Pol Arias: “Alle mensen in hun blootje”

 Leestijd: 17 minuten5

Beschaafd, bedaard. Zijn stem op Radio 1 herkende je uit de duizend. Een mei ’68-iger in burgerpak, meer ludiek dan radicaal. Zijn idealen van toen zijn onaangetast gebleven, “hoe maak je een betere wereld, daar blijf ik tot op vandaag aan zitten denken.” Bij de openbare omroep zag hij het tegendeel gebeuren. Kortzichtigheid, gebrek aan visie, luidt zijn ongenadig oordeel. “Ooit was dit een huis waar kunst en cultuur primordiaal waren.”

Meer dan dertig jaar was hij aan dat huis ververbonden. Meer dan dertig jaar, ’s avonds in de schouwburg en de dag daarna achter de microfoon. Een betrouwbare gids bij de grote omslag die het theater kende, zowel in binnen- als in buitenland. Een jutter van pittige anekdotes, geschikt om te worden gebundeld in memoires. Deze, bij voorbeeld.

“Het is na een première in het Ankerruitheater in Antwerpen. Ik drink ik nog iets aan de bar en naast mij staat een jong gastje met een jeansvestje en een cola in zijn hand. En, vraagt hij, wa vinde gaai doarvan? Ik was niet bepaald opgetogen, dus hield ik me maar op de vlakte. Welleh, ik vond het decor niet slecht…”

Het Antwerps accent moet ik erbij denken, preciseert hij, daar is hij niet zo goed in. Maar qua decibels is zijn imitatie onvolprezen. “Da’s van maai! Het gastje in kwestie was Jan Fabre. Waar er goed theater te zien viel, wilde Jan weten. Waarop ik hem heb meegenomen naar het Theatertreffen in Duitsland.

Pol Arias, 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Pol Arias, 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Jan Fabre een beginnend kunstenaar. Pol Arias toen al een recensent met faam. Als er beroepshalve te kiezen viel, kwam journalistiek bij hem altijd wel boven drijven. Maar net zo goed wist hij lange tijd niet wat hij wilde worden.

“Nogal alleen,” zegt hij aarzelend, na een lange stilte, als ik hem vraag wat voor een jongetje hij was. “Mijn moeder is gestorven toen ik dertien was. Vriendjes kwamen niet voor mij, maar voor mijn drie zussen. Op school werd gezegd: als Arias je inviteert moet je gaan, want daar wonen toffe mokkes (lacht). Dus zat ik er weer voor spek en bonen bij.”

 

“Ik las heel veel. Mijn vader was bevriend met de directeur van de Bibliothèques de Gare. Die hadden boekenkiosken in stations, maar gaven zelf ook titels uit, waaronder alle Nobelprijswinnaars. Thuis, op de overloop van de zolder, stond ook een grote bruine kast vol stripverhalen. Uren heb ik daar doorgebracht.”

En: “Ik schreef ook graag. Altijd eerst in opstel – verhandeling, zoals dat heette (glimlacht). Mijn vader had een oude typemachine, daar draaide ik dan een paar bladzijden in met doorslagpapier ertussen. En tikte vervolgens vier of vijf pagina’s vol, over wat ik gelezen had en zo… Een krantje kon je het niet noemen… Gewoon, wat spulletjes…”  Elf, twaalf jaar was hij. Een recensentje in de dop.

Krantenfreak

Mensen die voor hem belangrijk waren. Dood of levend, ze blijven door het hele interview dwalen, hij brengt ze graag een eresaluut. Zoals zijn twee, een paar jaar oudere buurjongens uit Wemmel waar hij opgroeide, Bert Verminnen en Roger de Neef.

“Met hen ging ik uit. Bert was auteur en kende alle artiestenkroegjes. Roger was dichter en muzikant en speelde jazz in orkestjes. De laatste tram was om tien over twaalf en kostte zeven frank. Dat was evenveel als een pak friet en wij hadden vaak honger. Dan liepen we maar naar huis, zeven kilometer. En onderweg overal belleke trek doen.”

Dat ondeugende, die plotse lach. Nog iets dat in het gesprek telkens terugkeert. En ook: kranten. “Ik ben een echte krantenfreak. Ik las ze graag en veel, nog altijd. Ook kranten waren er altijd in huis, zowel Nederlands- als Franstalige. Mijn vaders tweede vrouw sprak uitsluitend Frans. Tweetaligheid was voor mij vanzelfsprekend.”

“Hoe bouw je een betere wereld, hoe maak je de mensen gelukkig? Daar blijf ik tot op vandaag aan zitten denken.”

Naar het theater ging hij toen al. “Naar de KVS natuurlijk. Maar via mijn vrienden net zo goed naar het alternatieve keldertheater Waltra. Of naar het Franstalige Rideau de Bruxelles, dat avant-garde auteurs programmeerde. Na mijn humaniora, wist ik via een vriend van mijn vader een baantje te bemachtigen op de vlieghaven van Frankfurt. Een paar maanden heb ik daar heel alleen op een huurkamertje gewoond, heerlijk. Telkens ik vrij was, trok ik de stad in. Zo heb ik het Duits theater ontdekt.”

Bij zijn terugkeer, nadat zijn legerdienst erop zat, schreef hij zich in aan het RITCS. Richting dramaturgie, “waarschijnlijk leek me dat het minst moeilijk. Wie daar toen allemaal les gaf! Jaap Kruithof, Etienne Vermeersch, Herwig Hensen, Alex van Royen, Tone Brulin, Carlos Tindemans, Marc Galle… Dat waren mensen die je inspireerden, en omdat het een kleine school was, had je er ook makkelijk persoonlijk contact mee. “

Pol Arias, 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Pol Arias, 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Hoop

Zijn jeugdvrienden hadden hem op het culturele pad gezet. Het RITCS en het klimaat van de jaren zestig zouden zijn politiek bewustzijn wekken. Hij werd voorzitter van de studentenvereniging. Ging luisteren naar Ernest Mandel die het mooie weer maakte aan de VUB. Bracht weekends door in het door de Provo’s op zijn kop gezette Amsterdam.

“Dat ludieke, daar hield ik van. Amada was mij te streng, ik leunde meer aan bij de trotskisten. Al ben ik zelfs daar nooit lid van geweest, van geen enkele partij, trouwens! Aan alles voelde je mei ’68 aankomen, het verzet tegen het autoritaire, tegen een beperkende moraal.”

“Het feit dat ik toen goed wist dat ik homo was, zal daar onbewust ook wel in meegespeeld hebben. Niet dat ik daar ooit problemen mee heb gehad, maar toch. Dat het kon, als homo voorzitter worden van een studentenvereniging. Het gaf me een plaats.”

“Ik vond dat een fan-tas-tische periode. Och, ik ben zo blij dat ik dat allemaal heb kunnen meemaken. En natuurlijk was er verwarring, maar er was ook hoop. Die je probeerde door te geven en zelf te creëren, en die blijf ik koesteren. De idealen van toen heb ik nog altijd niet verworpen.”

“Dat het kon, als homo voorzitter worden van een studentenvereniging. Het gaf me een plaats.”

“Communist had ik nooit kunnen worden, daarvoor hou ik te veel van mijn vrijheid. Maar ik vind wel dat je je moet afvragen: hoe bouw je een betere wereld, hoe maak je de mensen gelukkig? Daar blijf ik tot op vandaag aan zitten denken.”

Verderop zal hij op die jaren met een kwinkslag terugkijken. “Zal ik je eens een typische anekdote uit die tijd vertellen? Het was na de 1 mei-stoet, en ik trok naar het feest van de Trotskisten in de Ancienne Belgique. Daar botste ik op Ronny Poot, de zoon van beeldhouwer Rik Poot. Ik, verbaasd: Maar Ronny, hoe komt jij hier terecht? Waarop Ronny: Ha Pol, dat is heel eenvoudig, hé. Ik ben alle stoeten afgegaan, en bij de Trotskisten liepen de schoonste meisjes. (Lachend) Ja sorry, we moeten daar niet onnozel over doen. Zo eenvoudig lag het toen soms ook, hé?”

Niet dat het afbreuk doet aan zijn onderliggende ernst. “Nee, mijn engagement is niks verminderd. Wat weg is, is de naïviteit. Wij waren idealisten, we dachten dat het allemaal zo gemakkelijk zou gaan. De permanente revolutie, daar moet ik nu om lachen. Maar in de grond blijft het mooi, als dat zou kunnen.”

Bedevaart

Een commune wil hij het niet noemen, het huis dat hij in die jaren betrok met vrienden en kennissen. “Meer een gemeenschapshuis. We deelden de kosten en hadden elk een kamer, dat kwam gewoon goedkoper uit. Eric De Kuijper had dat huis op de kop getikt, het lag vlakbij het RITCS. Een huurcontract kregen we niet, omdat het zou worden afgebroken. Maar uiteindelijk hebben we daar wel zeven jaar kunnen wonen.”

“Eric werkte toen al. Hij was al heel vroeg geslaagd in het producersexamen van de BRT. Ik zat vaak bij hem, want hij had een heel goede bibliotheek. Kocht ook veel tijdschriften, was geabonneerd op Theater Heute.”

“Mensen kwamen bij hem op bezoek – ik noemde het wel eens op bedevaart (lacht). Robbe de Hert, Harry Kümel, Chantal Akkerman… Maar ook mensen uit het alternatieve filmcircuit van Londen of New York. Want al had Eric dan dramaturgie gevolgd, hij was toch in hoofdzaak met film bezig. Vooral met de Andere Film, met underground.

“Een erg boeiend klimaat”, vond hij het. Hij zou het sneller dan verwacht nader leren kennen. De examens bij het RITCS had hij met succes afgelegd. Als onderwerp voor zijn thesis had hij theater gekozen, bekeken vanuit sociologisch standpunt. Zo stroomde alles wat hem bezighield samen: theater, engagement, journalistiek. Hij had zelfs een mentor: de schrijver Leo Geerts, die hij als fervent lezer van het tijdschrift De Nieuwe bewonderde om zijn kritische stukken.

Pol Arias, 2016 (© Sigrid Spinnox)

Pol Arias, 2016 (© Sigrid Spinnox)

Julien Schoenaerts

Maar nog voor hij die thesis kon voltooien, belandde hij op een professioneel tweesporentraject van theater enerzijds en film anderzijds. “Het begon toen Alex van Royen me aan een baan hielp als assistent van Walter Tillemans, toen zonder meer de beste regisseur van Vlaanderen. Hij deed King Lear, met in de hoofdrollen Luc Philips en Julien Schoenaerts.”

“In die periode is het met Julien verkeerd beginnen te gaan. Hij kwam op repetities aanzetten met zijn bebaarde vriend-muzikant Cochius. Die stond dan, tot grote colère van Walter, in de coulissen van de Bourla dwarsfluit te spelen. Later is Julien nog met Cochius naar de stakende mijnwerkers in Limburg getrokken.”

“Julien Schoenaerts kwam op repetities aanzetten met zijn bebaarde vriend-muzikant Cochius. Die stond dan, tot grote colère van Walter Tillemans, in de coulissen van de Bourla dwarsfluit te spelen.

Dat was in 1970, toen hadden wrijvingen met de acteur al geleid tot zijn ontslag bij de KNS. Even later zou hij voor het eerst worden opgenomen wegens psychische stoornis. Geen schouwburg zou hem nog ooit vast in dienst nemen.

Mooiste periode

Nog een jaar bleef Pol Arias samen met Marianne Van Kerkhoven aan de slag bij de KNS als dramaturg. Daarna begon wat hij omschrijft als “misschien wel mijn allermooiste periode.” Een drie jaar lange opeenvolging van baantjes in de filmwereld.

“Film had mij altijd geïnteresseerd. Tijdens mijn studies bracht ik hele avonden door in het Filmmuseum.” Dan, met die nauwelijks verholen twinkeling: “In de winter was het daar lekker warm, en je hoefde tenminste niet naar Gent of Antwerpen, zoals voor een theatervoorstelling.”

Hij werd assistent van Harry Kümel, toen die Daughters of Darkness draaide. “Magisch vond ik het. Aan een film werk je met een beperkte ploeg. Je bouwt iets op, en ’s avonds zie je op de rushes het resultaat. Je verhuist aanhoudend van de ene plek naar de andere. Je leert boeiende mensen kennen.”

Vooral dat laatste was al meteen raak. Hoofdrolspeelster van Daughters of Darkness was de legendarische Franse actrice Delphine Seyrig. “Die kwam gewoon tussendoor wat met mij kletsen. Ze had haar zoon van zeventien meegebracht naar de filmset. Na afloop kreeg ik een telefoon van haar: hij wilde absoluut naar het muziekfestival op het Island Wight. Kon ik haar aan de nodige informatie helpen? Een grande dame, maar dat soort van contact had je daar dus mee.”

Andere regisseurs wisten hem op hun beurt te vinden. Pierre Drouot en Paul Collet voor Louisa, een woord van liefde, met Willeke Van Ammelrooy in de titelrol. De Franse regisseur Claude Chabrol toen die in Brussel kwam draaien – “daar moest je toen nog niet betalen om een straat af te zetten, dat was goedkoper dan in Frankrijk.” André Delvaux…

Tussendoor was hij voor de BRT beginnen te werken. “Annie Declercq had me gevraagd om reportages en interviews te maken voor haar wekelijkse programma Horen en Zien. Tegenwoordig kan je tussen twee film- of theaterproducties in stempelen. Toen niet, ik had een contract als zelfstandige. Dat was dus mooi meegenomen.”

Dat tussendoortje zou een heuse baan worden. Roland Van Opbroecke kreeg de opdracht op Radio 1 een cultuurredactie te vormen. Hij bood hem een vaste plaats aan voor het theaterluik.

“Echt honger had ik nooit geleden. Maar ik leefde wel heel sober, op dat kamertje in het gemeenschapshuis. Ik wilde ook wel eens een boek kunnen kopen, in plaats van altijd in de bibliotheek van Eric te snuffelen. Het leek me fijn, financieel toch ietsje geruster te zijn.”

Hij hakte de knoop door. Op voorwaarde evenwel dat een laatste filmopdracht hem niet zou ontsnappen. Dat werd Providence, met in de cast Dirk Bogarde en Ellen Burstyn. Opnames in het stadion van Berchem, met zo maar eventjes 800 figuranten. En last but not least de regisseur, Alain Resnais, “een geweldige man met een even geweldige vrouw, de dochter van André Malraux.” Een afscheid in schoonheid.

Ontvoogding

Hoe anders was het Huis van Vertrouwen, toen hij in 1973 belandde bij de VRT die toen nog BRT heette? Het antwoord komt prompt, en het is kort en krachtig: “Dag en nacht! Toen was cultuur en kunst nog primordiaal in dat huis, wat je vandaag niet meer kan zeggen. De BRT had nog een soort ontvoogdingsideaal – volksverheffing, ja. Dat heb ik nog meegemaakt.”

“Op een zaterdag hing ik rond in wat toen de beste boekhandel van Brussel was: Corman, recht tegenover het Paleis voor Schone Kunsten. Wie zie ik daar? Paul Vandenbussche, directeur-generaal van de BRT, die mij natuurlijk niet kende.”

“Je kan van die man veel zeggen. Het was heel rechts, een verschrikkelijke reactionair. Maar hij kocht daar wèl een stapel van tien boeken – filosofie, literatuur, vanalles. Ik zie het de latere directeurs niet zo meteen doen.”

“Dàt was toen de geest. De oude generatie van directeurs had een enorme voeling met cultuur. Later werd je directeur omdat je zogezegd leiderscapaciteiten had, wat dat ook moge betekenen. Of omdat je goed budgetten kon beheren.”

En nu lukt het niet eens meer om een fatsoenlijk boekenprogramma op antenne te krijgen, gooi ik ertussen. Hij spreidt zijn handen, gunt zichzelf een – jawel, haast theatrale – pauze. “Voilà! Dat is toch onthutsend!”

De komst van VTM was een kantelpunt, dat beseft hij ook wel. Maar men had ook zijn been stijf kunnen houden, zijn huik niet laten hangen naar de commerciële wind. Dat is niet gebeurd.

“Kortzichtigheid. Een beperkte visie, zowel bij de politici als bij wie door hen werd aangesteld. Maar ja, hoe waren die raden van bestuur samengesteld? Daar begint het toch al? Als je om politieke redenen wordt benoemd, ben je afhankelijk.”

“Hoe waren die raden van bestuur van VRT samengesteld? Daar begint het toch al? Als je om politieke redenen wordt benoemd, ben je afhankelijk.”

“Dat merkte je ook bij al die tussenbaasjes. Er werden plots ik weet niet hoeveel functies bij gecreëerd. Je kreeg me daar een structuur van allemaal adviseurs van dit en dat. Daar zaten mensen bij die op redacties fantastisch werk hadden geleverd. Die waren nu allemaal hun vrijheid kwijt, ze deden wat hen werd opgelegd. Hoe ze dat konden zonder schizofreen te worden, is mij een raadsel.”

Pol Arias, 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Pol Arias, 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Korter en minder

“Nee,” zegt hij, “ik heb daar geen last van gehad. Maar ik heb dan ook geen carrière gemaakt. Als je door Roland Van Opbroecke al eens op de vingers werd getikt, was dat uitsluitend voor taalfouten.”

“Voor de rest gaf hij je een enorme vrijheid, zowel in de keuze van wat je besprak als hoe je dat deed. Hoogstens liet hij zich eens ontvallen: was dat nu echt zo goed? En soms ging hij zelf kijken om de proef op de som te nemen, maar tussenkomen deed hij niet. Vijftien jaar heeft die vrijheid geduurd, tot Roland stierf. Toen was het voorbij.

“Alles veranderde. Om de haverklap kreeg je andere directeurs. Het moest allemaal hoe langer hoe korter. Zeker, radio is een vorm, en een vorm evolueert. Je moet je aanpassen aan hoe de wereld verandert, en daar hoort de aandacht van een luisteraar bij. Maar toch.”

“Je mocht recensies niet langer uitschrijven. Je moest ze al babbelend improviseren. Ik was niet de enige die het daar moeilijk mee had. Wim Van Gansbeke, mijn collega op Radio 2, voelde het net zo.”

Niet alleen aan de uitstroom, ook aan de instroom werd perk en paal gesteld. Vroeger volgde hij, als perfect tweetalige inwoner van de tweetalige stad Brussel, ook het Franstalig theater. “Van de ene dag op de andere mocht daar niet meer over worden gepraat.”

“Van de ene dag op de andere mocht er niet meer over het Franstalig theater worden gepraat.”

Reisbudgetten vielen weg. Terwijl het internationale theater voor hem een ijkpunt was, waar hij het Vlaamse aan afmat. “Voortaan kon je alleen nog naar het buitenland op uitnodiging van de theaters zelf. Daar had ik toch altijd een beetje een hoerig gevoel bij. Want uiteraard verwachtte men voor die service ook iets terug.”

Hoe meer hij opsomt, hoe meer hij op dreef raakt. “Nog zoiets! Het lijkt misschien een detail, maar het is veelbetekenend. In het begin lagen er op de cultuurredactie nog buitenlandse kranten. Later moest ik die gaan lezen op de politieke redactie, maar dat vond ik niet erg. Tot er op een dag ook daar geen Duitse krant meer te vinden was.”

“Bij toenmalig hoofdredacteur Jos Bouveroux sprak ik mijn verbazing daarover uit. Waarop Jos, die een groot gevoel voor humor had, zijn hand op mijn schouder legde en zei: “Maar Pol, ge waart den enige die ze las!” Dat was eind jaren ’90 en dat was gèèn grap!”

Subjectief

Dat hij toch altijd een buitenland-kijker gebleven is, stel ik vast. “O, maar ik niet alleen. Op het Theatertreffen in Berlijn zaten de Vlaamse regisseurs die het mooie weer maakten op de eerste rij. Jan Decorte op kop.”

“Ik ben ook altijd buitenlandse kranten blijven lezen. Toen ik omstreeks ’77 begon te recenseren, haalde ik daar mijn voorbeelden. Jacq Heyer in de Nieuwe Rotterdamse Courant, Colette Godard  in Le Monde, Benjamin Henrichs in Die Zeit.”

“In eigen land was Carlos Tindemans mijn grote mentor. Zoals hij in De Standaard schreef, dat vond ik fantastisch. De precisie, waarmee die man keek en vervolgens beschreef wat hij zag. Die brede blik, die openheid voor experimenten, los van enig moralisme.”

Dan, langs zijn neus weg: “Natuurlijk kon hij zich, als broer van premier Leo Tindemans, ook veel permitteren. Zijn opvolger Jef De Roeck heeft een jaar lang niet meer over theater mogen schrijven, nadat hij zich al te enthousiast had getoond over Het Liefdesconcilie van Oskar Panizza in regie van Franz Marijnen (lacht).” Een al bij al milde straf, vergeleken bij de gevangenisstraf en verbanning, die de auteur van dit schandaalstuk uit 1894 te beurt viel wegens godslastering…

“Je hebt een mening over hoe de wereld er moet uitzien. Waarom zou je dan geen mening mogen hebben over hoe het theater er moet uitzien?”

Maar wat is dat eigenlijk, een behoorlijke recensie? Van zijn VRT-collega Wim Van Gansbeke waren de woorden net zo scherp als diens stem en profiel. Bij Pol Arias klonk alles voorzichtiger, meer weloverwogen. Al kon ook hij net zo goed boos de zaal uit lopen als loven.

“Wim vond dat theater moest provoceren en een recensent dat ook moest. Ik vond dat niet. Maar natuurlijk ben je als recensent subjectief. Je kàn niet neutraal zijn, dat is onmogelijk.”

“Je hebt een mening over hoe de wereld er moet uitzien. Waarom zou je dan geen mening mogen hebben over hoe het theater er moet uitzien. Die twee vallen samen, theater is toch een afspiegeling van de wereld?”

“Die subjectiviteit begint al bij de keuze. Toen ik begon, had je vijftien gezelschappen, kamertheaters incluis. Die gaven om de drie weken een première, met wat goede wil kon je dat allemaal volgen. Door de explosie van gezelschappen, productiecentra, werkhuizen, lukte dat niet meer. Tussen vier premières op één avond ben je wel verplicht te kiezen. “

Siberië

Eén keer heeft hij zich, voor zover hij zich herinnert, ook in een recensie laten gaan. “Luc Perceval had als artistiek directeur van de KNS het licht op groen gezet voor een ronduit amateuristische productie. Toen heb ik op de radio de veroordeling herhaald, die ik Bob Van Reeth over architecten had horen uitspreken: Tien jaar Siberië! Luc heeft me dat zeer kwalijk genomen. En hij had gelijk.”

“Kunstenaars verdienen respect. Over waar zij maanden aan werken, moet je niet op een-twee-drie oordelen. Daarom schreef ik ook nooit de avond van een voorstelling meteen een kritiek. Helemaal in het begin had je alleen maar teksttheater, dat kende je of kon je minstens nalezen. Maar naarmate gezelschappen zelf aan de slag gingen en er meer cross-overs tussen disciplines kwamen, werd elke voorstelling een ontdekkingstocht. Je moest sleutelen en zoeken, je boekenkast induiken. Soms tot 4 uur ’s nachts.”

“Natuurlijk helpt het als je dan wat inside informatie hebt. Dan kun je beter het werkproces inschatten, en dat is prettig. Maar je wordt er automatisch ook door beïnvloed, daarom hield ik liever wat afstand. Bleef ik na een première niet graag plakken. Ook al raak je willens nillens bevriend met sommige theatermakers.“

“Dat was bij voorbeeld het geval met Franz Marijnen. Zijn regies vond ik echt baanbrekend, tot hij naar de KVS kwam. Daar was het om een of andere reden plots wat minder. Zo heb ik het ook gezegd, met een hevige aanvaring tot gevolg. Idem dito bij Jan Fabre, met wie ik vroeger zo goed kon opschieten. Tot aan die ene voorstelling in Brugge, die ik ècht niet goed vond. Toen was ik hem kwijt… Gelukkig is dat in beide gevallen achteraf wel weer bijgelegd.

Vlaamse Golf

Of hij, met of zonder dit gedoe, theater nooit moe werd? “Jazeker. Na pakweg een jaar of tien, heb ik afgehaakt. Ik besprak film en Nic Balthasar nam theater van mij over. Maar na een jaar wilde ik terug.”

Hij ziet de verbazing in mijn blik, vervolgt: “Bij film moest je er ook al die shit bijnemen, al die commerciële gedrochten. Die had je niet in het theater, de verrassing was er zoveel groter, het was zoveel interessanter.”

Een niet te onderschatten rol bij dit alles was weggelegd voor de Kaaitheaterfestivals. “Die brachten interessante buitenlandse gezelschappen, zetten binnenlandse namen op de kaart. Opvallend nieuw talent beleefde daar zijn doorbraak. Jan Fabre, Jan Decorte, Anne-Teresa De Keersmaeker…”

“Heel slim bekeken was wat daaraan gekoppeld werd. Hugo Degreef, directeur van het Kaaifestival, richtte met Johan Wambacq het tijdschrift Etcetera op. Zo kon wat er binnen het Vlaamse theater aan het veranderen was op een intellectuele manier worden begeleid. En die verandering heeft het Vlaams Theater Instituut daarbovenop mee ondersteund door al die jonge gezelschapjes, die beslist talent maar geen subsidies hadden, wegwijs te maken. Wat hoognodig was, als je weet hoe lang het heeft geduurd eer Blauwe Maandag Compagnie enige steun kreeg.”

Het is dan begin jaren ’80, en de beruchte Vlaamse Golf was een feit. “Tevoren zaten de Nederlanders hier,” herinnert Pol Arias zich, “nu was het plotseling omgekeerd.” En daar zou het niet bij blijven, vandaag staan de namen van toen op de wereldkaart.

Ivo Van Hove werkte met buitenlandse sterren als David Bowie, Juliette Binoche, Jude Law. De grootste musea ter wereld, van het Louvre tot de Hermitage in Sint-Petersburg, zetten hun deuren open voor Jan Fabre. Luk Perceval maakte carrière in het Duits theater, dat Pol Arias altijd al zo dierbaar was. En dan is er nog Jan Lauwers …

Miserie

Alleen tekende zich ondertussen een merkwaardig fenomeen af. Haaks op de opmars van het Vlaams theater, stond de aftocht van de verslaggeving. “Over de kwaliteit van recensies spreek ik me niet uit. Maar telkens weer zie ik overal nieuwe namen opduiken. Is het werkelijk zo moeilijk geworden iemand in dienst te houden? Hem of haar betere voorwaarden te geven?”

Binnen deze ogenschijnlijke contradictie, valt hem een ontstellende parallel op. “Acteurs lijken hier wel de voorlopers van te zijn geweest, als je kijkt naar de flexibiliteit en mobiliteit waartoe ze verplicht werden. Vroeger hadden ze een vast contract, vandaag zijn alle grote gezelschappen opgeheven. Een acteurscarrière bestaat nu uit het aaneenrijgen van losse opdrachten. Dat maakt het, voor wie geen partner heeft met een vast inkomen, bijzonder moeilijk. Daarbij komt dat televisie hoe langer hoe vaker beroep doet op amateurs.”

“Welnu, hetzelfde geldt voor verslaggevers. Ik heb al die jaren mijn job ernstig proberen te doen. Dat kon alleen maar, omdat ik zoveel kon volgen en vergelijken, omdat ik referentiepunten had. Maar op zeker ogenblik gold ik zowat als de enige voltijdse recensent in Vlaanderen. Terwijl zelfs ik dat strikt genomen al niet meer was, omdat ik er ook andere taken had bijgekregen.”

“Vandaag zijn verslaggevers, net als acteurs, freelancers geworden. Ook bij hen is het miserie troef voor wie zijn werk niet kan combineren met een jobke in het onderwijs.”

“Vandaag zijn verslaggevers, net als acteurs, freelancers geworden. Ook bij hen is het miserie troef voor wie zijn werk niet kan combineren met een jobke in het onderwijs. Zoals het vak van acteur hoe langer hoe minder een beroep is, zo voorzie ik dat het ook dat van cultuurverslaggever zal vergaan.”

“Want intussen is daar nog eens het internet bijgekomen. Tegenwoordig is iedereen recensent online. (Weifelend) Misschien heeft dat ook goeie kanten, misschien kunnen mensen zich zo creatief uiten. Maar het ondermijnt wèl het professionalisme.”

“Verdwijnen de recensies zoals ik ze heb gekend? Zijn zulke recensies überhaupt nog nodig? Pas op, ik stèl mezelf die vraag. (Lange stilte) Moeilijk, hoor… Ik ben er niet uit. Ik stel alleen maar vast dat ik niet zo optimistisch ben als sommigen wel zouden willen…”

“Die discrepantie tussen de voortrekkersrol van het theater en wat men ervoor over heeft om die te volgen, vind ik…” Hij stopt even, ik zie hem naar het juiste woord zoeken. Het komt eraan, maar het zijn er twee, netjes afgelijnd: “Hallucinant. Wraakroepend.”

Uitverkocht

Dit wil ik tot slot nog van hem weten. Of hij ze nooit als verloren heeft beschouwd, die talloze avonden die hij heeft doorgebracht in het theater? Waarvoor hij naar eigen zeggen vrienden heeft verwaarloosd, een stuk van zijn sociaal leven heeft opgegeven.

“Nee,” zegt hij resoluut. “Ik heb veel shit gezien, maar je onthoudt vooral de mooie dingen. Die geven je eten en drank. Het hoeft niet eens altijd perfect te zijn, ook mislukkingen kunnen boeiend zijn. Ik heb dikwijls gesakkerd als ik weer eens in mijn autootje alleen terug naar huis reed. Maar ik heb het me nooit beklaagd.”

“Wat het theater me heeft geleerd? Wat een onwaarschijnlijk complex wezen de mens toch is. In het theater zie je mensen in alle mogelijke situaties en alle mogelijke relaties, je ziet ze naakt of chique gekleed. Maar ze staan daar allemaal in hun blootje.”

“In het theater zie je mensen in alle mogelijke situaties en alle mogelijke relaties, je ziet ze naakt of chique gekleed. Maar ze staan daar allemaal in hun blootje.”

“Dat is de kracht van het theater. Dat het je dwingt te kijken en te luisteren. Vooral dan het hedendaags theater, waar je zelf verbanden moet leggen. Dat is een heus avontuur, en wellicht hebben sommigen daardoor afgehaakt. Maar als ik op de website van theaters naar voorstellingen speur, zie ik even vaak het tegendeel. Uitverkocht, uitverkocht, uitverkocht!”

“En nee, kunst kan de wereld niet redden. Die zal alleen gered zijn als alle kapitalisten in hun graf liggen. En ik ga ze niet met de bijl te lijf gaan om ze daarin te krijgen (lacht). Maar daarom is kunst nog niet elitair.”

“Weet je wat het eerste was dat de Franse dichter, acteur en regisseur Antoine Vitez deed toen hij directeur werd van het Théâtre de Chaillot? Een enooooorme spandoek over de breedte van de hele gevel hangen, met daarop de tekst Elitaire pour Tous.”

“Daarmee zitten we weer bij die ontvoogding, ja.” Dat er misschien wel heel veel veranderd is, merk ik fijntjes op, maar hij blijkbaar niet. “Nee,” zegt hij minzaam maar voldaan, “wat dat betreft, ben ik nog altijd een kind van mei ’68.”

Vlaamse Overheid

Dit artikel kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid.

Auteur: Ingrid Vander Veken

Ingrid Vander Veken koppelde een loopbaan van journaliste aan die van auteur. Zij schreef net zo goed reportages en columns, als theater en romans. Haar jongste boek is “Zwijgen” (Polis).
www.ingridvanderveken.be

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books