(Taal)strijd in de Wetstraat

8

Hart boven Hard organiseerde in heel Vlaanderen debatten die moeten leiden tot een breed draagvlak voor een progressieve tegenbeweging tegen de besparingsplannen van Bourgeois I en Michel I. Wat opviel was de onwennigheid. Links heeft een nieuw vocabularium nodig. De voorbije decennia heeft het de politieke taalstrijd verloren.

KarlHet moet gezegd: Hart boven Hard … gaat hard. Eerst was er de alternatieve Septemberverklaring die veel media-aandacht kreeg. Ze werd gevolgd door debatten in de grote steden. Maandag kwamen de tien resterende Vlaamse centrumsteden aan boord en ondanks de rudimentaire structuur en de (noodgedwongen) beperkte inspanningen om de debatten te promoten zaten de zalen overal goed vol.

Ik ging – omdat ik daar woon – een kijkje nemen in Turnhout. Het publiek bestond er voor ongeveer een derde uit mensen (sp.a, Groen, ACW, ‘zachte sector’) die ik meestal zie op dit soort manifestaties op de kruising tussen politiek en cultuur. (De drijvende kracht achter Hart boven Hard is rekto-verso-redactiecoördinator Wouter Hillaert en het waren vooral cultuurhuizen die de debatten onderdak gaven, KvdB). Een ander derde situeert zich in PVDA-hoek en nog een ander derde bestond uit gestaalde vakbondskaders.

Andere taal

Op zich is het een goede zaak dat de vakbonden en ‘het nieuwe middenveld’  – al is dat nog lang niet omgeploegd, laat staan dat er al kan geoogst worden – , elkaar ontmoeten. Toch valt vooral op dat ze een andere taal spreken. De vakbonden hanteren begrippen die dateren uit een andere tijd; die van voor Thatcher, Reagan en Verhofstadt en zeker van voor de Derde Weg. Ze nemen nog onbeschroomd woorden in de mond als ‘klassenmaatschappij’, ‘kapitaal’, ‘arbeid(ers)’, ‘werkmensen’, ‘sociale strijd’, ‘algemene staking’, ‘het patronaat’, ‘verworven rechten’, … Het zijn woorden die bij veel jongeren vooral tenen doen krullen, ook al blijven ze zelf vaak woordenloos wanneer ze hun eigen visie adequaat willen uiten. Vanuit het publiek kwam er vaak kritiek op de defensieve houding van de vakbonden en werd er opgeroepen om het conflictmodel te verlaten en vooral te werken aan duidelijk zichtbare positieve alternatieven.

Ik vond het allemaal maar niks. Als dit de veerkracht en strijdlust van links moest tonen, dan kunnen Michel en Bourgeois (en De Wever) op hun beide oren slapen. Vreemd toch: de linkerzijde heeft nog nooit zo het gelijk aanzijn kant gehad. De analyse dat 1 procent van de wereldbevolking even rijk is als de 99 procent anderen en dat de ongelijkheid moet worden weggewerkt door de ‘rijken’ meer te laten bijdragen, is niet langer een holle extreemlinkse slogan. Het is een algemeen aanvaarde, wetenschappelijk gelegitimeerde stelling ( cfr. Thomas Piketty, Paul De Grauwe, …).

Als dit de veerkracht en strijdlust van links moest tonen, dan kunnen Michel en Bourgeois (en De Wever) op hun beide oren slapen

Verrechtsen

Een mens zou verwachten dat de publieke opinie dan ook massaal de vakbonden en andere linkse ‘tegenbewegingen’ zou steunen die nu oproepen tot herverdeling, maar daar is nog niet veel van te merken. De stakingskalender die het gemeenschappelijk vakbondsfront (nog zo’n ‘oud’ begrip) bekendmaakte, zorgde nauwelijks voor een rimpeling in de media. Als er al reactie kwam, dan was die meestal negatief. De idee dat staken slecht is voor de economie en dat vakbonden alleen maar bezig zijn om de ‘privileges’ van hun leden te beschermen is stilaan zowat de communis opinio geworden, ook bij veel mensen die zich ‘links’ en ‘progressief’ noemen.

Wie staking hoort, denkt meteen aan pendelaars die staan te verrechtsen op het perron, aan supermarkten die gesloten zijn zodat je je flesjes cava elders moet inslaan, aan ‘overlast’. Dat we in het westen de welvaartstaat te danken hebben aan onze stakende (over)grootouders, lijkt iedereen vergeten te zijn.

Staking is een enorm wapen. Dat Delhaize na een paar dagen al akkoord ging om te praten over een betere regeling voor de arbeiders, bewijst dat. Geen enkel bedrijf kan een langdurige staking overleven. Maar precies omdat een staking zo’n enorm wapen is, moet het erg selectief, gericht en enkel in uiterste nood worden ingezet.

De vakbonden waren er dit keer wel erg snel bij. Waarom niet eerst gaan luisteren naar de regering en nagaan of de ‘uitgestoken hand’ toch geen gestrekte middenvinger van de ministers camoufleert. Gelijk hebben is één ding, maar gelijk krijgen en het ook zichtbaar maken voor de publieke opinie is véél vruchtbaarder.

opgejut

Aan de onderhandelingstafel hadden misschien een aantal absurde maatregelen kunnen worden weg onderhandeld. Hoe denkt de federale regering de gewesten en de gemeenten ertoe aan te zetten om de verplichte gemeenschapsdienst te organiseren? Zijn er in Charleroi wel genoeg straten om al die langdurig werklozen te laten bijspringen bij de stedelijke veegdienst?

Precies omdat een staking zo’n enorm wapen is, moet het erg selectief, gericht en enkel in uiterste nood worden ingezet.

En de gegarandeerde minimumdienst bij het spoor is een scenario voor een serie treinrampen. Door nu, zonder overleg te kiezen voor de staking, bevestigen de vakbonden het cliché dat over hen bestaat. Nu onderhandelen sluit later actievoeren niet uit en had de goedkope kritiek die nu leeft, ontmijnd. Maar blijkbaar hebben de drie bonden elkaar opgejut en wilde de ene niet onderdoen voor de andere. Een gebrekkige coördinatie met de ‘bondgenoten’ in het parlement (voor zover het ACW die nog heeft…) ware ook effectiever geweest.

Deze federale regering krijgt van Wetstraatwatchers een levensverwachting van twee jaar mee. De bonden hadden beter afgewacht om te zien of er wel voldoende chemie is tussen de partners van de Zweedse coalitie. Als CD&V in één peiling al 5 procent verliest nog voor de draagwijdte van de besparingen bekend was, dan kan men veronderstellen dat er binnen die partij erg veel mensen zenuwachtig rondlopen. Een vastberaden, consequent kritische houding van het ACV levert misschien meer op dan een staking.

Aftands

De vakbonden hebben op erg veel punten gelijk, maar ze mogen communiqués versturen, persconferenties geven, vrije tribunes schrijven zoveel ze willen, die halen meestal enkel ‘De Wereld Morgen’ of ‘De Vrije Markt’, het door niemand bekeken (maar erg leerrijke) alibi-programma op de VRT. Hoeveel kranten hebben er een reporter gestuurd naar het statutaire congres van het ABVV? Hoewel kranten hebben de debatten en uiteenzettingen daar gevolgd met vakbondsmensen uit de hele wereld? Debatten waarin de vakbond op zoek ging naar een nieuwe rol in de geglobaliseerde wereld en naar het behoud van de koopkracht?

Het is te gemakkelijk de vakbond af te doen als een aftandse organisatie die zijn toekomst in het verleden heeft, wanneer men niet de moeite doet om zich echt te verdiepen in de interne discussies die er woeden. Wellicht hebben kranten zo hun eigen reden om afstand te houden van vakbonden. De krantensector heeft al twintig jaar geen CAO meer en behandelt zijn journalisten als inwisselbare goedkope arbeidskrachten. Mediahuizen deinzen er niet voor terug om bij herstructureringen vakbondsafgevaardigden te ontslaan.

Het is te gemakkelijk de vakbond af te doen als een aftandse organisatie die zijn toekomst in het verleden heef

Artikels waarin het einde van de vakbond wordt voorspeld verschijnen elke dag. Dat de Belgische vakbonden hun ledenaantal zagen stijgen tot 3 miljoen (!) bewijst nochtans dat werknemers en werklozen nog altijd goed beseffen wie er uiteindelijk voor hen zal opkomen; al is het vertrouwen in de syndicale slagkracht sterk afgenomen. Ook hier geldt het TINA-principe. Er is geen alternatief voor de vakbond, ook al is die helemaal niet aangepast aan de nieuwe realiteit. Er zijn steeds minder loontrekkenden en steeds meer freelancers, in alle sectoren (van kinderopvang tot journalistiek). De vakbonden hebben tot vandaag geen adequate manier gevonden om hun belangen te verdedigen. Ze worden nu gelijkgesteld met ‘zelfstandigen’ (nog zo’n ‘gebrekkig’ woord. Welke freelancer is er ‘zelfstandig’?) die door de vakbonden traditioneel met argusogen worden bekeken.

Geduld

In plaats van nu overhaast ten strijde te trekken zouden de vakbonden beter eerst geduldig werken aan het verbreden van hun draagvlak. Dat kan mét de steun van de media, maar dat is niet noodzakelijk. Voorbeelden als StRaten-generaal of Ringland bewijzen dat.

Ook nieuwe burgerbewegingen als Hart boven Hard doen er goed aan om de krachten te sparen. Dertien debatten op een maand tijd kunnen niet verdoezelen dat er nog maar weinig vlees aan het skelet zit. De initiatiefnemers hopen nu dat er in de centrumsteden gelijkgestemden zullen zijn die elkaar vinden en zo – bottom up – de beweging zullen schragen. Dat is een goede methodiek, maar ook een gevaarlijke. Het warm water wordt elke dag uitgevonden. De kunst is om het warm te houden.

Wat zowel de vakbonden als de nieuwe progressieve burgerbewegingen kenmerkt, is de zoektocht naar een nieuw vocabularium. Sinds de jaren tachtig – en vooral tijdens de paarse periode – hebben de linkse partijen vooral geleerd om te praten zoals rechtse partijen. Zelfredzaamheid, competitiviteit, loonhandicap, individuele verantwoordelijkheid, flinksheid, plichten (en ook een beetje rechten) en zelfs ‘kutmarokkaantjes’ zijn woorden die je al langer in linkse partijprogramma’s en progressieve krantenkolommen tegenkomt.

Links moet zijn prioriteiten beter benoemen en daarover helder en wervend communiceren. Topprioriteit kan niet anders dan armoede zijn. De maatregelen die Michel I en Bourgeois I aankondigen, sparen meestal de allerarmsten (alhoewel daarover nog solide cijfers ontbreken) maar ze dreigen wel een grote groep mensen uit de lagere middenklasse onder de armoedegrens te duwen. De vakbonden zouden in het sociaal overleg (interprofessioneel, maar ook met sector en bedrijf) van de ‘armoedeval’ het speerpunt kunnen maken. Dat is in elk geval ethischer dan te blijven ijveren voor het behoud van het brugpensioen.

Andere strijdpunten zouden zich steeds moeten richten op meer herverdeling. Directe progressieve belastingen (nog zo’n taboe) blijven daarvoor het ideale middel. Dat ook de belastingdruk herverdeeld moet worden (naar vermogens toe), is een evidentie.

Wat zowel de vakbonden als de nieuwe progressieve burgerbewegingen kenmerkt, is de zoektocht naar een nieuw vocabularium

Deeleconomie

Een ander opmerkelijk fenomeen is de opmars van de nieuwe deeleconomie. Dat die problematische kanten heeft (denk aan Uber), valt niet te ontkennen maar als zelfs de KVLV nu al geefpleinen organiseert, dan wijst dat op een mentaliteitsverandering. Het dolgedraaide consumentisme stuit blijkbaar op zijn limieten en dat heeft maar gedeeltelijk met de tanende koopkracht te maken. De deeleconomie is vooral een morele keuze. Plukboerderijen, geefpleinen, repair shops, autodelen, alternatieve muntsystemen voor mantelzorg, coöperatieve vennootschappen en andere nieuwe ‘trends’ zijn niet langer het tijdverdrijf van dromerige geitenwollensokken of goedverdiendende progressieve culturo’s, maar bewuste keuzes van een nieuwe generatie. Een generatie die het bezitten van een auto niet langer als het summum van zelfverwezenlijking ziet.

Die keuze om de zaken zelf aan te pakken is ook ingegeven door een diepgeworteld wantrouwen in de instellingen. Mensen die niet langer geloven dat de overheid of het klassieke middenveld (vakbonden, mutualiteiten, jeugdzorg, gehandicaptenzorg,…) voor hen kunnen zorgen, zullen altijd proberen om zich zelf te organiseren. Eerst kleinschalig en sympathiek en daarna veralgemeend en met een reële (tegen)macht. Dat proces duurt langer dan een maand en daar is meer voor nodig dan een reeks debatten in culturele centra of een algemene staking van één dag.

Het laatste woord is voor Jos Geysels. Hij vat bovenstaand kernachtig samen in zijn kersverse pamflet De Schande en de keerzijde – over armoede en ongelijkheid.

De kracht van een idee omzetten in macht. Dat is de tweede opdracht. Het is immers geweten: geen beweging in de Wetstraat zonder beweging op straat. Die beweging maak je met maatschappelijke bondgenoten uit het brede middenveld, een gesensibiliseerde publieke opinie en goedgekozen prioriteiten.

Auteur: Karl van den Broeck

Apache.be-hoofdredacteur Karl van den Broeck (°1966) is journalist sinds zijn 20ste. Eerst 18 jaar bij De Morgen, dan vijf jaar als hoofdredacteur bij Knack en sinds 2011 freelance. Cultuur (en dan vooral literatuur) politiek en geschiedenis zijn zijn passies. Tussendoor maakt hij tentoonstellingen en schreef hij een boek waarin hij probeert te verklaren waarom we nog altijd de indianen willen redden. Sinds 2014 is hij deeltijds Agora-coördinator bij BOZAR. In 2001 won hij de Vacature Persprijs. Op Twitter gekend als kvdbroec

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid