Het verdriet van pater De Smet – pedofilie aan de Turnhout Rivier

 Leestijd: 11 minuten0

Als kind liet hij de plastic indiaantjes veldslagen winnen tegen de plastic soldaten van het Amerikaanse leger. Als tiener verzamelde hij handtekeningen voor de vrijlating van Leonard Peltier aan de schoolpoort en als prille journalist hoopte hij met zijn artikels de indianen te redden. Toen dat streven futiel bleek, begroef Karl van den Broeck zijn jeugddroom. Tot hij op een vergeten – vermetele – poging stuitte om vanuit België de indianen te redden. Hoofdfiguren bleken 19de eeuwse missionarissen uit Dendermonde en Turnhout te zijn. Het was het laatste duwtje dat hij nodig had om ‘Waarom ik de Indianen wil redden’ te schrijven.
In deze voorpublicatie doet Karl van den Broeck het verhaal van een vergeten Belgisch pedofilieschandaal aan de Turnhout Rivier.

Het standbeeld van pater Pieter-Jan De Smet voor de universiteit van Saint Louis. Het werd vorig jaar verwijderd na het bekendraken van een enorm pedofilieschandaal in de katholieke missies in de Rocky Mountains. "Het standbeeld vertelt niet de boodschap die wij willen vertellen", zei een woordvoerder van de universiteit. (Foto RV)

Het standbeeld van pater Pieter-Jan De Smet voor de universiteit van Saint Louis. Het werd vorig jaar verwijderd na het bekendraken van een enorm pedofilieschandaal in de katholieke missies in de Rocky Mountains. “Het standbeeld vertelt niet de boodschap die wij willen vertellen”, zei een woordvoerder. (Foto RV)

In 2013 moest ik tot mijn schaamte ondervinden dat ook ik niet immuun ben voor clichédenken. Het werd een van de pijnlijkste nederlagen in mijn ‘veldtocht’ ter redding van de Indianen.
De directe aanleiding voor dit boek was de ontdekking dat mijn eigen stad, Turnhout, bijna rechtstreeks in verband kan worden gebracht met mijn geliefde Indianen en zelfs met mijn idool Sitting Bull. De Turnhoutse zakenman Pieter-Jan De Nef had jarenlang de missies van de Dendermondse jezuïet Pieter-Jan De Smet gefinancierd en ook tientallen missionarissen opgeleid in zijn privéschool. Uit dankbaarheid voor “een der grootste weldoeners van de missies” noemde pater De Smet in 1846 een meer naar De Nef en een rivier naar Turnhout. De link tussen Turnhout en de man die in 1868 oog in oog stond met mijn jeugdidool Sitting Bull en met hem een crucifix ruilde voor een vredespijp, ligt aan de basis van mijn boek.

In 1846 noemde pater De Smet in de Rocky Mountains een rivier 'Turnhout' en een meer 'De Nef', naar zijn grote mecenas de Turnhoutse zakenman Pieter-Jan De Nef. (Jesuit Archives: Central United States)

In 1846 noemde pater De Smet in de Rocky Mountains een rivier ‘Turnhout’ en een meer ‘De Nef’, naar zijn grote mecenas de Turnhoutse zakenman Pieter-Jan De Nef. (Jesuit Archives: Central United States)

Dankzij het speurwerk van mijn immer gedienstige broer Stefan leerde ik dat de namen ‘Turnhout’ en ‘De Nef’ al lang niet meer worden gebruikt. Sterker nog: het zijn nooit officieel erkende toponiemen geweest; ze werden enkel door De Smet gebruikt. Het valt ook op te merken dat hij het gebied zowat ‘geclaimd’ had voor de katholieke kerk.

Uit de beschrijvingen in de brieven van De Smet kan worden afgeleid dat het moet gaan om Lake Eloika en de West Branch of the Little Spokane River, zo’n 45 kilometer ten noorden van Spokane.
De rest was eenvoudig. Ik stuurde een mail naar de Gonzaga Universiteit van Spokane (die door de collega-missionarissen van De Smet werd gesticht) en stelde me voor. Ik legde uit dat ik graag bij een bezoek aan Spokane een gedenkplaat zou schenken aan de local community met daarop wat historische wetenswaardigheden over de rivier en het meer. Mijn vrouw Astrid, op dat moment gemeenteraadslid in Turnhout, zou dan de stad vertegenwoordigen. Ook de Turnhoutse Geschied- en Oudheidkundige Kring Taxandria steunde het initiatief. Net echt dus!

Ik kreeg meteen een enthousiast antwoord en werd in contact gebracht met een lokale natuurvereniging die zich inzet om het meer en de rivier te beschermen tegen industriële vervuiling. Lake Eloika is een paradijs voor vissers en dat moet zo blijven.

Ik schreef de tekst voor de gedenkplaat en zocht een paar illustraties: een foto van De Smet en Sitting Bull, een fragment van de door De Smet getekende landkaart met de namen ‘Turnhout’ en ‘De Nef’ erop. En een dankwoordje. Mijn contactpersoon bij de Gonzaga University, M., was erg enthousiast en regelde dat de gedenkplaat op 10 september 2013 zou worden onthuld aan Lake Eloika.

‘Een paar bezorgdheden’

Uiteindelijk ging mijn reis niet door wegens gezondheidsproblemen. Ik stuurde dan ook een droeve mail naar M. waarin ik haar het slechte nieuws meldde. De ontgoocheling was groot, vooral omdat de lokale krant The Elk Sentinel al bericht had over de nakende ceremonie.
Maar één zin in haar mail deed mijn bloed stilstaan in mijn aderen: “Een paar leden van de Spokane-stam die de kans hadden om de gedenkplaat te bekijken, hebben een paar bezorgdheden geuit (‘have expressed some concerns’). Aangezien er nu meer tijd is voor de gedenkplaat kan worden onthuld, zou het misschien mogelijk zijn om rechtstreeks met jou samen te werken aan de uiteindelijke inhoud.”

Betrapt. Tu quoque, Karl. Hoe had ik het in hemelsnaam in mijn hoofd gehaald om die gedenkplaat te ontwerpen en een ceremonie te laten organiseren zonder contact op te nemen met de belangrijkste betrokkenen: de Spokane-Indianen? Ik, die me immuun waande voor blank paternalisme, was met open ogen in de val getrapt. Ik had over de Indianen gesproken zonder hen daarbij te kennen. Ik had vertrouwd op blanke tussenpersonen die ik niet kende en had zo bijna een neokoloniaal gebaar gesteld.

De ontmoeting van pater De Smet met de Hunkpapa Lakota van Sitting Bull aan de monding van de Powder River in de Yellowstone River in Montana in 1868. Tekening van Matthew Hastings. (Jesuit Archives: Central United States)

De ontmoeting van pater De Smet met de Hunkpapa Lakota van Sitting Bull aan de monding van de Powder River in de Yellowstone River in Montana in 1868. Tekening van Matthew Hastings. (Jesuit Archives: Central United States)

Was het de passage over Sitting Bull en De Smet, met de zin: ‘Pater De Smet was een goede vriend van Sitting Bull. In 1868 overtuigde hij de Lakota-chief om onderhandelingen te beginnen met de Amerikaanse regering’? Een zin die wel erg kort door de bocht was. Sitting Bull heeft nooit onderhandeld met de Amerikaanse regering, behalve over zijn overgave in 1881.

Hoe had ik me zo kunnen laten meeslepen? Ik was blij dat we niet naar Spokane waren afgereisd. Ik kreeg al snel nachtmerries van een ceremonie met alleen maar blanken en een protestactie van de Spokanes, die met spandoeken protesteren tegen de wandaden van de missionarissen. En dat ik daardoor mijn vrouw en mijn stad in verlegenheid had kunnen brengen, leek me al helemaal horror.

Het Rijk Gods

Ik besloot me eerst een beetje te verdiepen in de recente geschiedenis van de Spokane-regio en vooral de verhoudingen tussen de Indianen en de katholieke kerk onder de loep te nemen. Mijn ergste nachtmerrie bleek een zeemzoete stationsroman in vergelijking met de werkelijkheid.

Hoe kon het me ontgaan zijn dat in maart 2011 een van de grootste minnelijke schikkingen werd getroffen tussen de Amerikaanse katholieke kerk en honderden Indianen die misbruikt werden in scholen in het noord-westen, precies de regio waar Spokane middenin ligt? De jezuïeten betaalden maar liefst 166 miljoen dollar, zo’n 150 miljoen euro, aan vierhonderdvijftig volwassen Indianen die in hun jeugd misbruikt werden door meer dan tachtig priesters, nonnen en werknemers van de kerk. Die werkten op missies in Saint Mary, Saint Ignatius en in Spokane. Missieposten en scholen pal in het gebied waar De Smet zijn ‘Rijk Gods’ voor de Indianen, zijn Amerikaanse versie van de Paraguayaanse utopische ‘reducties’ wilde stichten.

Hoe kon het me ontgaan zijn dat in maart 2011 een van de grootste minnelijke schikkingen werd getroffen tussen de Amerikaanse katholieke kerk en honderden Indianen die misbruikt werden?

Het was aanvankelijk de bedoeling van de jezuïeten om de Indianen samen te brengen in een gebied dat nu Montana, Idaho en Washington is en hen daar twee generaties af te schermen van de slechte invloeden van de blanken (alcohol, goudkoorts, geweld, verkrachting, opzettelijke besmettingen met ziektes, willekeurige slachtpartijen…). In die periode zouden de missionarissen – meestal kloeke Kempenaars – de paters leren hoe ze aan landbouw moesten doen. De wilde dieren en vooral de bizons, die hun belangrijkste voedingsbron waren, waren immers gedecimeerd.

De Indianen werden ook aangemaand om katholiek te worden, maar die bekering was nooit gedwongen; toch niet tot de jaren 1880. Die methode had in de zeventiende en achttiende eeuw goed gewerkt in Paraguay waar de jezuïeten een twintigtal Indianenstaten hadden gesticht die door de Indianen zelf werden bestuurd, die een eigen leger hadden, en handel dreven met Europa. Toen die ‘reducciones’ te welvarend werden, werden de jezuïeten door de paus verboden en werden de Indianen tot slaven gemaakt.

Het was de droom om reducties à la Paraguay te stichten in de Verenigde Staten die pater De Smet tussen 1835 en 1865 actief propageerde in Europa en die onder meer ook iemand als Pieter-Jan De Nef zo kon begeesteren. Einddoel was een Indiaanse staat, lid van de Verenigde Staten.

Na de dood van De Smet werden de missieposten minder ‘utopisch’. Ook de katholieke missionarissen (zoals hun protestantse collega’s) opteerden voor een assimilatiepolitiek, vooral ook omdat de Amerikaanse presidenten geen oor hadden naar aparte Indianenstaten binnen de Unie.

De missieposten die De Smet en zijn collega’s tussen 1840 en 1865 stichtten in Montana, bestaan nog steeds. En het is dus daar dat de grofste vormen van seksueel misbruik op Indiaanse kinderen plaatsvond, tot diep in de twintigste eeuw. Een pijnlijke ontluistering van wat ooit een nobele droom was van enkele bevlogen missionarissen.

Moeder Loyola

De jezuïeten moesten eerder al schadevergoeding betalen aan tweehonderd slachtoffers in 2009 en wilden zich daarna bankroet laten verklaren, maar die poging maakte weinig indruk omdat de orde eigenaar is van de universiteit van Spokane, van Seattle University en van een normaalschool.

In The Missoulan, een lokale krant, deden verschillende slachtoffers hun verhaal. Zij maken zich vooral boos omdat niemand van de pedofiele geestelijken gestraft kan worden. De feiten dateren allemaal van voor 1965 en zijn volgens de Amerikaanse wetten verjaard.

In een artikel van 5 juni 2011 laat men drie vijftigers aan het woord. Francis Burke kijkt mijmerend naar de fresco’s die ‘een Italiaanse jezuïet’ geschilderd heeft in de kerk van Sint Ignatius. ‘Het gezicht van de draak zou dat van Moeder Loyola moeten zijn.’

De zesenzestig fresco’s (die vooral de kruisweg voorstellen) in de kerk van Saint Francis Xavier in Saint Ignatius zijn de trots van de jezuïeten in de Rocky Mountains. Ze werden in 1900 en 1901 geschilderd door de kokshulp van de missie, de ongeschoolde Italiaan Joseph Carignano.
Burkes vriend Garry Salois is kordaat: “Ik wil hier zijn wanneer een aardbeving deze plek vernietigt.”

Moeder Loyola ging bijzonder driest te werk. Ze begaf zich ’s nachts naar de slaapzalen, koos een slachtoffer uit, legde haar hand op zijn mond en nam hem mee naar haar kamer, waar hij haar lusten moest bevredigen

Samen met hun vriend Leland Hewankorn getuigen Francis en Garry over het misbruik dat ze in de jaren vijftig moesten ondergaan in de kostschool in Saint Ignatius. Centrale figuur daarin was Moeder Loyola, een Duitse ursuline die aan het hoofd stond van de jongensschool. De kinderen dachten dat deze enorme vrouw een nazikampbeul was. Nonnen die kinderen en jongeren misbruiken, is niet de algemene regel. Naar schatting gaat het om 2 procent van de gevallen. Moeder Loyola ging bijzonder driest te werk. Ze begaf zich ’s nachts naar de slaapzalen, koos een slachtoffer uit, legde haar hand op zijn mond en nam hem mee naar haar kamer, waar hij haar lusten moest bevredigen.

Ik vind op het internet nog een reeks artikels over het misbruik van de jezuïeten. En plots komt mijn thuisstad, Turnhout, wel erg dicht bij. In mei 2015 wordt het diocees van Helena in Montana verplicht een lijst te publiceren van tachtig priesters die zich, tussen 1930 en 1980, schuldig hebben gemaakt aan seksueel misbruik van kostschoolkinderen in de reservaten. De ‘name and shame’-procedure is een gevolg van de minnelijke schikking van 2011. De priesters, broeders en nonnen waren actief in meer dan zestig parochies en vijfendertig missies in West-Montana, dus pal in het ‘uitverkoren’ gebied van De Smet.

Louis Taelman, SJ.

Ik laat mijn blik over de lijst glijden. De namen van pater De Smet of van de twee Turnhoutse missionarissen die hij in 1857 meenam naar de Rocky Mountains, Leopold Van Gorp en Francis Xavier Kuppens, zal ik er niet in terugvinden. De onderzochte feiten dateren van veel later. Maar dan valt mijn oog op de naam Louis Taelman, SJ. Zijn naam doet een belletje rinkelen. Ik was hem al eerder tegengekomen in de lijst van presidenten van de universiteit van Gonzaga. Louis Taelman was tussen 1909 en 1913 de elfde president van Gonzaga University. Daarna ging hij vooral werken in Saint Ignatius.

Op het wereldwijde web stuit ik op een boek met de protserige titel When Jesuits Were Giants van Cornelius Michael Buckley, een… jezuïet. Daaruit leer ik dat Louis Taelman (1867-1961) in de jaren 1880 studeerde in… Turnhout, aan de apostolische school die destijds gesticht werd door Pieter-Jan De Nef en van waaruit tientallen missionarissen naar Amerika werden gezonden.
Pater Joseph Cataldo, die de missie in Saint Ignatius had geleid na de stichting ervan door De Smet, was goed bevriend met Leopold Van Gorp en had van een ex-leerling uit Turnhout vernomen dat Taelman zin had om naar de Rocky Mountains te komen. “Cataldo reisde naar Turnhout en het was tijdens dit gesprek dat de jonge Vlaamse novice het besluit nam om in de voetsporen van zijn landgenoot Pieter-Jan De Smet te treden.

Tijdens de ambtstermijn van Taelman vertrokken 22 jonge mannen uit Gonzaga om priesterstudies te beginnen. Het was de tijd van vooruitgang, optimisme en vervulde beloftes

Taelman wilde onmiddellijk met Cataldo naar de States afreizen, maar hij moest nog een jaar wachten om zijn studies af te maken. Uiteindelijk zeilde hij naar Woodstock in 1887. Taelman wordt fors opgehemeld in dit boek. Zo stichtte hij de rechtenfaculteit in Gonzaga en zorgde hij ervoor dat het toenmalige college het statuut kreeg van universiteit. En dan volgt één zin die in het licht van het voorgaande een beetje ongemakkelijk leest. “Tijdens zijn ambtstermijn vertrokken twee en twintig jonge mannen uit Gonzaga om priesterstudies te beginnen. Het was de tijd van vooruitgang, optimisme en vervulde beloftes.”

Ondertussen zijn zowat al mijn haren overeind gekomen en voel ik me opgelucht én compleet lullig omdat ik zonder voorbereiding heb willen samenwerken met de Gonzaga Universiteit om eer te betuigen aan een lid van een religieuze orde die in deze regio onnoemelijk leed heeft berokkend aan de Indianen. Diezelfde indianen die ik pretendeer te willen redden. Een blunder. Een enorme blunder.

‘De Indiaanse cultuur versterken’

En het houdt niet op. Ik vind op de website van de (door studenten gemaakte) schoolkrant van Gonzaga University nog een merkwaardig artikel. Dat dateert van 17 april 2014, een jaar voor het diocees van Helena de naam van Louis Taelman publiceerde in de lijst van kindermisbruikers.

Pater Louis Taelman S.J., oud-rector van de universiteit van Gonzaga, in 1936. Hij prijkt op de lijst van 19 priesters die zich schuldig maakten aan kindermisbruik in Montana. Hij studeerde in Turnhout en maakte van het college van Spokane (WA) een universiteit. (Collectie University of Washington)

Pater Louis Taelman S.J., oud-rector van de universiteit van Gonzaga, in 1936. Hij prijkt op de lijst van 19 priesters die zich schuldig maakten aan kindermisbruik in Montana. Hij studeerde in Turnhout en maakte van het college van Spokane (WA) een universiteit. (Collectie University of Washington)

Het artikel dat de titel ‘Gonzaga University reikt de hand naar de Indianen’ looft de jezuïeten en de universiteit voor hun inzet voor de lotsverbetering van de Indianen. Het was altijd hun bedoeling om in tijden van kolonisatie en massale immigratie de Indiaanse cultuur te versterken door opvoeding en onderwijs.” Zo staat er.

Een paragraaf is gewijd aan Louis Taelman, wiens naam op dat moment nog niet besmeurd was. Pater Louis Taelman was missionaris bij de Kalispel, een vergeten stam die geen land meer had. Hij reed elke dag zestig mijl om de mis op te dragen aan de Kalispel. Zijn werk en ambitie leidden ertoe dat president Woodrow Wilson de Kalispel uiteindelijk een reservaat en een thuis (sic) toekende.” In het artikel wordt met geen woord gerept over de minnelijke schikking van 2011.

Een laatste vondst staat op de website van Kosnoff Fasy, een bekend advocatenkantoor in Seattle dat zich specialiseert in het verdedigen van slachtoffers van seksueel misbruik. Zij publiceerden op 20 augustus 2012 een foto van eenentwintig missionarissen die poseren voor de gebouwen van Gonzaga University. Op die foto, die wellicht uit de jaren vijftig stamt, staan maar liefst acht geestelijken die drie jaar later op de ‘shame list’ van het diocees van Helena zullen prijken. Onder hen, helemaal vooraan, Louis Taelman.

Voor deze foto poseerden eind jaren vijftig 21 jezuïeten van de Gonzaga University in Spokane. Acht werden in 2011 - vaak postuum - ontmaskerd als pedofielen. Louis Taelman, staat vooraan in het midden. (Foto http://blog.kosnoff.com/band-of-sexual-predators/)

Voor deze foto poseerden eind jaren vijftig 21 jezuïeten van de Gonzaga University in Spokane. Acht werden in 2011 – meestal postuum – ontmaskerd als pedofielen. Louis Taelman, staat vooraan in het midden.
(Foto http://blog.kosnoff.com/band-of-sexual-predators/)

In augustus 2015 besluit ik om contact te zoeken met de Spokane-natie. Als de gedenkplaat er moet komen, dan moet ze door de lokale Indianen volledig gesteund kunnen worden. Maar is dat nog mogelijk? Zijn de woorden ‘De Smet’, ‘jezuïeten’, ‘weldoeners’, ‘De Nef’, ‘Turnhout’ en ‘missionarissen’ niet voorgoed besmet?

Met een klein hartje zoek ik naar een contactpersoon bij de Spokane. Ik stuur hem een mail, maar krijg geen antwoord. Dat verbaast me niet. Waarom zouden ze zich bezighouden met een naïeve pummel die vanuit België komt proberen om vergeving van zijn zonden te krijgen? Ik neem contact op met het advocatenbureau Kosnoff Fasy met de vraag of ze informatie kunnen sturen over de slachtoffers van Taelman. Ze beloven daar werk van te maken. Maar na vijf mails blijft het stil aan de andere kant van de oceaan. Ik heb mijn kans verkeken. Het vertrouwen is voorgoed beschaamd.

‘God weent om jullie’

In september 2015 reist paus Franciscus I naar de Verenigde Staten. Op de Facebookpagina van Gonzaga University verschijnt enkele weken voor zijn komst het jubelende bericht dat de eerste jezuïetenpaus een bezoek zal brengen aan de jezuïetenuniversiteit van Spokane. Dat bericht wordt kort daarna ingetrokken. Het was – zogenaamd – op een misverstand gebaseerd. De paus zal tijdens zijn reis wel praten over seksueel misbruik en hij verzekert de slachtoffers dat ‘God om hen weent’.

In september 2015 reisde paus Franciscus I naar de VS. Hij verzekerde de slachtoffers van pedofilie dat "God om u weent". (Foto NBC)

In september 2015 reisde paus Franciscus I naar de VS. Hij verzekerde de slachtoffers van pedofilie dat “God om hen weent”. (Foto NBC)

Op de website van een lokaal radiostation in Missoula lees ik dat studenten van de Loyola Sacred Heart High School, pal in het diocees van Helena, dat zo geschokt was door het decennialange seksuele misbruik door priester-leraars, een gebedswake hielden. Lerares Kathy Schneider zegt in het artikel dat al haar collega’s tijdens dit schooljaar ‘de boodschap van medelijden van de paus’ als een rode draad door hun leerplannen zullen weven. De paus verkondigt de boodschap: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.”

In januari 2015 moest de katholieke kerk, dit keer het aartsbisdom van Seattle, opnieuw zevenenzeventig namen publiceren van geestelijken die zich, in de tweede helft van de twintigste eeuw, hadden vergrepen aan Indiaanse jongetjes en meisjes. Slechts vijf van hen werden ooit vervolgd.

Geschat wordt dat de Amerikaanse katholieke kerk al 3 miljard aan schadevergoedingen heeft betaald aan slachtoffers van seksueel misbruik. Meestal om de vervolging van de verkrachters ‘af te kopen.’

In mei 2015 verwijdert de universiteit van Saint Louis het standbeeld van pater De Smet dat daar al meer dan honderd jaar in de universiteitstuin staat. De Smet is erop te zien terwijl hij een bijbel in de hoogte steekt en zijn hand op de schouder van een Indiaan legt. Een andere Indiaan knielt voor de missionaris. Volgens de universiteit wordt het standbeeld tegenwoordig als racistisch beschouwd. Een link naar pedofilie werd niet gelegd.

Het is een triest einde voor een man die een vermetele droom koesterde om de Indianen te redden en – gelukkig – niet meer moest meemaken hoe zijn ‘Koninkrijk Gods’ ontaarde in een regelrechte hel voor honderden (duizenden?) Indiaanse kinderen. Er is geen enkele aanwijzing dat De Smet zelf ooit één vinger uitstak naar een kind. Of naar een volwassene. Behalve om ze te dopen.

cover‘Waarom ik de Indianen wil redden – Op zoek naar het kruis van Sitting Bull’ is uitgegeven door uitgeverij Polis. 328 pagina’s, 19,99 euro.
Meer info over het boek vindt u hier.

 

DecroosHet boek kwam mede tot stand met steun van Fonds Pascal Decroos.

Auteur: Karl van den Broeck

Apache.be-hoofdredacteur Karl van den Broeck (°1966) is journalist sinds zijn 20ste. Eerst 18 jaar bij De Morgen, dan vijf jaar als hoofdredacteur bij Knack en sinds 2011 freelance. Cultuur (en dan vooral literatuur) politiek en geschiedenis zijn zijn passies. Tussendoor maakt hij tentoonstellingen en schreef hij een boek waarin hij probeert te verklaren waarom we nog altijd de indianen willen redden. Sinds 2014 is hij deeltijds Agora-coördinator bij BOZAR. In 2001 won hij de Vacature Persprijs. Op Twitter gekend als kvdbroec

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books