mediamakers op. Vaak was hun stem verstomd in het oorverdovend publiek debat, maar wat hadden ze nog veel te zeggen. Haar huisbezoeken resulteerden in een sterke reeks interviews: Pol Arias, Walter Zinzen, Tessa Vermeiren, Bert Verhoye, Rik Van Cauwelaert en Piet Piryns.

Ingrid noemde ze terecht de tenoren van de Vlaamse journalistiek en sprak met hen over leven, werk en de wereld. Het werd een onafwendbare terugblik naar een tijd die voorgoed lijkt afgesloten. De mediajaren zijn niet meer wat ze geweest zijn. In al hun wijsheid waren de geïnterviewden niet mals voor de maatschappij. In de quotes die boven de stukken staan, komen harde verwijten als egoïsme en redeloosheid bovendrijven.

Ingrid Vander Veken (Antwerpen, 1948) schreef vijf romans, twee kinderboeken, twee verhalenbundels en een dagboek. Haar laatste boek is Zwijgen (Polis). Verder schreef ze scripts voor theater, ballet, film en televisie. Als journaliste maakte ze interviews, columns en reportages voor kranten, tijdschriften, radio en televisie. Ze zette mee haar schouders onder de Vlaamse auteursvereniging en was bestuurslid van PEN Vlaanderen. www.ingridvanderveken.be

Nu is het de beurt aan Ingrid om te reflecteren. Dat kan tussen haar drukke werkzaamheden door. Het is immers Boekenbeurs, en haar nieuwste boek Zwijgen – over het geheimpact van haar ouders – doet het goed. Ingrid Vander Veken moet signeren en met haar lezers praten. Je hoort haar er niet over klagen, ze is nu eenmaal een schrijfster. Dat is ze altijd al geweest.

Voor de dag aanbreekt dat ik me ten huize Vander Veken mag melden, verken ik haar verbluffend professionele site tot voorbij de kleinste achterpoortjes. In perfect gedoseerde multimedia toepassingen overloop ik haar oeuvre, volg ik haar professionele parcours en kan ik me door de geïntegreerde video-interviews iets voorstellen bij haar luisterhouding als ik straks mijn vragen stel. Haar sereniteit en tegelijk gedecideerde vertelstijl maakt zo’n indruk op me dat ik verkruimel tot het meisje van de schoolkrant.

Dat meisje ben ik nog wanneer ik de volgende dag bij haar aanbel en voor het gesprek aan tafel schuif voor een state of the art geserveerde latte. Zullen we de klim naar haar werkkamer aanvatten? Het meisje smokkelt een koekje mee en volgt de volwassen schrijfster naar haar smetteloos wit zolderbureau. Er gaat een kaars aan, een ritueel dat ik herken, een aanknopingspunt ook al zeg ik er niets over.

Ik wil vooral dat ze zo snel mogelijk mijn vermoeden bevestigt dat ze met een eerste verhalenbundel op haar 39ste een laatbloeier is. Dat zou ook verklaren waarom ze zich niet in het rijtje van de voorbije coryfeeën laat vangen, waarom ze een jonge uitstraling heeft en nog niet met een bittere nasmaak worstelt. Maar zo ziet Ingrid dat niet. De dingen kwamen zoals ze zich aandienden. Het ene na het andere. Voor mij zit vooral iemand die uiteindelijk doet waar ze zich goed bij voelt. En dat is veelal ‘iets met schrijven’, nu vooral boeken maar daarvoor net zo goed artikels, theaterstukken of scenario’s. Er is geen terrein of het verdient exploratie en Ingrid is een grondig vorser.

Ingrid Vander Veken (Foto: © Sigrid Spinnox)

Ingrid Vander Veken, 2 november 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Op droog zaad

“Ik heb altijd geschreven, als kind al. Ik was er zo eentje die boekjes maakte met verhaaltjes die ik zelf illustreerde, gewoon voor mijn plezier. Ik schreef ook toneelstukjes die we met de vrienden opvoerden op feestjes. Ik wou eigenlijk graag ‘decor en kostuum’ studeren aan de academie, maar mijn vader stond erop dat ik een ernstig diploma haalde. Psychologie was ook niet goed. De enige richting die in zijn ogen genade vond was rechten. En daarna kon ik als ik dat wou academie volgen.

Ik was zeventien toen en rekende uit dat ik na de unief nog maar tweeëntwintig zou zijn. Ik zou dus makkelijk nog naar de academie kunnen. Maar toen ik vijf jaar later doctor in de rechten was en daarmee afkwam, verzette hij zich heftig. Hij had gedacht dat ik het gaandeweg zou vergeten. Hij zag mij vast al in de zaak stappen, want hij was accountant- bedrijfsrevisor en een doctor in de rechten daarbij kwam altijd van pas. Toen ik dat weigerde, zette hij me van de ene dag op de andere op droog zaad. Ik mocht wel nog thuis blijven wonen maar dat was het. Ik had niet de guts om zelf mijn studies te betalen.”

Ingrid kende de verhalen vol kommer en kwel van academiestudenten die hun koppige volharding moesten bekopen met zelfredzaamheid. Op eigen houtje zien rond te komen, stond voor afzien. Modestudenten moesten aardig wat investeren in hun materialen, wie daar het geld niet voor had moest zich behelpen met kilometers baalkatoen. Dat leek haar geen goed plan. Wat ze ook nog steeds graag deed was schrijven en zo stapte ze in de journalistiek, de geschreven pers. Dat kon toen nog als je een vlotte pen had.

Mannen in hun blootje

Aanvankelijk werkte ze freelance, ondermeer voor het blad Mimo waar toen Johan Anthierens hoofdredacteur van was. Ze zocht haar weg. Na een jaar had ze de keuze tussen twee vaste jobs. Eentje als manusje bij een krant, een andere in het reportageteam van Het Rijk der Vrouw. Ze koos voor dat laatste. Met de reportageploeg ging je op stap, je kwam nog eens ergens. Toch brak het Ingrid na een tijdje zuur op dat al die fantastische reportages binnen het succesvolle damesblad heel stiefmoederlijk behandeld werden. Alle aandacht ging naar het nakijken van grammages in recepten en het aantal steken in breipatronen. Dat er wel eens een foute kop boven haar stukken stond, dat stak niet zo nauw. Die achteloosheid dreef haar naar de redactie van De Nieuwe Gazet, destijds de krant met de meest fantastische, door Jeroen Brouwers geprezen cultuurpagina. Een thuiskomen voor Ingrid.

“Mijn belangstelling ging altijd al uit naar cultuur. Dat had ik van thuis meegekregen, wij waren theaterbezoekers. Ik ben dan ook theaterrecensies gaan schrijven. Maar daar bleef het niet bij. On the side maakte ik zelf ook theaterteksten: over Anaïs Nin voor Studio Herman Teirlinck, over Erik Satie voor De Zwarte Komedie, over vrije radio’s voor het Jeugdtheater… “

Wanneer ze met sprankelende blik vertelt, zie ik een jonge, opvallende vrouw rondlopen op zo’n oude, berookte redactie vol mannen met bretellen en sigaren. Waren buiten de damesbladen die Ingrid de rug toekeerde, de media toen geen onvervalst mannenbastion? Rolde je daar als vrouw dan zo makkelijk binnen? De nieuwste golf van feminisme dat zich laaft aan verontwaardiging indachtig vraag ik me af of zij gespaard bleef van het seksisme waarvan recent heel wat vrouwen getuigden. Ingrid denkt na, maar begint al heel snel nee te knikken.

“Natuurlijk waren er mannen die avances maakten waar je niet van gediend was, maar wanneer je ze kordaat op hun plaats zette, stopte dat ook. Dan stonden zij in hun blootje.”

“Dat was een heel dubbele situatie. Maar ik moet zeggen dat ik bij de krant, die toch geleid werd door oudere, conservatieve mannen, nooit of nooit last heb gehad van seksisme of discriminatie. Integendeel, ik ben al heel snel, samen met Peter Cotur en Luc Van der Kelen, tot redactiesecretaris opgeklommen. Natuurlijk werd mij dat niet door alle collega’s gegund, maar dat is normaal, zij zaten er veel langer en wilden zelf die job.

En de enige anekdote die dan wel van een soort tijdsgebonden, ingebakken seksisme getuigt, is best grappig. Toen ik trouwde, niet onbelangrijk in dit verhaal met een man met een zeer korte naam, stapte Fernand Papon op me af en zei me hoe opgelucht hij wel was. Fernand, een meneertje op jaren die de dienstlijsten opstelde, vond dat er genoeg verwarring was tussen Van der Kelen en Van der Veken en nu kon dat opgelost worden. Hij ging er dus automatisch vanuit dat ik de naam van mijn man zou gebruiken. En toen ik hem erop wees dat hij al veel eerder Luc er had kunnen opzetten onder de naam van zijn vrouw, keek hij mij onbegrijpend aan. Hij snapte de symmetrie niet.

Maar dat is een onschuldig voorval. Natuurlijk waren er mannen die avances maakten waar je niet van gediend was, maar wanneer je ze heel kordaat op hun plaats zette, stopte dat ook. Dan stonden zij in hun blootje. Maar misschien is dat iedereen niet gegeven om van zich af te bijten.”

Aan mijn lijf geen polonaise

Ingrid Vander Veken, 2 november 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Ingrid Vander Veken (Foto: © Sigrid Spinnox)

Gek genoeg ligt feminisme aan de basis van Ingrid haar coming out als literaire schrijfster. Toen in de bundel Mooie jonge goden de nieuwe pennen van Vlaanderen à la Brusselmans en Lanoye werden voorgesteld en bleek dat er geen enkele vrouw bijzat, reageerde uitgeversdochter Veerle Weverberg met een tegenboek: Vrouwentongen.

Zij vroeg Ingrid Vander Veken of ze ook wat wou schrijven voor de  verhalenbundel waarin ook Kristien Hemmerechts en Rita De Meester opdoken. De bijdrage van Ingrid sloeg aan en er volgde een eigen bundel onder de titel Tiramisu. Ze wordt geïnterviewd op televisie, de reacties zijn lovend. Ze schrijft verder en brengt Cru Bourgeois uit.

Alle kaarten liggen goed tot het noodlot ze door elkaar schudt. Voor het eerst gebeurt er iets waardoor de schrijfster van een ‘voor en na’ kan spreken. Een voorval dat langzaam kervend een diepe wonde maakt, waarvan ze langzaam moet herstellen.

“Als ik al iets had met carrièreplanning, dan is het op een gegeven moment totaal fout gegaan. Mijn schrijven viel gewoon stil omdat mijn stiefzoon ziek werd. Geestesziek. De diagnose: schizofrenie. Hij werd verschillende keren opgenomen, was een gevaar voor zichzelf en de maatschappij… Ik kwam gewoon niet meer aan schrijven toe. Er moest op hem gelet worden, je ging ermee onderdoor. Ook mentaal kon ik schrijven niet aan.

Op een dag heeft hij zelfmoord gepleegd. Het vergt veel om dat te verwerken. Ik begon weer te schrijven, maar langs achterpoortjes sloop die ingrijpende ervaring steeds terug binnen. Er was ook zo weinig over geweten, mensen kenden niets over zogenaamde geestesziekten. Pas veel later kwamen die schietpartijen in Amerika en werden jongeren met die problematiek actueel.

Maar nu nog, als ik in een krant foute sensatietitels zie staan, dan denk ik: lees daarover, informeer je vooraleer je daarover schrijft. Uiteindelijk heb ik er toen zelf een boek over geschreven: Papavers. Uiteraard heb ik het eerst aan de moeder en de vader van de jongen laten lezen. Als zij zich er niet in hadden kunnen vinden, had ik het niet gedaan. Daar ben ik heel rigoureus in. Ik ben er ook heel voorzichtig mee omgesprongen en zelfs van uitgever veranderd omdat ik vond dat er te ongevoelig op gereageerd werd.

De reactie was zo grof dat ik meteen dacht dat gaat hier niet door. Ik ben toen overgestapt naar de Standaard Uitgeverij waar toen Rudy Vanschoonbeek aan het hoofd stond. Het was zeker geen boek om iets van me af te schrijven. Ik heb het verhaal van mijn stiefzoon en van ons gebracht. Hij schreef zelf ook verdienstelijk maar zonder ooit iets af te maken, en ik zag het dan ook een beetje als zijn boek. Maar zoiets richt een ravage aan. Ofwel fnuikt het je, ofwel kom je er sterker uit. Het is een heel langzaam proces. Ik kreeg er meer mededogen door, meer begrip voor anderen, maar tegelijk ook iets van ‘aan mijn lijf geen polonaise’. De essentie komt bovendrijven. Dat was ook zo in mijn schrijven. Vanaf dan zat er een duidelijke rode draad in mijn werk: anders zijn. Het aanvaarden van het anders zijn van de ander en hoe je daarmee omgaat.”

Toeval

Dat nieuwe bewustzijn in combinatie met een levenshonger maakt van Ingrid zoals ze het zelf noemt een ‘en-en-mens’ en geen ‘of-of-mens’. Dat brede perspectief laat haar moeilijker van een label voorzien, maar dat noemt Ingrid een marketingprobleem. Na zich heel erg geassocieerd te hebben met Papavers en door talloze lezingen en interviews de problematiek bespreekbaar gemaakt te hebben, wil ze wat lichters. Ze schrijft twee kinderboeken. Niet zomaar wat lieve verzinsels, maar gebaseerd op research. Alle details moeten kloppen. En zo gaat ze voor alles te werk.

“Elk boek begint met een vraag en als die mij lang genoeg bezighoudt, dan wordt het wat. Ik heb een roman Dubbelspoor geschreven, over onbekenden die samen in een situatie belanden op een trein, en dat verhaal vertrok van de vraag naar de rol van toeval. Soms kan toeval veel doorslaggevender zijn dan alles wat je minutieus probeert te plannen.

Ook mijn roman Aankomen in Bali is ontstaan door toeval. Ik ontmoette hier in de buurt een ex-collega van me van bij krant. Ze vertelde me over haar zoon die altijd al wat met het Oosten had gehad, als een soort voorbestemdheid. Hij liep op blote voeten, had Oosterse vriendjes, ging Oosterse talen studeren. Ik wist altijd dat ik hem niet bij me kon houden, zo zei zijn moeder dat. Het intrigeerde me enorm, het bleef hangen. Ze vertelde me hoe hij na veel reizen voet aan wal zette op Bali en er instant thuiskwam. Hij trouwde er met een tempeldanseres en ging helemaal op in die cultuur. Hij werd maskerdanser in een kunstencentrum in het noorden van Bali. Ik nodigde haar prompt uit op de koffie. Ze toonde mij uitgebreid de foto’s van de sprookjesachtige bruiloft. Dat beeld van die gewone, blanke jongen in die totaal andere wereld pakte mij. Ook daar heb ik veel research rond gedaan. Ik ben naar Bali gereisd en heb er bij de jongen en zijn familie verbleven, anderhalve maand heb ik me in zijn wereld ondergedompeld. Ook dat boek ging over anders zijn.”

“Soms kan toeval veel doorslaggevender zijn dan alles wat je minutieus probeert te plannen.”

Ik staar me plots blind op de vrijheid om zo op te gaan in een project dat je anderhalve maand naar Bali gaat, een verhaal achterna. Het voelt heel down to earth en draagt het risico in zich de betovering van haar relaas te verbreken, maar ik moest haar vragen hoe ze dat zomaar kon. Ik leerde dat je soms keuzes moet maken. Een antwoord dat ik als een rugzakje meekrijg en dat straks weer een lawine van zelfbevraging bij me zal losweken.

Ingrid werkte lange tijd voor de krant terwijl ze naast die voltijdse baan ook nog schreef. Vakanties, weekends en veel nachten lang. Dat vergt tomeloze energie. Dat schrijven werd echter zoveel belangrijker voor haar dat ze besloot het accent te verleggen in haar tijdsbesteding. Halftijds werken biedt zelden een oplossing omdat de workload hetzelfde blijft. Ingrid nam een jaar loopbaanonderbreking om zich volledig op haar schrijverschap te storten. Dat bleek de evidente keuze waardoor ze besloot vervroegd uit haar loopbaan te stappen. En kijk, ze is nog steeds aan het werk en hoe.

Ik spreek mezelf streng toe om niet te beginnen zeuren hoe hele generaties nu zulke comfortabele scenario’s aan hun neus zien voorbijgaan. Dat boeit niemand. Waar een wil is, is een weg, toch?

(Foto: © Sigrid Spinnox)

(Foto: © Sigrid Spinnox)

Geen gemijmer

Ingrid dus. In haar nieuwe professionele leven beoefent ze de nobele schrijfkunst met als sidekick wat journalistieke uitstapjes, waarvan de Apache-reeks getuigt. De journalist in haar zorgt ervoor dat de link met de actualiteit, het ware leven zeg maar, nooit echt wordt doorgeknipt. Zelfs in een boek als Nieuwe mannen, nieuwe vrouwen, dat echt wel fictie is, zit actualiteit.

Het begon met de vraag: ‘wie is die nieuwe man waarover alle bladen het hebben’? Die nieuwsgierigheid maakt dat iemand journalist wordt. Nu nog verorbert Ingrid gemiddeld twee kranten per dag. Dat soort honger die haar drijft houdt haar bij de les. Geen gemijmer, geen terugblik. Deze tijdloze vrouw hoort niet bij een of andere generatie.

“Ik heb niets met leeftijden. Trouwens dat besef van leeftijd wordt vooral van buitenaf opgedrongen. Dat was heel opvallend toen ik zestig werd. Sommigen deden alsof ik voor een ravijn stond. Dat deed me besluiten mijn bevindingen een jaar lang in een dagboek bij te houden. Op die manier kon ik te weten komen wat er zo raar is aan die leeftijd, dat is dan natuurlijk ook gebeurd. Ik begon met nogal lacherige anekdotes over vriendinnen die zich plastisch lieten bijsturen en de extremen daarvan, en over mijn moeder die zichtbaar verouderde.

“Geen flauwekul meer, geen bijkomstigheden. Geen mensen met verborgen agenda’s, daar heb ik zo’n hekel aan. Doe gewoon en wees open.”

Maar toen werd ik voor een tweede keer vrij heftig dooreen geschud. Het was uitgerekend een jaar waarin ik veelvuldig met verlies werd geconfronteerd. Dierbare vrienden, kennissen… Mijn stiefzusje dat aan kanker leed en Hugo (Claus) die in dezelfde week euthanasie kregen, Wim Van Gansbeke die overleed, Bert Andre, Eleonore, de vrouw van Jef (Geeraerts), en uiteraard ook minder publieke figuren. Het bleef maar komen. Ik dacht ‘aha dat is zestig worden’. Terwijl het natuurlijk bij elke leeftijd kan horen, maar je kwetsbaarheid is anders.

Je voelt je plots als generatie opschuiven. Je behoort tot de volgende die gaat verdwijnen. Het wekte bij mij nog grotere gretigheid op naar het leven, naar dingen die ik nog wil doen en zo. En tegelijk vergrootte mijn al bestaande zucht naar essentie nog meer. Geen flauwekul meer, geen bijkomstigheden. Geen mensen met verborgen agenda’s, daar heb ik zo’n hekel aan. Doe gewoon en wees open.

En die notities werden uiteindelijk het boek Zestig. Leeftijd is relatief, maar de tijdsgeest laat zich graag vastpinnen op de balans tussen mogelijkheden en moeilijkheden. De manier dat Ingrid over haar wel en wee vertelt, wekt wellicht onterecht de indruk dat ze op haar pad meer rozen dan doornen tegenkwam. Een unfaire conclusie, want het getuigt natuurlijk eerder van haar bereidheid om heel diep te gaan en de wil om dingen een plaats te geven.

Professioneel lijkt ze me toch iemand die, op haar vader na die even op de rem ging staan, de wind veelal in de zeilen had. Vast een afwijking, maar aan ‘zo iemand’ vraag je graag of ze denkt dat jonge vrouwen die vandaag haar parcours willen lopen, het nog zo makkelijk hebben. Voor het eerst schaart Ingrid zich achter de groep tenoren die ze interviewde en treedt bij dat ze allemaal wel beseffen dat de journalistiek vandaag een heel ander gegeven is geworden.

De wereld in

“De journalistiek is niet meer wat het geweest is. De onzekerheid is heel groot op elk vlak. Dat maakt dat men vaak ook minder grondig kan werken. Alles is veel vluchtiger geworden. Ik hoop dat het niet zo blijft en er zijn wel pogingen om het tij te doen keren, maar het is niet makkelijk. Het literaire schrijven is ook niet makkelijk, maar dat is het denk ik nooit geweest. Ik heb daar een beetje geluk mee gehad als ik zie hoeveel manuscripten bij uitgeverijen belanden, hoeveel mensen er willen schrijven. Terwijl er heel weinig wordt uitgegeven. Om daar dan uitgepikt te worden, is niet evident.

Maar wat ik wel fantastisch vind, is dat naar mijn gevoel jonge mensen veel ‘durvender’ zijn in hun schrijven. Ze lijken zichzelf veel vlugger te vinden en schrijven met een zelfzekerheid die ik op hun leeftijd niet had. Ik ben altijd een grote twijfelaar geweest, ook aan mezelf soms. En ik zie die jonge generatie toch ongelofelijke stappen zetten. Als je die generatie jonge dichters bekijkt, dat is toch geweldig wat ze met hun poëzie doen. Ze breken die niche open met hun slam poetry, met wat Maarten Inghels doet met de eenzame uitvaart. Dat is niet meer van ‘oh wij zijn de poëten op een kluitje’, nee die gaan de wereld in!”

Ik roem de naadloze aansluiting die Ingrid vindt bij de door haar om hun openheid geprezen generatie, vooral wat haar gebruik van nieuwe media betreft. Ingrid bespeelt die kanalen optimaal. Dit terzijde. Zelf countert ze dit compliment over haar nieuwerwetse openheid door meteen toe te voegen dat ze niet iemand is die alles te grabbel gooit. Op dat moment lijkt het woord ‘zwijgen’, meteen ook de titel van haar nieuwste, heel succesvolle boek, uit de hemel neer te dalen.

Ingrid Vander Veken, 2 november 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Ingrid Vander Veken, 2 november 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Zwijgen

“Na het overlijden van mijn ouders heb ik documenten van mijn vader teruggevonden waaruit bleek dat hij fout was in de oorlog. Van mijn moeder heb ik haar correspondentie met haar minnaar teruggevonden. Ik besefte plots dat haar affaire, die zich afspeelde na de oorlog maar langer duurde dan de periode waarin mijn vader de foute kant koos, mee het zwijgen van mijn vader had bepaald. Voor mij was de vraag: waarom is daar zo lang over gezwegen?

Natuurlijk had die generatie dat zwijgen nodig om verder te kunnen, maar de repressie na de oorlog zat er ook voor iets tussen. Die repressie, die vreselijk was, werd door zij die ze ondergingen vaak ook aangegrepen om hun keuzes te rechtvaardigen. Dat is een aspect dat nog steeds niet genoeg uitgespit en onderzocht is. In een analyse is het uiteraard nooit goed om ongelijk met ongelijk en schuld met schuld te bestrijden.

“Ik heb nooit aan mijn vader kunnen vragen hoe hij, wetende wat er gebeurde in de oorlog, terugkeek op zijn eigen medeplichtigheid”

Waarom ik Zwijgen wou schrijven, is omdat ik vaststelde dat niet alleen dat zwijgen van kracht bleef, maar niet zelden ook de overtuiging van de zwijgers. Ze werd nooit in vraag gesteld omdat er ook nooit openlijk over gesproken werd. Ik heb bijvoorbeeld nooit aan mijn vader de vraag kunnen stellen waarom hij bij de Arbeidsdienst is gegaan. En dat was nog maar een kleine vorm van collaboratie. En vooral: hoe keek hij, wetende wat er in die oorlog gebeurde, terug op zijn eigen medeplichtigheid? Waar zeg je stop, en waar ga je verder?

Dat is ook relevant in onze tijd, het onderzoeken van die grens. Daarom is het belangrijk dat mensen daar bewust gaan over nadenken. De generatie van toen had die voorbeelden niet. Geert Mak zei onlangs nog in een voordracht dat wij de laatste tussenschakel zijn die nog rechtstreeks met de getuigen van die oorlog hebben kunnen praten.”

Loslaten

Buiten zet de schemering in. Heeft ze geen angst dat de stem waarmee ze nu nog noodzakelijke verhalen de wereld instuurt op een bepaald moment gaat verstommen of gesmoord wordt? Ingrid begrijpt wat ik bedoel, ze kent het fenomeen maar ziet wel hoe ver ze geraakt. Ze houdt van de geruststelling die je krijgt bij het besef dat de cirkel van het leven zich stilaan sluit. Je werkt af. Een beetje zoals kinderen leren dat ze moeten loslaten.

“Dat gehoord worden, die stem hebben, dat heeft te maken met de buitenkant, met de maatschappij en succes. Er zijn veel andere dingen die met de binnenkant te maken hebben.”

“Dat gehoord worden, die stem hebben, dat heeft te maken met de buitenkant, met de maatschappij en succes. Er zijn veel andere dingen die met de binnenkant te maken hebben. Maar je moet leren loslaten, en dat is een moeilijke oefening. En vermits ik ben wie ik ben, wil ik ook daar bewust mee omgaan. Ik wil daarover nadenken en dan zie ik wel wat ik daarmee doe…”

Bij de toekomst aanbeland ronden we amicaal af. Ingrid heeft nog wat op haar drukke sociale agenda staan. Ik stap buiten en vind een parkeerboete achter mijn ruitenwisser. Welkom in mijn wereld. Er moeten dingen veranderen. Nu weet ik het wel zeker. Ik wil voorbij die zestig zijn, liefst even gracieus. Ik wil van mijn laatste greintjes ontsierende boosheid af en meer levenshonger krijgen. Ik wil boeken geschreven hebben waar ik met terechte trots over kan praten. Werk aan de winkel. Een paar uur later wil ik nog steeds haar wit bureau, maar vooral bewuster keuzes maken. En hoe zei ze dat ook alweer, bewust naar meer binnenkant en minder buitenkant streven. Bedankt Ingrid Van der Veken, ook voor de (alweer) professioneel ogende latte.

Vlaamse Overheid

Dit artikel kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid.

Auteur: Chris Van Camp

Chris Van Camp deed alles wat je schrijvend (voorlopig) ongestraft kan doen. Ze schreef columns voor Apache, De Morgen, Klara en Knack, theaterteksten en boeken.

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books