Nood aan een modern recht van antwoord

24 november 2011 Charlotte Doolaege
Debie stuk
Debie stuk

Een recht van antwoord kan geëist worden door een individu of een rechtspersoon die vermeld wordt in een persartikel, tijdschrift of krant. Ook als er geen sprake is van schending van de eer of goede naam, geeft dat je het recht om een antwoordtekst te laten verschijnen in dat medium. In de printmedia volstaat louter de vermelding van een naam. In de audiovisuele media is er eerder sprake van een soort rectificatierecht: je kan ook daar een recht van antwoord eisen, maar het wordt eerder opgevat als een recht om onjuiste beweringen recht te zetten.

Weegschaal uit balans

De weegschaal van Vrouwe Justitia lijkt op het eerste gezicht ernstig uit balans te zijn wat het recht van antwoord betreft. Het is een mes dat aan twee kanten snijdt. Enerzijds is het bedoeld als een beschermingsmechanisme voor de mensen die vermeld worden in artikels. Op die manier vormt het een noodzakelijk tegengewicht voor de persvrijheid, een garantie dat de media niet almachtig worden. Dat is niet alleen voor het goed van de lezer of kijker, het is ook een manier om ervoor te zorgen dat de pers haar oorspronkelijke functie niet uit het oog verliest. Een pers die niet wordt blootgesteld aan de controle van het volk, kan ook haar waakhond niet zijn.

Ondanks die nobele doelstelling lijkt het er toch op dat het systeem niet gevrijwaard is van wat op het eerste gezicht misbruiken lijken. De media zelf zijn vaak niet tuk op deze vorm van controle. Karl Van den Broeck, voormalig hoofdredacteur van Knack, zegt daarover:

Het recht van antwoord zoals we het nu kennen is niet meer van deze tijd. Persoonlijk denk ik dat het niet zou mogen gelden als iemand vooraf de kans heeft gehad om te reageren op wat er in het artikel stond. In onze journalistieke deontologie staat een passage dat wij, voor we ernstige feiten over iemand aan het licht brengen, die persoon daar voor publicatie mee moeten confronteren. Op die manier krijgt die eigenlijk al een recht van antwoord in het artikel zelf. Dat lijkt mij ook het meest logisch. Aan de andere kant vind ik wel dat mensen het recht moeten hebben om zich te verdedigen tegen laster en eerroof, maar daar zijn andere juridische middelen voor. Je kan een klacht indienen wegens laster en eerroof, of naar de Raad voor de Journalistiek stappen opdat er morele sancties getroffen kunnen worden tegen de journalist. De eerste wetgeving stamt uit de negentiende eeuw, om de mensen te beschermen tegen de persvrijheid, die toen nog zeer nieuw was. Maar nu, in deze tijd, vind ik het persoonlijk een zeer steriele, omslachtige procedure.

Update

Men kan zich inderdaad de vraag stellen of de wetgeving na al die tijd niet aan een update toe is. De bepalingen voor het recht van antwoord in printmedia liggen al vast sinds 1961, die voor audiovisuele media sinds 1977. De eerste wetgeving omtrent het recht van antwoord in België is zelfs even oud als de staat zelf. Er zijn een aantal dringende werkpunten voor het recht van antwoord. Een eerste is een uitbreiding van het recht van antwoord naar internetjournalistiek. Tegenwoordig kan je er immers niets aan doen als je vermeld wordt in pakweg een periodiek verschijnende blog.

Volgens Dirk Voorhoof, hoogleraar mediarecht en auteursrecht aan de Universiteit Gent en de Universiteit van Kopenhagen, zijn de dringendste werkpunten voor de wetgeving de uitbreiding naar internetjournalistiek en het gebruik van het eenzijdig verzoekschrift, zoals in het geval van Bart Debie en Apache. Dirk Voorhoof:

Kort geding is een voorlopige maatregel die is bedoeld voor hoogdringende zaken. Nadat een zaak is verschenen voor een kortgedingrechter, komt ze nog terecht bij een rechter ten gronde, die definitieve maatregelen kan treffen. De wetgever heeft ingezien dat een betwisting van een recht van antwoord niet al te lang mag aanslepen, anders wordt het voor het publiek moeilijk om nog te weten waarover het precies gaat. De kortgedingprocedure wordt een probleem als de kortgedingrechter beslist dat een antwoordtekst toch gepubliceerd moet worden, omdat dat in feite een definitieve maatregel is. Op die manier steekt de kortgedingrechter de rechter ten gronde eigenlijk de loef af, en gaat het om een misbruik van de procedure. Rechters zouden er niet meer op moeten ingaan, tenzij in dat ene procentje waar er echt geen twijfel mogelijk is dat de vordering terecht is.

Internetjournalistiek

Wat betreft de uitbreiding naar internetjournalistiek heeft Europa reeds aanbevelingen gemaakt. Volgens Voorhoof liggen er al jaren wetsvoorstellen in de parlementaire schuif met betrekking tot een dergelijke update van de wetgeving. Voorhoof:

Er is al wat rechtspraak die de huidige wetgeving al wat aan het oprekken is, en die hier en daar de wet op het recht van antwoord al heeft toegepast op internetjournalistiek. Maar het kan ook gebeuren dat een online medium weigert het recht van antwoord te publiceren, en de rechter de wetgeving strikt interpreteert. In zo’n geval vis je als aanvrager achter het net. Het is een van de meest dringende aanpassingen die nodig zijn.

Dit artikel kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid .
LEES OOK