Het internet, een pest en een zegen

6

Waar gaat het heen met de journalistiek? Naar de afgrond, zo lijkt het wel in het boek De vierde onmacht dat een hoop kritiek op de pers verzamelt. Enkele auteurs dromen van het internet als de redding voor gedegen journalistiek.

Een nieuw jaar, en dus een nieuwe agenda van de VVJ (Vlaamse Vereniging van Journalisten), tenminste voor beroepsjournalisten. Voor 2011 is het een groenachtig exemplaar, zoals altijd verlucht met illustraties van cartoonist Zak. Achteraan staan de gegevens van alle Belgische mediahuizen opgelijst. Opvallend: er is ook een pagina ‘Zuivere internetjournalistiek’. Daaronder vinden we Apache en De Wereld Morgen terug.

Mediatycoons

Pol Deltour: ‘Digitale technologie verhoogt ontegensprekelijk het democratische gehalte van het nieuwsproces’

Heerlijk. Wat doet het deugd om het adjectief ‘zuiver’ opgestempeld krijgen. Alsof er ook ónzuivere internetjournalistiek is. Of wilde de VVJ beklemtonen dat internetjournalistiek zuiverder is dan wat de klassieke media brengen? Helaas niet. Apache en consorten worden aldus omschreven omdat zij enkel een internetpoot hebben en (nog) niet in een papieren versie door het medialandschap fladderen.

Toch duiken in De vierde onmacht enkele auteurs op die het internet omarmen als een kans om weer zuiverdere journalistiek te plegen. Eén van hen is Guido Van Liefferinge, de bedenker en voormalige uitgever van bladen als Dag Allemaal, Joepie en Goed Gevoel. Van Liefferinge ziet “welmenende internetters en blogs” uitgroeien tot een ‘vijfde macht’, een “beweging die zelfs niet door de almacht van de mediatycoons zal kunnen worden gebroken”. Die vijfde macht kan niet alleen een alternatief bieden voor de gecontesteerde reguliere media, maar fungeert ook als waakhond voor de vierde macht.

Ongevoelig

N-VA-voorzitter Bart De Wever is zich eveneens bewust van de invloed die digitale media hebben. De mainstream media hebben geen sluitend monopolie meer op politieke berichtgeving, stelt De Wever vast. “Web 2.0 heeft het ritme van de politiek weliswaar weer een gradatie hoger gezet, maar het biedt ook mogelijkheden voor de kritische burger om zich te informeren en zelf inhoud te creëren op het web”, vindt de politicus. “Weliswaar staat dit nog in zijn kinderschoenen en is de politieke relevantie daarvan momenteel eerder beperkt, maar het schept onloochenbaar mogelijkheden voor de toekomst om op een andere manier aan burgerparticipatie te doen.”

De Vierde Onmacht, samengesteld door Frank Thevissen. Niet alle gastschrijvers zijn overtuigd van de deugdelijkheid van digitale media.

Pol Deltour, nationaal secretaris van de VVJ, sluit zich daarbij aan. “Digitale technologie geeft de gebruiker de mogelijkheid onmiddellijk te reageren op wat hem aangeboden wordt. Dat verhoogt ontegensprekelijk weer het democratische gehalte van het nieuwsproces”, zegt Deltour. De auteur ziet dat de meeste nieuwssites “bulken van de mediakritiek”, en vindt dat niet slecht. “Redacties houden wel degelijk rekening met die bedenkingen. Zo ongevoelig zijn journalisten niet, en bovendien is het ze ook commercieel geraden”, analyseert Deltour.

Extremistische opvattingen

Samensteller van het boek Frank Thevissen, die samen met Johan Sanctorum eerder al voorganger Media & journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht afleverde, juicht toe dat de beheersing van opinies en meningen niet langer het ‘quasimonopolie’ van traditionele mediaredacties is. “Die ervaren het internet – niet onterecht – steeds meer als een geduchte concurrent”, constateert Thevissen. “Meningen en opinies die niet tot de reguliere pers kunnen of mogen doordringen, vinden via het internet tegenwoordig een laagdrempelige uitlaatklep, maar hebben door de versnippering duidelijk met een gezagsprobleem te kampen. En hoe langer hoe meer ook met een imago- en veralgemeningsprobleem.”

Thevissen citeert tevens het standpunt van VRT-journalist Louis Van Dievel dat het internet een “verzamel- en kweekplaats van extremistische opvattingen” is. “En dus worden er op www onbelemmerd en ongeremd de meest krankzinnige ideeën en opvattingen gespuid”, aldus Van Dievel. De journalist verslikt zich haast in zijn afkeer van “intellectuele internetpiraten”, waarmee hij zijn pijlen vooral lijkt te richten op Victa placet mihi causa, de erudiete maar vaak beenharde blog van Marc Vanfraechem:

Ze bouwen hun eigen blogs, hun eigen websites. Ze geven zichzelf en hun websites Latijnse namen. Helaas worden die niet echt druk bezocht, het blijft inteelt onder vrienden. Echt bevredigend is het niet. Behept als ze zijn met de dwanggedachte dat hun mening door iedereen moet gekend zijn, stellen ze zich niet tevreden met hun eigen “platformen”, neen, ze nestelen zich als parasieten op andere forums en blogs, die in tegenstelling tot hun eigen winkel, wel druk bezocht worden. Koekoeken zijn het.’

Collectieve mening

In het voorwoord laat Luc Van der Kelen, politiek commentator bij Het Laatste Nieuws, zich eveneens laatdunkend uit over wat het internet te bieden heeft. “Laat het mij maar eens zeggen: de burgerjournalistiek is de pest van het internet. Ze bedreigt de ernstige journalistiek van professionele journalisten, naarmate hun bladen de vuiligheid op hun cover zetten of op hun website of waar ook”, schrijft Van der Kelen. “In een wereld waarin ook iedere kwaadaardige gek een fotocamera op zijn telefoon heeft staan, moet zelfs de meest mediageile politicus beginnen nadenken, als hij nog eens een camera in zijn wereld laat binnendringen.”

Veel heil ziet de journalist niet in de mogelijkheden die sociale media bieden. “Ik zie bij collega’s dat journalisten, politici en politicologen onder elkaar twitteren, dag na dag. Moeten die niet werken?”, vraagt hij zich af. “Hebben die nog een eigen mening of hebben ze alleen nog een collectieve mening? Missen ze iets in hun leven? Je zult mij nergens terugvinden op een van die sociale sites. Mijn privéleven is van mij en niemand anders. Geen Facebook, geen Twitter, geen wat weet ik ook al weer ten huize Van der Kelen.”

Konkelfoezen

Dat sociale netwerksites een journalistieke tool kunnen zijn, neemt Van der Kelen niet in overweging. Hij is ervan overtuigd dat Facebook en Twitter enkel dienen om je privéleven in de etalage te plaatsen. Maar zeker Twitter geeft journalisten de mogelijkheid om direct én in alle openbaarheid in contact te komen met collega’s, professoren, bedrijfsleiders, politici en lezers. De discussies zijn vaak stevig en de kritiek van ‘gewone’ Twitteraars zit er vaak patat op.

Luc Van der Kelen: ‘Ik zie bij collega’s dat journalisten, politici en politicologen onder elkaar twitteren, dag na dag. Moeten die niet werken?’

Frank Thevissen zelf is wel aanwezig op Facebook, maar voelt vaak enige weerzin voor wat hij daar ziet gebeuren. “Nergens komt het onderlinge geflirt tussen opiniemakers en mediafiguren uit het politieke, journalistieke en culturele netwerk zo prominent aan de oppervlakte als op Facebook”, schrijft  hij. “Als Herman Van Rompuy op 17 juli 2010 zijn via zijn Facebook-prikbord meldt: ‘Pas terug van Brasilia en São Paulo. Het volgende vliegtuig is met bestemming: vakantie,’ gaat meteen de duim van Lisbeth Imbo en Johny Vansevenant omhoog want ze ‘vinden dit leuk’.” Enige afstand is inderdaad wenselijk, maar het voordeel van Facebook is wel dat het er (betrekkelijk) transparant aan toegaat. Als politici en journalisten zitten te konkelfoezen, kijken er vaak honderden ‘friends’ mee.

Bedenkingen

Reclameman Wim Schamp gelooft er echter geen bal van dat jongeren het internet ooit gebruiken om zich te informeren over nieuws dat ertoe doet. “Hoe weten jongeren wat er in de wereld gebeurt?”, vraagt Schamp zich vertwijfeld af. “Het antwoord is dat ze daarover weinig of niets weten, ondanks de lovenswaardige inspanningen die het onderwijs zich op dat gebied getroost. Jongeren zijn vooral gefocust op ‘hun nieuws’. Dat nieuws creëren ze zelf, via hun eigen media. Die media heten Facebook en Twitter. De nieuwsstroom die zij op gang brengen, behandelt relevante onderwerpen als ‘Vanmiddag geslapen tot één uur, en jij?’, ‘Ik ben in badpak naar de les geweest’, of ‘Heb jij ook gesupporterd voor Nederland?'” Het ontgaat Schamp dat die twee sociale netwerksites intensief gebruikt worden om nieuws te delen of te ontdekken.

“Surfen op het internet gebeurt met heel andere bedoelingen dan zoeken naar informatie over wat er in de wereld gebeurt”, merkt ook voormalig VRT-journalist Walter Zinzen op. Hij heeft zijn bedenkingen bij de burgerjournalisten die bijdragen aan De Wereld Morgen. “Amateur-journalisten zou een beter woord zijn, omdat het om liefhebbers gaat die berichtjes doorsturen zonder zich al te veel om deontologie te bekommeren”, vindt Zinzen.

Kakofonie

“Anderzijds zijn het vaak burgerjournalisten die de wereld inlichten over toestanden die lokale potentaten liever in het duister verborgen houden”, nuanceert de auteur. “Amerikaanse soldaten in Irak vertelden op hun blog, mét foto’s, hoe de toestand aan het front werkelijk was. De professionele journalisten, die ‘embedded’ waren, hadden het nakijken. Het protest in Iran tegen de herverkiezing van president Ahmadinejad zou nooit in zijn volle omvang tot ons zijn doorgedrongen, als de deelnemers ons niet via hun gsm en internet met de neus op de feiten hadden gedrukt.”

Ook Zinzens oud-collega Jef Lambrecht, die een zeer verhelderende bijdrage leverde over de tijd dat Siegfried Bracke (N-VA) nog rondliep bij de VRT, kijkt met enige weemoed naar de opkomst van het internet:

Op een dag viel de chaotische kakofonie van dicterende redacteuren, schrijfmachines, ratelende en bellende telexen en rinkelende telefoons stil en schreed het internet geruisloos de gewijde stilte binnen om dit levende geheugen overbodig te maken. Het internet, een hooiberg die niet corrigeert uit eigen beweging.

Lambrecht betreurt dat de pers zijn rol van vierde macht aan het verkwanselen is, en lijkt niet te geloven dat digitale media daar iets aan kunnen doen. De waakhond, de buldog is dood, stelt de gepensioneerde journalist vast. “Het forum is weg. Het internet bestaat uit wijkpleintjes. Het heeft geen centrum. Het wordt gedomineerd door een centrifugale kracht.”

Piepkleine lezersmarkt

Guido Van Liefferinge: ‘De nieuwe online-intiatieven zijn nog te vaak in hetzelfde bedje ziek van de reguliere media waartegen ze een dam willen opwerpen’

Dirk Barrez en Han Soete, de oprichters van De Wereld Morgen, zijn er echter van overtuigd dat online media méér dan dag- en weekbladen voor onafhankelijke journalistiek kunnen zorgen. “Die media selecteren en jagen het echt belangrijke nieuws na, stellen de cruciale vragen en vormen de motor van het publieke debat over onze belangrijkste uitdagingen en de oplossingen daarvoor”, schrijven zij met enige bombast. “Dergelijke nieuwe media zullen de volgende jaren het medialandschap fors hertekenen en opnieuw democratiseren. Eén cruciale basisvoorwaarde moet dan wel zijn vervuld: die media moeten in handen zijn van hun journalisten, en geworteld zijn in en gedragen door de samenleving.”

Toch is er nog een andere basisvoorwaarde, eentje waar de redactie van Apache nogal dagelijks mee geconfronteerd wordt: ook internetjournalistiek moet betaald worden, terwijl er nog géén rendabel businessmodel is. De logistieke kosten van een site zijn vele malen kleiner dan die van een gedrukt blad dat over heel Vlaanderen gedistribueerd moet worden, maar helaas: de inkomsten zijn dat ook. Zeker in een piepkleine lezersmarkt als Vlaanderen.

Belangenvermenging

Lang kan het niet meer duren voor er een rendabel businessmodel gevonden is, hoopt Pol Deltour. “Momenteel drijft het overgrote deel van de initiatieven in de nieuwe media nog te vaak en te veel op de goodwill van enthousiaste maar onbetaalde en onderbetaalde vrijwilligers en op giften van maatschappelijk geëngageerde sponsors en gebruikers”, stelt Guido Van Liefferinge. Hij vindt dat er voldoende en stabiele financiële steun moet komen van de overheid, alsook van de lezers en van het middenveld. “Met een jaarbudget van minder dan één miljoen euro kan een nieuwssite zijn ambities waarmaken. In vergelijking met de 350 miljoen jaarlijkse overheidssteun voor de klassieke commerciële media, is dat opvallend weinig”, zegt de oud-uitgever.

Maar een businessmodel is niet de enige uitdaging. “De nieuwe online-intiatieven zijn nog te vaak in hetzelfde bedje ziek van de reguliere media waartegen ze een dam willen opwerpen (vooringenomenheid, gebrek aan onafhankelijkheid, belangenvermenging, blind corporatisme…). Het ontbreekt daardoor aan zweepjournalistiek die de sector op zijn grondvesten zou moeten doen daveren en de beroepsgroep grondig dooreen schudden”, schrijft Van Liefferinge scherp. “Professionalisering dringt zich dus op. Durf is een must om de paden van de onderzoeksjournalistiek te betreden.”

Kortom: zolang er durf is, is er hoop. Nu nog zorgen dat er geld binnenkomt.

De Vierde Onmacht, Frank Thevissen e.a., Uitgeverij Van Halewijck, november 2010, 400 pagina’s. Te koop bij Bol.com en Azur/Proxis.