Ombudsman Tom Naegels: ''Ik kan doen wat ik dacht te kunnen doen"

7 oktober 2011 Tom Cochez
Op 15 juni werd Tom Naegels aangesteld als ombudsman van De Standaard (Foto Michel Gouverneur - Reporters)
Op 15 juni werd Tom Naegels aangesteld als ombudsman van De Standaard (Foto Michel Gouverneur - Reporters)
Op 15 juni werd Tom Naegels aangesteld als ombudsman van De Standaard (Foto Michel Gouverneur - Reporters)
Op 15 juni werd Tom Naegels aangesteld als ombudsman van De Standaard (Foto Michel Gouverneur - Reporters)

Goed drie maanden later moeten we vaststellen dat Tom Naegels zich stevig staande weet te houden op de slappe koord waarop een ombudsman haast per definitie danst. Met een groot gevoel voor diplomatie slaagt hij erin om wekelijkse de waarheid neer te schrijven zonder dat ze te zeer kwetst.

We hebben afgesproken in café Zeezicht op de Dageraadplaats. Een Antwerps plein dat sinds De Standaard afgelopen voorjaar een artikel schreef onder de kop ‘Linkse bobo’s op een driewieler’ in Vlaanderen vooral bekend staat als een bakfietsparadijs. Het zou de perfecte insteek geweest zijn voor ons gesprek -  Apache schreef op (*)nvdr een reactie op dat artikel (een bakfiets vol clichés)- maar voor een keer willen we het niet, of toch niet te vaak, over concrete artikels hebben. Wel over de rol van ombudsman en over de toekomst van mediakritiek in Vlaanderen. ‘Alle dagen hopen’, is het toepasselijke onderschrift op de caféglazen.

“Het zou wat te vroeg zijn om me na drie maanden al aan verregaande evaluaties te wagen”, steekt Tom Naegels van wal. “Wat ik wel kan zeggen is dat het beeld dat ik vooraf had over de manier waarop ik de job zou invullen overeind blijft. Ik kan doen wat ik dacht te kunnen doen en ik heb het gevoel dat mijn bijdragen ook geapprecieerd worden. Zowel door de redactie als door de lezers. Ik weet dat er wereldwijd nogal wat ombudsmannen zijn die een gevoel van eenzaamheid ervaren en zich tussen hamer en aambeeld geprangd weten, maar zelf heb ik dat gevoel niet. Ik voel me gesteund door zowel de redactie als door de lezers.”

Hoe zit het met die reacties van lezers? Word je zwaar op de korrel  genomen? Wordt er gescholden en gefoeterd of gaan mensen met hun vragen echt naar de kern?

“Dagelijks ontvang ik vijf à tien mails. Er zit wel eens wat gescheld bij, maar dat blijft gelukkig de uitzondering. Wat ik wel merk, is dat een deel van de lezers met een zeer wantrouwige, soms zelfs paranoïde houding naar de krant kijkt: ze zien die als een deel van het “establishment”, een instituut dat in hun ogen bewust aan censuur doet, ervoor kiest dat de mensen bepaalde zaken niet mogen weten... Vaak koppelen ze daar het feit aan dat hun reacties op het online forum niet altijd verschijnen. Dat zijn moeilijke vragen om te beantwoorden. Andere zijn zeer concreet en eenvoudig: een titel die te weinig nauwkeurig was, een feitelijke vergissing in een stuk... De interessantste mails vind ik diegene die, vertrekkende van één of enkele artikels, een vraag stellen over meer structurele of maatschappelijke aspecten: over de invalshoek van de krant, de “blik” waarmee naar een feit wordt gekeken, de politieke lijn van de krant, of waarom het online nieuws zo verschilt van het nieuws in de papieren krant... Dat zijn dikwijls erg moeilijke vragen: hoe meet je bijvoorbeeld of de krant mogelijk een sympathie of een antipathie heeft tegenover een bepaalde politicus?

Statistisch is tien mails per dag wellicht weinig, maar de kwaliteit is belangrijker dan de kwantiteit. Het volstaat dat één  lezer vragen stelt bij de manier waarop je als krant een bevraging organiseert om er een artikel over te schrijven.”

Wereldwijd zijn er nogal wat ombudsmannen die een gevoel van eenzaamheid ervaren. Zelf heb ik dat gevoel niet. Ik voel me gesteund door zowel de redactie als door de lezers

Voel je jezelf niet teveel een moderator? Iemand die het evenwicht zoekt tussen de kritische lezer en de belangen van de krant?

“Ik ben van nature iemand die tracht het evenwicht te zoeken, maar ik voel me niet verantwoordelijk om de kerk in het midden te houden en een slap compromis op te dienen. Geval per geval kan ik ervoor kiezen om ofwel de krant ofwel de lezer voor de volle honderd procent gelijk te geven. Soms land ik inderdaad ergens in het midden, maar dan is dat mijn eigen onafhankelijke afweging. Mensen trekken niet aan mij om dit of dat te schrijven en wie mijn stukken leest ziet ook dat ik niet altijd op grijs uitkom. Wat ik wel wil doen is duiden en uitleggen. Mijn uitgangspunt is fundamenteel anders dan dat van mensen die externe mediakritiek leveren. Ik kan niet schreeuwen dat het allemaal om zeep is en dat alles verkocht is aan de commercie. Ik wil dat ook niet schrijven omdat ik het er niet mee eens ben. Ik wil me niet verliezen in al te cultuurpessimistische beschouwingen. Dat levert helemaal niets op. Kijk, je kan vaststellen dat een kop boven een artikel verkeerd is. Dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel zeg je dat die kop verkeerd is en leg je uit hoe het in dat concrete geval zover is kunnen komen, ofwel lees je er het bewijs in dat de volledige media zomaar wat schrijven. Ik geloof zelf niet dat de teloorgang van de media apocalyptische proporties aanneemt. Ik geloof wel dat er fouten worden gemaakt. Dat mensen of redacties uitglijden. Ik zie ook wel dat zoiets soms met structurele zaken te maken heeft, maar ook dat wil ik uitleggen en binnen die structurele context – stel dat die voorlopig niet zal veranderen – toch naar een oplossing zoeken. Laat me zeggen dat ik meer geïnteresseerd ben in oplossingen dan in oeverloos pessimisme.”

In je stukken raak je vaak zijdelings aan die structurele zaken. Neem bijvoorbeeld de manier waarop kranten hun websites organiseren. In een van je bijdragen stel je voor om duidelijk te maken wie de externe leverancier van een bericht op de website van De Standaard is. Je suggereert een oplossing maar er gebeurt niets mee.

“Als ik een ding vooraf wist dan wel dat mijn werk iets is dat in het beste geval op de lange termijn voor veranderingen kan zorgen (lacht). Ik vergelijk me met andere journalisten. Het is niet omdat ze kritiek geven op bepaalde geplogenheden in de politiek dat het ook onmiddellijk verandert. Meer dan waarschijnlijk zal het twee jaar later nog steeds gebeuren en zal de journalist nog steeds dezelfde kritiek formuleren. Maar dat wil niet zeggen dat die kritiek zinloos geweest is: ze heeft lezers bewuster gemaakt, ze heeft voor debat gezorgd... Het is belangrijk dat de mediakritiek vandaag openbaar is. Het feit dat het publiek verschijnt, zorgt ervoor dat er druk is op de krant. Dat die druk niet meteen spectaculaire veranderingen met zich mee brengt is logisch. Ik heb daar begrip voor.

Heel veel mensen op de krant zijn zich ervan bewust dat de website een voorbeeld van ‘growing up in public’ is. Alle kranten zijn op zoek naar een manier om hun site geld te laten opbrengen zonder al te veel af te wijken van wat men met de titel normaal doet. Daarbij wordt van alles uitgeprobeerd. Geregeld valt daar kritiek op te geven, maar niet op alles. Er verschijnen ook veel degelijke stukken online en kijk je naar de homepage van De Standaard, dan heeft die alles wat een homepage van een kwaliteitskrant moet hebben. Je hoort het: ik vind het belangrijk om ook te blijven zeggen wat er wel goed is (lacht).”

Het is belangrijk dat de mediakritiek vandaag openbaar is. Dat zorgt voor druk op de krant. Dat die druk niet meteen spectaculaire veranderingen met zich mee brengt is logisch.

Je schetst het kader waarbinnen kranten op zoek zijn naar een businessmodel voor de website. Daar kan je begrip voor vragen, maar vreet die situatie intussen niet aan de geloofwaardigheid van de krant? Er zijn deals met andere leveranciers van inhoud die onder de noemer De Standaard hun eigen teksten verkopen in ruil voor clicks.

“Dat is zo. Het is een van de manieren om de site rendabel te maken. Mijn visie erop zou zijn: breng eventueel die inhoud, maar doe het niet onder de titel De Standaard. Het klopt niet: de stijl van die stukken is te verschillend, de inhoud ook, en bij momenten kun je serieuze vraagtekens zetten bij de geloofwaardigheid ervan. Het is gek dat de titel daarvoor wordt uitgeleend.”

De enige reden waarom een externe partner geïnteresseerd is in zo’n deal is natuurlijk net omdat het onder de banner van De Standaard meegaat.

“Dat is het net. Het is een heel moeilijke evenwichtsoefening. Alle kranten zijn verplicht om op hun websites het evenwicht dat ze in hun papieren krant hebben gevonden tussen het commerciële en het journalistieke te verlaten. Men is volop op zoek. Dat geldt niet alleen voor De Standaard, maar ook voor een krant als Het Laatste Nieuws. Ook de site van Het Laatste Nieuws ziet er helemaal anders uit dan de krant.”

De site van Het Laatste Nieuws heet wel HLN.be. De verwijzing blijft natuurlijk duidelijk, maar het is wel een andere naam.

“Dat  soort bedrijfskeuzes valt buiten mijn bevoegdheid, maar ik zit daar dan toch ook maar over na te denken (lacht). Als het nodig is om op de site een veel bredere selectie van types nieuws, stijlen en inhouden te plaatsen, geef je die site dan niet beter een andere naam? Van mij mogen er perfect stukken van de site van Het Nieuwsblad op de site van De Standaard verschijnen, maar dat moet duidelijk zijn. In de papieren kranten verschijnen ook artikels uit Het Nieuwsblad, maar dat merk je niet omdat ze de kwaliteitsnormen van De Standaard halen of aangepast worden zodat ze de look and feel hebben die het publiek van De Standaard gewoon is. Punt is dat de site van Het Nieuwsblad ook populairder is dan de papieren krant. Zet je die dingen op de site onder de noemer De Standaard dan wordt het verschil wel heel erg groot.

Veel mensen zijn ook oprecht verward. Ze maken niet het onderscheid tussen de krant en de website. Het valt me ook op dat de betrokkenheid van de redactie bij wat er verschijnt op de site zeer laag is. Mocht er in de papieren krant verschijnen wat er online verschijnt, dan zou er een redactionele opstand uitbreken. Nogal wat journalisten, ook van andere kranten halen hun schouders op bij wat er op de site van hun krant verschijnt. Maar nogmaals, het is een discussie die buiten mijn taakomschrijving als ombudsman valt. Ik heb geen contact met de managers van het bedrijf.”

Het zou misschien geen slechte zaak zijn om dat wel te hebben.

“Dat weet ik niet (lacht). Ombudsman is een inhoudelijke functie. Ik lees de krant en beoordeel artikels. Ik beantwoord ook geen vragen van lezers die willen weten waarom de prijs van de weekendkrant is gestegen. Dat zijn commerciële keuzes die het bedrijf maakt. Mijn taak is om na te gaan of De Standaard de eigen kwalitatieve doelstellingen haalt. Hoeveel geld de krant kost, dat moeten andere mensen maar bepalen. Ik kaart aan wat me inhoudelijk zorgen baart. Vaak zijn dat dingen die gedeeld worden door veel mensen, ook op de redactie.

Het valt me op dat nogal wat journalisten, ook van andere kranten hun schouders ophalen bij wat er op de site van hun krant verschijnt

Ook door de hoofdredactie? In je bijdrage over de manier waarop De Standaard uitpakte met een bevraging bij professoren over de huidige generatie studenten laat je duidelijk verstaan dat hoofdredacteur Karel Verhoeven in zijn opiniestuk te veel in een egelstelling kruipt. Krijg je daarvoor de wind van voren?

“Neen. Ik heb natuurlijk wel veel discussies met de hoofdredactie, maar ze hebben me zelf aangesteld en ze weten wat ik kom doen. Je kan niet een ombudsman vragen en vervolgens verbaasd zijn dat er soms kritiek op de hoofdredactie in zijn stukken sluipt. Daar wordt op een volwassen manier mee omgegaan. Hetzelfde geldt voor de redactie. Ik probeer met zoveel mogelijk redacteurs te praten, zeker als ik een bijdrage schrijf over een stuk van iemand. Ik zie me als een lezer van de krant die op de geprivilegieerde positie zit om uitleg te kunnen vragen. Ik schrijf niet zomaar dat iets echt niet kan. Ik merk in de praktijk ook dat er heel vaak een verklaring is die mijn initiële verontwaardiging op zijn minst bijstelt. Neem nu het stuk waar jullie ook iets over geschreven hebben: de oproep over Concetta Fagard. Mijn eerste indruk toen ik dat las was: ‘wat doen ze nu weer’? Ik was inwendig al aan het vloeken en tieren. Op de redactie zagen ze ook wel dat het vreemd overkwam. Ze hebben die oproep dan ook verwijderd, maar ik ben geïnteresseerd in de uitleg achter de beslissing om de oproep te publiceren en die uitleg heeft mijn verontwaardiging getemperd. Elke journalist zocht op dat moment medewerkers van Belgacom om meer te vernemen over Concetta Fagard. Zoiets moet, gegeven de situatie, noodzakelijk anoniem. Of je nu aan de poort van Belgacom gaat staan en mensen aanspreekt of je zet een oproep in die zin op de site. Wat is het verschil? Het bericht op de site kwam heel hitsig over, maar de vraag op zich verschilde niet van de vraag die anders ook wordt gesteld. Na die uitleg denk ik dan: ‘tja dat klopt wel’. Het was ongelukkig geformuleerd, maar het concept is daarom niet verkeerd. En uiteindelijk gaat her erom wat er vervolgens journalistiek mee gebeurt. Je hebt het stuk erover in de weekendkrant gelezen?”

Zeker. We waren er aangenaam door verrast. Het las ook helemaal niet als een stuk waarvan de bouwstenen en bronnen uit die oproep kwamen.

“Dat laatste heb ik niet nagevraagd. Maar als het stuk zelf dan wel goed is, dan kun je nog altijd kritiek hebben op de oproep, maar het plaatst hem op zijn minst in perspectief. Ik vind het sowieso belangrijk dat er ruimte is voor woord en wederwoord. Ik zet me niet in mijn zetel om lukraak te schieten. Ik praat eerst. Dat maakt dat er vertrouwen is op de redactie. Ik zie mezelf als een ondersteuning voor die redactie, niet als een gesel. Een redactie is aan heel veel krachten onderhevig. Het is belangrijk dat er iemand meekijkt om te zien of de journalistieke normen overeind blijven. Zonder die blik over de schouder zouden de andere krachten alleen maar sterker inwerken.”

Een van die krachten is “wat andere kranten doen”: je schreef ergens dat het voor een algemene krant zeer moeilijk is om nieuws te negeren dat door anderen is gebracht, zelfs al gaat het om een bericht dat die krant uit zichzelf nooit zou brengen.

“Dat is inderdaad een van de vele moeilijke kwesties. Neem de fameuze smsjes van Yves Leterme. Het is niet omdat De Standaard daar niets over zou schrijven dat het verhaal niet ‘out in the open’ is. Lezers vragen zich dan al snel af: ‘mogen we dat niet weten van De Standaard misschien?’. Je mag die reflex niet onderschatten. Je hebt een groep lezers die vindt dat De Standaard boven dat soort roddels moet staan. In hun visie brengt een kwaliteitskrant een bepaald soort nieuws wel en een bepaald soort nieuws net niet. Maar je hebt ook mensen die de stelling huldigen dat informatie zo ruim mogelijk moet zijn, dat de krant alles moet brengen, ook de ranzige dingen. Als we Stevaert wel brengen (bericht over chantage in de amoureuze sfeer ToC) en Leterme niet of nauwelijks dan zijn er lezers die daar meteen het bewijs in zien dat we nog steeds een ‘tsjevenkrant’ zijn (lacht). Wat we niet brengen ‘mag men niet weten’. Een krant zit in die positie gewrongen. Het is, zeker sinds internet, heel moeilijk om iets niet te brengen waar de mensen over praten.”

Het is, zeker sinds internet, heel moeilijk om iets niet te brengen waar de mensen over praten.

Vaak wordt gesteld dat het de populaire kranten zijn die het niveau van kwaliteitskranten mee naar omlaag trekken. Als dat uitgangspunt correct is, moet De Standaard zich daar dan niet gewoon boven plaatsen? Zeker omdat de krant daar in zijn publiciteit ook heel erg op speelt?

“Maar De Standaard trekt ook wel echt naar de andere kant! Er is wel degelijk nog steeds een groot verschil met de populaire kranten. Veel artikels die in society bladen verschijnen worden gewoon niet overgenomen. Het is alleen wanneer er een mediamoment ontstaat dat De Standaard haast verplicht meegaat. Nog eens de sms’jes van Yves Leterme: ik weet zeker dat die vrouw, mocht ze bij De Standaard hebben aangeklopt, wandelen zou zijn gestuurd. Nu komt Story ermee en iedereen neemt het over. Alle mensen hebben het erover. Story is niet richtinggevend voor De Standard, maar het  blad creëert wel een mediamoment waar je niet naast kan. We zouden ook veel lezers hebben die niet begrijpen waarom we dat niet zouden brengen.”

De Standaard profileert zich als ‘niet voor niets de standaard’. Er zijn breed aanvaarde wetenschappelijk criteria voor een kwaliteitskrant: berichten over politiek, economie,  buitenland, … Is ‘waar de mensen over praten’ een norm voor een kwaliteitskrant?

“Elke krant doet vandaag alles. Als er een evolutie van structureel belang is geweest, dan wel dat de kranten zo hard gezwollen en uitgebreid zijn en hun terrein zodanig hebben verbreed dat de klassieke opdeling van sectoren die door de ene wel en door de andere niet wordt gedaan, niet langer geldt. Op De Tijd na zijn alle Vlaamse kranten algemene kranten. De kwaliteitskranten schrijven nog steeds meer over buitenland, economie en politiek, maar de populaire kranten doen het ook. Dat geldt omgekeerd ook voor de domeinen die van oudsher uitgebreider door de populaire kranten werden gecoverd. “Waar mensen over praten” is dus ook een criterium, ja. Ook, niet het enige.

Wat me stoort is de oneerlijkheid in de kritiek. Die ene keer dat De Standaard de amoureuze chantage rond Steve Stevaert op de voorpagina zet, krijgt de krant de wind van voren. De twintig voorgaande politieke, buitenlandse of economische openingen van de krant zijn plots vergeten. Ineens lijkt het alsof De Standaard alleen nog maar over ranzige seksueel getinte nieuwtjes bericht op pagina een. Lijst je alles op, dan krijg je een ander plaatje.”

Op pagina een van De Standaard staat er heel bewust dagelijks iets in het lichtere genre. Dat is een duidelijke keuze die nog niet zo lang geleden niet waar geweest zou zijn.

“Dat is absoluut zo, maar de vraag is of dat erg is. Ik vind het niet erg dat De Standaard bericht over BV’s of iemand aan het woord laat over zijn kinderen. Zo lang het waar is en op een fatsoenlijke manier gebeurt en zolang het niet de bovenhand haalt.”

Begin vorig jaar bij de dubbele moord van Ronald Janssen in Loksbergen brachten De Standaard en De Morgen tientallen pagina’s. Extra katernen. Nu de zaak voor het hof van assisen komt, wordt er weer heel veel tijd en energie ingestopt. Dat zijn toch heel bewuste keuzes?

Ik vind het niet erg dat De Standaard bericht over BV’s of iemand aan het woord laat over zijn kinderen. Zo lang het waar is en op een fatsoenlijke manier gebeurt en zolang het niet de bovenhand haalt.

“Misdaadberichtgeving krijgt inderdaad heel veel ruimte. De Standaard en De Morgen volgen de populaire kranten daarin. Het idee leeft dat bij gebeurtenissen die de maatschappij diep raken heel veel pagina’s moeten worden gereserveerd. Misschien is het ook niet verkeerd om als krant mee te gaan in de vaststelling dat mensen zich  geschokt weten. Kranten vervullen een soort rouwfunctie, een gemeenschapsondersteunende taak. Dat zag je ook bij het drama in Pukkelpop. Op zo’n moment redeneert een krant: het hele land rouwt en wij rouwen mee. De stukken die we maken helpen om de pijn te verzachten.”

Dat klinkt mooi en de vraag bijgevolg bot, maar heeft de pijn verzachten nog  iets met journalistiek te maken? Is het niet eerder de taak van een kwaliteitskrant om kritische vragen te stellen? Te kijken naar hoe het verkeerd is kunnen gaan?

“Misschien kan het er wel toe behoren. Het gaat altijd over evenwicht. Als er in die stukken om de pijn te verzachten geen grenzen worden overschreden, wanneer het niet elke dag gebeurt, als De Standaard geen grote huilebalk wordt, …. dan zie ik het probleem niet meteen. Het is een evolutie waar ik redelijk neutraal tegenover sta. Journalistiek problematischer is dat bij gerechtszaken alle kranten zich automatisch in de positie van het slachtoffer verplaatsen. Heel vaak weegt de antipathie voor de dader zeer zwaar door. Dat zie je nu ook bij het proces Ronald Janssen.”

Kranten willen hun lezers niet te hard tegen de haren in strijken?

“In de afweging van wat er in de krant komt, speelt dat zeker een rol, maar dat is niet per se verkeerd. Het is zelfs niet noodzakelijk commercieel. Het is een opdracht voor de krant om interessant te zijn voor de lezer. Die inschatting speelt altijd mee, ook voor een kwaliteitskrant. Soms lijkt er inderdaad heel veel energie naar een of  ander gerechtelijk dossier te gaan, maar daar staat tegenover dat er ook nog steeds heel veel ruimte is voor duiding bij de Arabische Lente, de eurocrisis of de formatie waar iedereen al lang bij is afgehaakt. Dat leidt soms tot omgekeerde reacties: waarom schrijven jullie daar nog over? Ook dat speelt op de site veel meer. Daar kan een  krant van elke individueel stuk perfect zien hoe vaak het werd gelezen. Een krant daarentegen verkoop je als geheel. Zolang dat geheel voldoende interessant blijft, kan je een krant verkopen. Het concept krant laat nog steeds toe om moeilijke onderwerpen mee te geven. Stukken die, wanneer je ze op de site zet, nauwelijks worden gelezen. Dat concept komt onder druk. Er beweegt heel veel. Kranten trachten positie te kiezen maar zijn tegelijk overgeleverd aan evoluties waar ze nauwelijks controle over hebben.”

Er beweegt heel veel. Kranten trachten positie te kiezen maar zijn tegelijk overgeleverd aan evoluties waar ze nauwelijks controle over hebben.

Hoewel media een zeer belangrijke maatschappelijke speler zijn, is er vandaag nauwelijks een maatschappelijk debat over die evoluties en de gevolgen ervan. De Standaard heeft een ombudsman, maar verder blijft mediakritiek in de Vlaamse reguliere media een zeer moeilijke zaak.

“Ik zou natuurlijk heel graag ombudsmannen bij andere kranten zien (lacht), maar niet alleen Vlaanderen heeft een problematische relatie met mediakritiek. Nick Davies heeft met zijn ‘flat earth news’ in Groot-Brittannië heel veel tegenkanting gekregen. In de Verenigde Staten heb je de Columbia Journalism Review, een heel sterk en ook zeer empathisch kenniscentrum voor mediakritiek en -analyse. Dat gebrek aan empathie is een probleem bij nogal wat externe mediakritiek. Er is te weinig onderzoek à decharge. Dat stuit veel journalisten tegen de borst en het maakt hen afkerig van mediakritiek.”

Dat geldt misschien voor externe mediakritiek, maar de vaststelling blijft wel dat er nauwelijks interne mediakritiek is.

“Niemand krijgt graag  kritiek. Dat geldt voor elke organisatie. Ook politici reageren kribbig als ze in een artikel worden aangepakt. Het probleem is dat journalistiek een watchdog is voor heel veel belangrijke sectoren, maar niet voor de media zelf. Internet biedt nu voor het eerst een forum buiten de klassieke media, maar je moet er natuurlijk ook mensen naartoe kunnen lokken en veel mensen vinden mediakritiek iets navelstaarderigs hebben. Het moet allemaal nog groeien, maar het helpt niet om alleen maar te hameren op wat verkeerd loopt. Dat geldt ook voor jullie. Veel dingen in de media gaan nog wel goed. Er worden nog steeds fantastische stukken geschreven en schitterde analyses gemaakt. Dat laatste lees ik op Apache naar mijn smaak te weinig.”

Gebrek aan empathie is een probleem bij nogal wat externe mediakritiek. Er is te weinig onderzoek à decharge. Dat stuit veel journalisten tegen de borst en het maakt hen afkerig van mediakritiek.

Is het niet gewoon eigen aan journalistiek om vooral negatieve verhalen te brengen? Over politiek wordt ook nagenoeg alleen maar geschreven wat er ‘niet goed loop’. Waarom zouden media een voorkeursbehandeling moeten krijgen? 

“In politieke verslaggeving is er ook wel ruimte voor positieve dingen, maar het klopt dat het in zekere zin eigen is aan journalistiek om te schrijven over de dingen die verkeerd lopen, eerder dan over alles wat goed loopt.  Mij gaat het vooral om de conclusie die eigen is aan nogal wat externe mediakritiek: ‘t is allemaal om zeep. Het loopt voor geen meter. Iedereen zit in de zak van het establishment, wat écht belangrijk is komen we toch niet te weten ...’ Wel, dat klopt niet en het zorgt ervoor dat mediakritiek in de marge verzeilt.”

Is het niet wat simpel om te stellen dat mensen die zich aan mediakritiek wagen zichzelf in de marge duwen door de toon die ze hanteren? Misschien wordt mediakritiek door de reguliere media wel met heel veel plezier in de marge gedrukt.

“Ik heb het tweede boek van Frank Thevissen (De vierde onmacht ToC) besproken (lacht), maar het valt inderdaad niet te ontkennen dat er nauwelijks over geschreven werd. Het is een tweesnijdend zwaard en het is ongetwijfeld zo dat de kribbigheid bij veel mensen in de journalistiek het moeilijk maakt om er open en bloot over te schrijven. Zelf ervaar ik dat minder. Ik vermoed omdat ik makkelijker zeg dat iets goed is. Als ombudsman vind ik het heel belangrijk dat die externe mediakritiek er is, alleen moeten we meer naar elkaar toegroeien. Er ligt een heel veld tussen wat ik doe en wat jullie doen. Dat veld is bijzonder interessant. Zelf worstel ik vooral met de beperking dat ik alleen over De Standaard kan schrijven.”

Hoe frustrerend is dat?

“Heel frustrerend (lacht). Zowel ik als de redactie zijn er nogal beducht voor dat collega’s van andere titels mijn bijdragen lezen en zich dan verkneukelen in het feit dat De Standaard alweer een fout heeft gemaakt, terwijl ze soms dezelfde fout hebben gemaakt en hoogstens ergens achterin de krant een rechtzetting publiceren. Op de redactie wordt dat als unfair aangevoeld. Neem het voorbeeld van de oproep over  Concetta Fagard. Ik krijg van twee journalisten van De Morgen een melding daarover: je moet dat onderzoeken. Ik vind het niet erg dat collega’s van een andere krant dat doen. Het zijn ook lezers. Vaak zelfs bevoorrechte waarnemers. Maar hun vraag kwam wel op dezelfde dag dat De Morgen op de voorpagina had geschreven dat Concetta Fagard 600.000 euro ontslagpremie zou opstrijken en dat bedrag ook niet zou moeten teruggeven. Dat werd een dag later door De Standaard radicaal tegengesproken, maar daarover lees ik niets meer in De Morgen. Dat wordt niet rechtgezet. Het verdwijnt gewoon tussen de plooien. Dat maakt mijn werk lastig. Ik wil niet door een  concurrent gebruikt worden als doodgraver van mijn krant. Bovendien begrijp ik simpelweg niet waarom De Morgen, maar ook Knack, de VRT, VTM, Humo... niet zouden communiceren over de gemaakte fouten. Zij hebben toch ook kritische lezers en kijkers? Die verdienen het toch ook om op een transparante en volwassen manier uitleg te krijgen? Of denken ze daar: hej, we sturen onze lezers de wereld in met verkeerde informatie, maar zolang ze dat niet zelf merken piepen wij er ook niet over. Komaan! Dat hoeft de positie van de krant niet te verzwakken.”

Het omgekeerde lijkt waar. Een deel van de kritiek op je functie is net dat De Standaard op die manier het thema mediakritiek claimt.

“Het verhaal van de ombudsman die de angel er moet uithalen, vind ik heel erg cynisch. Dat zou betekenen dat The New York Times, The Washington Post, The Guardian, Le Monde, De Volkskrant, NRC Handelsblad, de Amerikaanse openbare National Public Radio... allemaal zouden denken: weet je wat, laat ons de kritiek op ons werk de wind uit de zeilen nemen. Een ombudsman hoort nu eenmaal bij het pakket van een serieus nieuwsmedium. Ik ben ervan overtuigd dat ook het gros van hun lezers het geen ramp vindt dat er fouten worden gemaakt, zolang ze er maar uitleg over krijgen.”

LEES OOK