Hoe ondernemend zijn de ‘subsidieslurpers’?

6

De Vlaamse kunstensector krijgt af te rekenen met een forse besparing. Theaters, musea, muziekensembles, kunstencentra en andere spelers zullen het met 2,5 tot 7,5 procent minder subsidies moeten doen. Buiten de cultuursector komt daar weinig kritiek op omdat algemeen het idee leeft dat de sector ‘overgesubsidieerd’ is. Toch leren de cijfers dat de ‘subsidieslurpende’ culturo’s meer geld uit de markt halen dan vaak wordt gedacht: 38 procent. Bovendien gaat bijna de helft van de inkomsten naar lonen en pensioenen.

KarlApache.be bestudeerde de jaarrekeningen van de 282 kunstinstellingen en – organisaties die betoelaagd worden via het Kunstendecreet. Dat is lang niet de hele cultuursector aangezien onder meer culturele centra, bibliotheken, musea en socioculturele verenigingen buiten beeld blijven in deze oefening. In het debat over zin en onzin van subsidies staat de kunstensector echter het meest in de vuurlinie. Die sector is het meest afhankelijk van subsidies omdat hij professioneel is én niet publieksvriendelijkheid, maar artistieke relevantie als eerste prioriteit heeft. Er kan dus worden verondersteld dat de percentages eigen inkomsten bij de andere culturele deelsectoren veel hoger liggen.

bijna 40 procent eigen inkomsten

De kunstensector kreeg in 2012 bijna 205 miljoen euro subsidie, waarvan 171,4 miljoen van de Vlaamse overheid kwam (136,9 miljoen structureel via het kunstendecreet en de rest via andere subsidiekanalen) De rest kwam van andere overheden zoals provincies (11,8 miljoen), steden en gemeenten (23,1 miljoen) of uit het buitenland (3,2 miljoen).

Toch haalde de sector dat jaar 331,3 miljoen euro inkomsten binnen. Dat betekent dat 126,7 miljoen euro, of  38,1 procent ‘uit de markt’ werd gehaald, vooral via de opbrengst van tickets en horeca. Het kunstendecreet voorziet dat wie subsidie krijgt minstens 12,5 procent eigen inkomsten moet hebben. De kunsten doen het op dat vlak drie keer beter. Slechts 27 van de 282 organisaties haalt die 12,5-procentnorm niet.

De duurste vogel (die ook de duurste kunstvorm brengt) is de Vlaamse Opera die 22,3 miljoen euro subsidie krijgt (waarvan 15,9 miljoen van de Vlaamse gemeenschap). Net als de andere Grote Instellingen (zoals deSingel, de AB, de Filharmonie,…) moet de opera volgende jaar ‘maar’ 2,5 procent inleveren. De Vlaamse regering wil zo de ‘eigen’ instellingen meer uitspelen.

Het kunstendecreet voorziet dat wie subsidie krijgt minstens 12,5 procent eigen inkomsten moet hebben

De opera scoort met 6,9 miljoen eigen inkomsten (23,8 procent) onder het gemiddelde van de sector maar voor een podiumkunstenorganisatie is dat meer dan behoorlijk. Het Toneelhuis komt aan 25,1 procent, het NTGent aan 29,3 procent, deSingel aan 29,7 procent en de KVS aan 22,1 procent.

Muziek brengt op, BEELDENDE KUNST NIET

Het zijn – voorspelbaar – vooral de organisaties, instellingen en verenigingen uit de muzieksector die het best scoren wat betreft de eigen inkomsten. Zo krijgt de Ancienne Belgique 2,9 miljoen euro subsidie, maar haalt de rocktempel wel 7,4 miljoen eigen inkomsten (71,8 procent). Jazz en Muziek (84,2 procent). Reggae Geel spant de kroon met 97,7 procent eigen inkomsten: een subsidie van 42.046 euro, genereert daar een inkomstenstroom van 1,78 miljoen euro. Muziekcentrum Dranouter komt op 79,8 procent eigen inkomsten.

Kunstencentrum Vooruit profiteert duidelijk van zijn café en haalt 56,7 procent eigen inkomsten. Collega’s als STUK in Leuven (38 procent), Kaaiteater (17 procent), CAMPO (37 procent) zijn meer afhankelijk van subsidies ook al scoren ze – met vaak een eigenzinnige en weerbarstige programmering – boven het gemiddelde.

Andere opvallende cijfers komen uit onverwachte hoek. H ART, het tijdschrift over beeldende kunst van Marc Ruyters haalt 86,5 procent eigen inkomsten: tegen 58.000 euro subsidie staat 372.000 euro aan eigen middelen. Beeldende kunst zelf is nochtans sterk afhankelijk van subsidies, ook al gaan er enorme bedragen om in die sector. Netwerk Aalst haalt maar 9,3 procent eigen middelen, het SMAK 14,5 procent, ARGOS 7,7 procent, FLACC 6,5 procent, de Voorkamer 3,4 procent.

De theatersector geeft een divers beeld. Initiatieven die zich richten op een breed publiek, scoren uiteraard goed. Theater aan Zee haalt 80 procent eigen inkomsten, Musical van Vlaanderen 48,6 procent en Theater aan de Stroom 49 procent. ’t Arsenaal klokt af op 33,6 procent. Gezelschappen als Antigone, Het Gevolg en De Tijd halen rond de 20 procent.

Opvallend is dat de grote internationale sterren zoals Needcompany (56,3 procent, ROSAS (68,1 procent), Les Ballets C de la B (65 procent) en Wim Vandekeybus (47,2 procent) veel minder afhankelijk zijn van subsidies dan de kleinere gezelschappen in Vlaanderen. Jan Fabre haalt 30,9 procent.

In het algemeen kan niet gezegd worden dat de Vlaamse kunstensector aan een subsidie-infuus hangt. Dat wil ook weer niet zeggen dat de sector kan overleven zonder overheidssteun.

De staat verdient (terug)

In het algemeen kan niet gezegd worden dat de Vlaamse kunstensector aan een subsidie-infuus hangt. Dat wil ook weer niet zeggen dat de sector kan overleven zonder overheidssteun. Toch zijn er heel wat terugverdieneffecten, zowel voor de overheid als voor de gemeenschap. Die zijn niet verrekend in deze jaarcijfers.

Neem nu de BTW. Hoeveel daarvan terugvloeit naar de schatkist is moeilijk te becijferen omdat BTW-plichtige organisaties ook BTW mogen aftrekken. Maar wellicht gaat het om enkele tientallen miljoenen. Daarbij moet ook het multiplicatoreffect worden gevoegd: het gros van de bezoekers van een theaterstuk, een festival of een tentoonstelling gaat ook iets drinken of iets eten. Bovendien geven kunstenorganisaties veel geld uit aan ‘sejours’: overnachtings- en voedselkosten voor hun acteurs en muzikanten. De horeca wordt er beter van.

Meerjarig KD 2012 Kosten en Opbrengsten

En dan zijn er de lonen. Van de 331 miljoen euro die omgaat in de kunstensector gaat maar liefst 142.1 miljoen euro naar lonen, sociale lasten en pensioenen. Van de resterende miljoenen wordt het gros ook uitgekeerd aan honoraria voor kunstenaars en vergoedingen voor freelancers. Subsidies voor kunsten worden vooral gespendeerd aan mensen, behalve in sectoren met veel logistieke aspecten (operadecors,…).

De regering-Bourgeois wil volgens haar regeerakkoord (p132) het “ondernemerschap in de non-profitsector” ondersteunen. Toch mag dit “uiteraard” niet leiden “tot een ‘economisering’ van de cultuursector en een verschraling van het aanbod.”

Hoe ver het “stimuleren van ondernemerschap” nog moet gaan zonder dat men vervalt in “economisering van de cultuursector” zegt men niet. Een derde eigen inkomsten is blijkbaar niet voldoende, ook al is dat 2,5 keer zo veel als het decretale minimum.

Wachten op federale overheid

Het blijft nu vooral wachten op het regeerakkoord van de federale regering. Zowat alle instrumenten om meer inkomsten uit ‘de markt’ te halen liggen daar. Zo zou de tax shelter die nu alleen geldt voor de filmsector kunnen worden uitgebreid naar de podiumkunsten. Giften zouden fiscaal aftrekbaar gemaakt kunnen worden, de BTW zou kunnen worden verlaagd, loonlasten zouden kunnen worden verlaagd (in het kunstenaarsstatuut) etc.

Al deze maatregelen zouden een gunstig effect kunnen hebben op de rentabiliteit van de kunstensector. De vraag blijft echter of de federale overheid fiscale en parafiscale ‘cadeaus’ zal doen aan de gemeenschappen op een moment dat ze zelf zoekt naar miljarden om de begroting in evenwicht te krijgen. Toch zou dat billijk zijn aangezien de loon- en pensioelasten die Vlaamse kunstenorganisaties betalen terecht komen op het federale niveau. Bovendien bewijst de filmsector dat de tax shelter een enorme boost kan geven waardoor er op het einde van de rit meer producties zijn en dus ook meer inkomsten voor de staat.

Als de nieuwe federale regering geen werk maakt van deze maatregelen om het ‘ondernemerschap’ te stimuleren, dan zal de Vlaamse besparing des te harder aankomen en terecht als erg onrechtvaardig worden beschouwd. Niet alleen leveren de kunsten met 7,5 procent veel meer in dan zowat alle andere maatschappelijke sectoren, het wordt de sector ook niet makkelijker gemaakt om de eigen boontjes te doppen.

Auteur: Karl van den Broeck

Apache.be-hoofdredacteur Karl van den Broeck (°1966) is journalist sinds zijn 20ste. Eerst 18 jaar bij De Morgen, dan vijf jaar als hoofdredacteur bij Knack en sinds 2011 freelance. Cultuur (en dan vooral literatuur) politiek en geschiedenis zijn zijn passies. Tussendoor maakt hij tentoonstellingen en schreef hij een boek waarin hij probeert te verklaren waarom we nog altijd de indianen willen redden. Sinds 2014 is hij deeltijds Agora-coördinator bij BOZAR. In 2001 won hij de Vacature Persprijs. Op Twitter gekend als kvdbroec

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid