Thevissen: ‘Mediakritiek die ertoe doet, verschijnt niet in de Vlaamse media’

1

Met Media en journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht (2009) en De vierde onmacht (2010) leverde communicatiewetenschapper Frank Thevissen twee bundels mediakritische essays af. Daarin zit Thevissen zelden om een straffe uitspraak verlegen. In De vierde onmacht roept Thevissen 2010 uit tot het jaar van de media culpa. Om vast te stellen dat er weinig is veranderd.

Thevissen: 'Mensen denken bij journalistiek nog steeds aan het naïeve beeld van Kuifje: de razende reporter die het kwaad bestrijdt met zijn notitieboekje in de aanslag.'

Thevissen: 'Mensen denken bij journalistiek nog steeds aan het naïeve beeld van Kuifje: de razende reporter die het kwaad bestrijdt met zijn notitieboekje in de aanslag.' (Foto Jim Forest)

Mediakritiek werd ook in Vlaanderen een topic, toen de Britse journalist Nick Davies zijn boek Flat Earth News kwam voorstellen op Het Andere Boek in oktober 2009. Wat betekent dat boek voor u?
Frank Thevissen: “Davies is in de eerste plaats een professionele journalist die de moed heeft gehad om zijn eigen werkterrein kritisch tegen het licht te houden. De manier waarop hij de achteruitgang van de journalistiek beschrijft, is voor de betrokkenen niet prettig om te lezen, maar het is op een professionele manier gedaan.

“Ik zag wel dat Davies’ kritiek in de vaderlandse pers veel lof kreeg. Terwijl ik dacht: ‘Steek de hand dan ook maar eens in eigen boezem, voor je die buitenlandse kritiek zo gaat bejubelen.’ Ongeveer tegelijkertijd kwam Media en Journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht uit. Aan de reacties op dat boek merkte ik wel dat we daar in Vlaanderen nog niet aan toe zijn. Journalisten zijn niet gewend om met kritiek om te gaan. Ze bekijken alles en iedereen met een kritische blik en ontlenen daaraan macht, maar ze zijn niet gewend om met eenzelfde kritische blik op hun eigen werk te worden aangesproken. Nochtans is mediakritiek echt geen sloopwerk.”

Wat moet mediakritiek dan zijn?
“Mediakritiek moet concreet zijn, to the point. Als je in abstracte termen over de vierde macht gaat spreken, is iedereen het al snel grondig met elkaar eens. Dan krijg je het soort teksten dat je bijvoorbeeld van mediaminister Ingrid Lieten kan verwachten. Die zijn zo opgesteld dat geen zinnig mens het er oneens mee kan zijn, maar het blijft slappe, abstracte thee.

“Mediakritiek is een kwestie van namen noemen, feiten aanhalen, de juiste analyses maken. Ik eis van auteurs die aan mijn boeken meewerken, in de eerste plaats dat hun feiten kloppen. Je moet ook verschillende meningen aan bod laten komen, om te concluderen dat het niet zo goed gesteld is met de Vlaamse media.”

‘De toestand is ernstig maar niet hopeloos’, zo luidt het in uw inleiding.
“Dat is natuurlijk een boutade. Er is in Vlaanderen wel degelijk een groot journalistiek potentieel. Maar het goede werk dat verricht wordt, mag niet als excuus dienen voor de misstanden die ons mediabestel teisteren. De kracht van een medium is nauw verbonden met het vertrouwen dat het publiek erin stelt. Dat vertrouwen staat momenteel op een laag pitje en daar zijn redenen voor. We moeten die opsporen, om vervolgens te remediëren.”

Het jaar van de media culpa begon al eind 2009, met een opgemerkte reeks essays van Geert Buelens in De Standaard. U lijkt niet onder de indruk.
“Volgens mij was Geert Buelens niet de best geplaatste persoon om aan te kaarten wat er in de Vlaamse media fout loopt. Buelens is in de eerste plaats een literatuurwetenschapper, en dat merk je aan zijn kritiek. Erg diep graaft hij niet. Hij was ook sterk afhankelijk van externe bronnen. Vandermeersch heeft dat slim bekeken en die kritiek snel gerecupereerd. Trouwens, als Buelens echt tot op het bot was gegaan, dan was die kritiek in geen enkel Vlaams blad verschenen. Je moet zelfs wantrouwen beginnen te koesteren bij die mediakritiek die wél de pers haalt. Ik kan je verzekeren: op het moment dat mediakritiek er écht toe doet, échte pijnpunten aanhaalt, verschijnt die níét in de Vlaamse media.”

Als je in abstracte termen over de vierde macht gaat spreken, krijg je het soort teksten dat je van mediaminister Ingrid Lieten kan verwachten

Wat zou u veranderen?
“Een sterke, autonome redactie is volgens mij nog steeds de ruggengraat van een goed functionerend medium. Dat betekent ook dat je redactie niet geplaagd mag worden door de beslommeringen om ze gefinancierd te krijgen. De vierde macht moet een ontegensprekelijke, onafhankelijke en controlerende macht zijn.”

Wat voor macht is dat dan?
“Wanneer je het over macht hebt, kom je al snel uit bij politieke macht. Ikzelf, en heel wat gastauteurs, zien met lede ogen de symbiose tussen politiek en media aan. Er ontstaat een parallel circuit, bevolkt door politici en journalisten, die elkaar als het ware in leven houden. Dat probleem zit voor een groot deel binnen de redacties, en moet ook daar aangepakt worden. Want we krijgen een systeem waarbij de politiek meer en meer de pers gaat controleren in plaats van omgekeerd.

“Voor politici zijn media in de eerste plaats instrumenten geworden van hun profileringsdrang. Dwaze journalistieke en programmaformules die op zoek gaan naar ‘de mens achter de politicus’, faciliteren dat oneigenlijke mediagebruik. En in de huidige netwerkcultuur is dat veel minder doorzichtig dan vroeger, in verzuilde tijden.”

Frustreert het u dat het publiek daar niet kritisch tegenover lijkt te staan?
“In Vlaanderen bestaat geen mediakritische traditie. Ik merk, bijvoorbeeld wanneer ik een lezing geef, dat de meeste mediagebruikers geen benul hebben van de manier waarop journalistiek tot stand komt. En je kunt ze dat niet eens kwalijk nemen, want het publiek is zodanig om de oren geslagen met trivialiteiten – Jef Lambrecht noemt het zo mooi “babypapjes” – dat het er weerloos naar zit te kijken.

“Mensen denken bij journalistiek nog steeds aan het naïeve beeld van Kuifje: de razende reporter die het kwaad bestrijdt met zijn notitieboekje in de aanslag. Vandaag zitten de meeste redacteurs achter hun bureau, onder de stress om hun stukken geleverd te krijgen. Ze zijn meer bezig met het selecteren van berichten dan met het uitspitten van een dossier. Niet verwonderlijk, als je ziet hoe er in de redacties gesnoeid is. Ze zitten op hun tandvlees, werken onder grote tijdsdruk, en zoeken noodgedwongen journalistieke gemakkelijkheidsformules op.”

Wie reguleert wie?

In uw boek tonen Luc Van der Kelen (hoofdredacteur Het Laatste Nieuws) en Jurgen Verstrepen (politicus LDD) zich geen voorstanders van overheidsregulatie, of van controle door de VRM bijvoorbeeld. Moet de regulering dan vanuit de sector zelf komen?
“Controle door ‘de overheid’, zoals de VRM die voorstaat, klinkt nogal verdacht. In de praktijk zie je een verstrengeling van allerlei politieke, academische en journalistieke agenda’s ontstaan rond de VRM, en dat is uit den boze. Daarnaast mangelt er iets aan de redenering dat de media in Vlaanderen binnen een vrije markt opereren. Dirk Barrez en Han Soete (Indymedia, De Wereld Morgen) tonen aan dat de overheid jaarlijks honderden miljoenen euro’s steun geeft aan de Vlaamse pers. Dat geld komt vooral terecht bij traditionele media.

De meeste mediagebruikers geen benul hebben van de manier waarop journalistiek tot stand komt

“Nieuwe initiatieven als Apache en De Wereld Morgen kunnen niet op veel overheidssteun rekenen, dus toekomstgericht kan je die steun niet noemen. Bovendien komt de steun niet rechtstreeks de journalistiek ten goede, maar vooral de mediabedrijven. Regulering vanuit de sector zie ik niet meteen gebeuren, niet zolang de mediabedrijven vooral winst als hun core business zien. Ik ben er ook hoe langer hoe minder van overtuigd dat de sector nog ambieert om dat model bij te stellen in het voordeel van een kwalitatieve, maatschappelijk relevante journalistiek.”

Is dat niet gewoon de werking van het vraag- en aanbodmodel? Er is duidelijk toch publiek voor?
“Het is een typische denkfout dat journalistiek een kwestie van vraag en aanbod is. Mediamarketing wordt verward met journalistiek bedrijven volgens de wetten van de marketing. Kwaliteitsjournalistiek kan nooit onderworpen zijn aan de wetten van vraag en aanbod. Dat is een contradictio in terminis: kwaliteitsjournalistiek werkt per definitie aanbodgestuurd, nooit vanuit een vraaggestuurd redactioneel beleid.

“Mensen als Peter Vandermeersch maken er geen geheim van dat ze werden afgerekend op de meerverkoop die ze realiseerden, in plaats van op hun journalistieke merites. Zijn verkiezing tot marketeer van het jaar in 2007 is daar een symptoom van. Je krant in de markt zetten, is voor mij een noodzaak, maar zodra marketing op de inhoud begint te wegen, krijg je journalistieke toestanden zoals Peter Vandermeersch die letterlijk aanhaalt: ‘Als de lezer meer restaurantbesprekingen wil, krijgt hij die ook.’ Wat te moeilijk is, komt gewoon niet meer aan bod. Ook al gaat het om wezenlijke dingen. Maar dat stoort niemand meer! Mensen slikken dat, omdat ze niet beter weten.”

Gaarkeukens

Intussen verscheen ook het boek De witte media van Kathleen De Ridder. Daarin wordt aangeklaagd dat er weinig allochtonen actief zijn in de media, en welke gevolgen dat heeft voor de beeldvorming. Maar een aantal auteurs in uw boek is ervan overtuigd dat de media te eenzijdig positief berichten over multiculturaliteit.
“Dat zijn twee ogenschijnlijk tegenstrijdige visies, maar ze ontmoeten elkaar bij de constatering dat er nooit wordt doorgedrongen tot de kern van het probleem. Maar dan ga je er wel van uit dat mediaberichtgeving een realiteit moet weerspiegelen. Je kunt je afvragen in hoeverre dat nog het geval is.”

Maar dat neemt niet weg dat er amper mensen met een andere etnische origine rondlopen in de Vlaamse media.
“De criteria om het te maken zijn talent en kwaliteit. Op de Nederlandse televisie zie je mensen met heel uiteenlopende etnische achtergronden en met ongelooflijk veel talent. Dat wordt door niemand gecontesteerd: aan kwaliteit en talent hangt geen geur of kleur. Maar kwaliteit moet het criterium zijn, in plaats van etnische afkomst. Dat die mensen in de Vlaamse media niet aan bod komen, leert me vooral iets over die samenleving. Het lijkt me zinloos om dat maatschappelijke gegeven geforceerd te willen ombuigen via quota en dergelijke. Een feitelijke toestand weerspiegelt zich in je medialandschap.

Ik ben er hoe langer hoe minder van overtuigd dat de sector nog ambieert om kwalitatieve, maatschappelijk relevante journalistiek te brengen

“Alle goodwill ten spijt blijft de integratie van allochtonen in de Vlaamse media hoofdzakelijk beperkt tot de gaarkeukens van de mediabedrijven. Als je dat wilt verbloemen door met quota te werken, beland je in een kunstmatig straatje en zo werkt het nu eenmaal niet. Omgekeerd worden ook ongewenste meningen en partijen op dezelfde manier buiten beeld gehouden via het cordon mediatique. Ook dat leert ons iets over de maatschappij waarin we leven, en we trekken dat ook niet recht via quota. Maar een gezonde evolutie is dat niet. Uiteindelijk slaag je er toch niet in om misstanden weg te moffelen.”

Zou een reële macht als de pers anderzijds niets kunnen ondernemen om daar iets aan te veranderen? ‘With great power comes great responsibility.’ Of hebben de media enkel recht op macht en geen plicht tot verantwoordelijkheid?
“Uiteraard hebben de media een verantwoordelijkheid. Maar je kunt en moet je afvragen waar die dan concreet ligt bij media die steeds weer onderstrepen dat ze slechts een doorgeefluik zijn en slechts registreren wat er in de samenleving omgaat. Ze zeggen dat vooral om hun grote, sturende, inhoudelijke en vormgevende invloed te minimaliseren. Want naarmate ze erkennen dat hun invloed groter is, zal ook hun verantwoordelijkheid toenemen en zal de neiging van overheden om te reguleren of anderszins in te grijpen toenemen.

“Dat minimaliserende zinnetje is een teken dat de media niet zo happig zijn om die verantwoordelijkheid op te nemen. Een quotum is in die optiek zinloos. Dat vertrekt immers vanuit een dwingend principe en niet vanuit verantwoordelijkheid. Bovendien moet je volgens mij ook niet vertrekken vanuit het idee dat je een zekere kwantitatieve, numerieke aanwezigheid van allochtonen móét realiseren. Dat vind ik behoorlijk denigrerend en stigmatiserend ten aanzien van de allochtonen.”

Daar komt de consument

Volgens u kan een mediakritische mediaconsument het tij keren?
“Het feit dat we het nu over mediagebruikers hebben als consumenten, is een deel van het probleem. ‘Als de consument het slikt, zijn alle andere bedenkingen overbodig’: dat idee. Je ziet dat mediagebruikers dat op den duur beu worden. Als de mediakritiek ook vorm krijgt in de hoofden van het publiek, is een correctie op de misstanden binnen de journalistiek niet meer tegen te houden.

“Een medium dat uit de bocht gaat, wordt tegenwoordig binnen vijf minuten ontmaskerd op internet. Vandaar dat de traditionele media zo zenuwachtig reageren op de evolutie van het internet: ze verliezen het monopolie op de opinievorming. Vroeger moest je hopen dat de krant je lezersbrief publiceerde: nu gooi je je mening op een blog, of post je ze op Facebook. Ook tijdens hun schoolcarrière zouden mensen een kritische houding tegenover media moeten aanleren.”

Kwaliteitsjournalistiek werkt per definitie aanbodgestuurd, nooit vanuit een vraaggestuurd redactioneel beleid.

Een aantal journalistieke coryfeeën krijgt ervan langs in uw boeken. Krijgt u ook reacties van hen?
“Voorlopig blijft de respons vooral beperkt tot boze reacties, maar de meesten zwijgen verongelijkt. Blijkbaar is er weinig in te brengen tegen de kritiek die een aantal auteurs naar voren brengen. Sommige media of journalisten reageren hooguit onrechtstreeks, in de hoop dat het doodzwijgen of negeren van de boodschappers enig soelaas biedt. Ik kan hen echter geruststellen: die ‘negationistische’ reflex is een aflopend verhaal zonder enige toekomst.

“Een aantal grote ego’s in de journalistiek heeft het er vanzelfsprekend moeilijk mee dat het boek de mythe doorprikt die ze rond zichzelf gecreëerd hebben, en dat zij ontmaskerd worden als slippendragers. Wie zich aangesproken voelt, krijgt van mij de kans om zich te verdedigen of zijn of haar kant van het verhaal te vertellen. In Media en Journalistiek Kritisch Doorgelicht verdedigt Siegfried Bracke zijn aanpak, niettegenstaande de striemende kritiek van Jef Lambrecht in hetzelfde boek. Het zou zinvol zijn, als er in het volgende boek bijvoorbeeld eens een journalist kritiek gaf op de mediakritiek.”

De vierde onmacht en Media en journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht bestaan beide uit een groot aantal (gast)bijdragen. Zou de kritiek niet kunnen denken: ‘Thevissen verbergt zich achter de brede rug van anderen’?
“Ik ga me eens verbergen achter een onverdachte recensie: Trends noemt het boek ‘een schoolvoorbeeld van een in Vlaanderen te weinig voorkomend pluralisme’. Blijkbaar is die diversiteit vreemd in Vlaanderen. Achter wie zou ik me trouwens verschuilen? Want heel wat auteurs spreken elkaar tegen. Mediakritiek is geen exacte wetenschap.

“Het punt is dat deze verzamelwerken niet de waarheid claimen en dat we het oordeel aan de lezer overlaten. Meningen moeten kunnen botsen, maar daarvoor moeten ze eerst gelijkwaardig aan bod kunnen komen. Dit boek wil daar een actieve bijdrage aan leveren. En wat mijn eigen opvattingen betreft: die staan expliciet in de bijdragen die onder mijn auteursnaam geschreven zijn, dus als ik me al achter iets zou verschuilen, dan zijn het hooguit mijn eigen teksten.”

Alles bij elkaar is dit een vrij pessimistisch gesprek geworden. Ziet u ergens lichtpunten?
“Pessimistisch ben ik niet. Maar er is enorm veel ruimte voor verbetering: in mijn ogen kan de journalistiek moeilijk nog verder achteruitboeren. Ik ben ook geen naïeve optimist: er worden meer hamburgers geserveerd dan exquise hapjes, simpelweg omdat dat minder geld en moeite kost. Maar er wordt nog steeds goede journalistiek bedreven. Om goede journalistiek te maken, moeten mediabedrijven journalisten in de watten leggen, zowel statutair als structureel als financieel. Dan hoeven ze geen slippendrager te spelen voor de macht of voor het mediaconcern dat hen heeft ingelijfd.”

RektoVerso

Dit artikel is het gevolg van een samenwerking tussen Apache en Rekto:Verso.