Rebelse regio's (2)

11 juni 2021 Anton Jäger
Cockerill Sambre CC BY-SA 3.0 Luc Viatour
De staalfabriek van Cockerill Sambre in Luik (Foto: CC BY-SA 3.0 Luc Viatour (Wikimedia Commons))
Rebelse regio's

Dit is het tweede deel van een tweedelig essay waarin Anton Jäger de parallelle trajecten van het Noorden van Engeland en Wallonië onderzoekt, twee bakermatten van de Europese industrialisatie, maar ook probleemregio’s op de snijlijnen van klasse, natie en taal. Lees hier het eerste deel.

Het volledige essay verscheen eerder bij New Left Review.

Tom Hazeldines The Northern Question – in maart 2020 verschenen bij Verso Books – combineert een diepgaande kennis van de Britse economische geschiedenis en machtspolitiek met een hartelijk, maar nuchter inzicht in de regionale gevoeligheden van het Noorden van Engeland. Hoewel het boek over een regio gaat, is Hazeldines boek nauwelijks regionalistisch, laat staan separatistisch.

Net als het Engelse Noorden ontwikkelde het Belgische Zuiden zich tot een schoorsteenlandschap van staalfabrieken, textielfabrieken en mijnen

In plaats van over de Trent naar de citadel in Westminster te gluren, gebruikt The Northern Question het noordelijke kader voor een telescopische lezing van het Britse kapitalisme zelf – “een geografische afspiegeling van hoe Groot-Brittannië wordt bestuurd, en voor wie”. In die zin biedt het panorama van de ongelijke en gecombineerde ontwikkeling (een formule van Trotski), gezien vanuit het noorden van Engeland, ons niet alleen inzichten over Groot-Brittannië, maar over de kapitalistische wereld in zijn geheel. “Kapitalisme is ongelijke geografische ontwikkeling”, merkte de marxistische geograaf David Harvey onlangs nog scherp op.

Hoe ziet dat ‘Noorden’ van Hazeldine er dan in vergelijkend perspectief uit?

De Belgische industrialisatie

Aan de overkant van de Noordzee was België het tweede Europese land dat na Groot-Brittannië aan een vroegtijdige industriële revolutie begon. Het proces werd deels aangedreven door kapitaaltransfers uit het Engelse Noorden: de smid en gereedschapsmaker William Cockerill uit Lancashire arriveerde in Luik in 1799, toen in de Zuidelijke Nederlanden – voorheen Habsburgs kroonbezit – die onder Napoleons heerschappij waren ingelijfd bij de Franse Republiek. Cockerill vond dat de sociale voorwaarden voor de mechanisatie van de handwerkindustrie in Verviers niet zo veel verschilden van die in zijn thuisland.

Charles De Gaulle zei later graag dat België als land "uitgevonden werd door de Britten om de Fransen te ergeren". Het jongste land van Europa verenigde eveneens een rijke aristocratische klasse van grootgrondbezitters met een opkomende industriële klasse, nauw verweven rond een jong vorstenhuis, en spoedig trots op een imperium in Kongo, gebouwd op grondstofwinning. Zoals Karl Marx opmerkte in de jaren 1850 was België "het knusse, goed afgeschermde, kleine paradijs van de landheer, de kapitalist en de priester".

De Waalse industrialisatie werd gesponsord vanuit prachtige villa's in Franstalig Brussel, die opereerden via holdings, gestructureerd door gigantische investeringsbanken

De ontwikkeling van het negentiende-eeuwse kapitalisme op z’n Belgisch bood ook een parallel met de diepe regionale verdeeldheid van de Britse buur. Net als het Engelse Noorden ontwikkelde het Belgische Zuiden zich tot een schoorsteenlandschap van staalfabrieken, textielfabrieken en mijnen, de ‘industriële piste’ van de Samber-Maasvallei, die van de steenkoolbekkens van de Borinage naar Charleroi, Luik en Verviers loopt.

Ondertussen diende Vlaanderen als groot agrarisch achterland, bevolkt door boerenfamilies en dagloners, het Belgische equivalent van de interne Britse kolonie Ierland. In de jaren 1840, ingehaald door een aardappelhongersnood van Ierse proporties, en met een binnenlandse weverij die instortte onder druk van internationale concurrentie, ontlaadde het Vlaamse platteland honderdduizenden proletariërs naar de Waalse mijnen en molens. Rosa Luxemburg kon in 1904 nog spreken over Vlaamse arbeiders die "ook van hun taal beroofd waren".

Het Waalse industriële kapitaal was nooit van lokale oorsprong. In plaats daarvan werd de industrialisatie gesponsord door financiers en landeigenaren vanuit prachtige villa's in Franstalig Brussel, die opereerden via holdings die gestructureerd waren door gigantische investeringsbanken. Brussel was een administratief centrum onder de Habsburgers, goed bemand met advocaten en bankiers. De hoofdstad was, net als Londen, een in wezen kosmopolitische stad, waarvan de blik altijd naar buiten was gericht, ingebed in internationale kapitaalstromen, waardoor ze meer verplicht was aan buitenlandse debiteuren dan aan arbeiders in haar eigen achterland. Meer nog dan Londen zou Brussel gekenmerkt worden door de afwezigheid van industrie, en bijgevolg van een stedelijk proletariaat.

Afwijkende trajecten

Tegen de jaren 1960 werd de diepe Brits-Belgische divergentie ook zichtbaar. Tussen 1950 en 1985 lagen de Belgische groeicijfers 50% hoger dan die van het Verenigd Koninkrijk, vooral dankzij de lichtindustriële ontwikkeling rond Antwerpen. Toen de Britse groeicijfers zich wel herstelden, van 1985 tot 2008, was dat herstel vooral geconcentreerd in het zuidoosten, aangedreven door de inflatie van de activa- en vastgoedprijzen.

Brussel moest toezien hoe rivaal Antwerpen uitgroeide tot een multinationaal zakencentrum, terwijl de hoofdstad vooral een leverancier van regelgevende diensten werd

Nog een verder contrast: de rol die Londen speelde in Engeland kende geen parallel in België. Brussel was nooit een organisch deel van beide gewesten; vanuit Wallonië werd het gezien als een citadel van industriële uitbuiters, terwijl het voor Vlaanderen vaak instaat als ‘olievlek’ van de ‘francofonie’. In die zin kon België nooit worden ‘gebrusselliseerd’, zoals het Verenigd Koninkrijk alras ‘londoniseerde’. Integendeel: Brussel moest toezien hoe rivaal Antwerpen uitgroeide tot een multinationaal zakencentrum, terwijl de hoofdstad vooral een leverancier van regelgevende diensten werd. De Brusselaar zou Amerikaanse bedrijven hun weg wel helpen vinden in het labyrint van de Europese Economische Gemeenschap.

Terwijl de City of London zich onophoudelijk uitbreidde op basis van de euro-dollarhandel – waarin Atlantische financiers de beperkingen van het zogenaamde Bretton-Woodssysteem konden omzeilen – verdween de Belgische holdingbourgeoisie als speler. In tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk was België in staat een overbodige renteniersklasse van het toneel te verdrijven.

Mild neoliberalisme

De Waalse elite besloot om met de stroom mee te zwemmen. Tijdens de crisisjaren van de jaren 1970 plukten ze aan het karkas van de eenheidsstaat en zorgden ze voor noodfinanciering voor Wallonië. In de jaren 1980 probeerde de Waalse socialistische leider André Cools de regionale achteruitgang tegen te gaan door de intercommunales te bevorderen: lokale raden zouden gezamenlijk openbare diensten kunnen beheren en sociale rechten garanderen.

De chaotische Belgische staatsstructuur bezorgde Franstalige socialisten vetorecht over een neoliberale revolutie vanuit het exportgeoriënteerde Vlaanderen

Daar lag het tweede grote verschil tussen de postindustriële status van Wallonië en die van het noorden van Engeland. Tegenover het offensief van Margaret Thatcher was het neoliberale medicijn van haar Belgische bewonderaar Wilfried Martens relatief mild. De katholieke partijleider werd gedeeltelijk tegengehouden door interne oppositie in vakbondsvleugel van de CVP. Het federalisme hielp zeker mee om de klap op te vangen, zij het meer door wat Hegel een “list van de onrede” zou noemen: de chaotische Belgische staatsstructuur bezorgde Franstalige socialisten vetorecht over een neoliberale revolutie vanuit het exportgeoriënteerde Noorden, ondanks de grotere stemkracht van de Vlamingen.

Daarom bleek het in België ook gemakkelijk om oude corporatistische structuren in stand te houden: vakbondscontrole op de financiën van de sociale zekerheid, gedwongen sociale onderhandelingen, loonindexering, royale verzekeringsmechanismen. In een klein land met een relatief goed georganiseerde arbeidersklasse – in 2019 was meer dan 50% van de werkende Belgen lid van een vakbond – was Thatchers Blitzkrieg op de mijnwerkers nooit een optie. In tegenstelling tot Italië of Frankrijk waren Belgische elites ook minder happig om de Europese Unie in te zetten als kapitalistisch paard van Troje. Die optie vergde hoe dan ook een grotere eensgezindheid in Brussel, iets wat België’s verdeelde elite nooit kon opbrengen.

Wilfried Martens en Margaret Thatcher tijdens een Europese Raad in Maastricht in 1981 (Foto: Nationaal Archief van Nederland (Wikimedia Commons)
Wilfried Martens en Margaret Thatcher tijdens een Europese Raad in Maastricht in 1981 (Foto: Nationaal Archief van Nederland (Wikimedia Commons))

Geen redding

Vlaanderen werd natuurlijk de gelukkigste erfgenaam van de Belgische boedelscheiding. Zowel de haven van Antwerpen als de Brusselse agglomeratie zijn domeinen waar buitenlandse bedrijven het voor het zeggen hebben, 'gefaciliteerd' door Vlaamse en lokale overheden. Pogingen om een Vlaams-separatistisch project een echte politiek-economische diepgang te geven, blijven op zijn best ademloos, meestal zijn het listen om extreemrechts in de regio te normaliseren.

België is zeker geen sociaal paradijs, onaangetast door de neoliberale draai, maar het heeft wel weerstand geboden aan veel van de trends die landen in de ontwikkelde wereld hebben getekend

Engelse noorderlingen hebben ongetwijfeld redenen om jaloers te zijn op hun Waalse neven. Hoewel ze hetzelfde postindustriële lot zijn ondergaan, heeft de de-industrialisatie in België de arbeidersklassen minder bestraffend behandeld. Het huidige België is zeker geen sociaal paradijs, onaangetast door de neoliberale draai. Maar het heeft weerstand geboden aan veel van de trends die landen in de ontwikkelde wereld hebben getekend en kan bogen op een betere Gini-coëfficiënt dan vele vroege industrielanden.

Brits-Belgische verschillen moeten echter ook niet overdreven worden. Terwijl Groot-Brittannië zes van de tien armste regio's in Noordwest-Europa telt, zijn de Waalse gewesten Henegouwen, Luik en Charleroi er nauwelijks beter aan toe. En net zoals Zuid-Yorkshire slechts een paar uur van het centrum van Londen ligt – nog steeds het rijkste district van Europa – zo ligt Luik ook opvallend dicht bij belastingparadijs Luxemburg.

De federalisering heeft Wallonië geholpen, maar nauwelijks gered. De film van de broers Dardenne, met hun focus op 'armoede' in plaats van klasse, biedt een esthetische ruggensteun voor een PS-project van federaal gefinancierde regionale armoedebestrijding voor het zuiden dat de hoop op herindustrialisatie helemaal heeft opgegeven. Het oeuvre van de Dardennes, van Rosetta tot Deux jours, une nuit, staat in schril contrast met de scherpe klassenconfrontaties die verbeeld werd in Misère au Borinage van Henri Storck en Joris Ivens.

Onder de zogenaamde 'communautaire' Belgische crisis smeult niet alleen een medische of logistieke, maar vooral een politieke crisis, die de Belgische partijdemocratie op haar grondvesten doet daveren

Vlaamse neoliberalen blijven nog altijd hopen op een separatistische vrijhandelsdoorbraak, waarna de 'beste leerling van de Belgische klas' het kan opnemen tegen concurrenten in Polen of Letland. Het mocht alsnog niet baten: anno 2021 is de Belgische staat er nog steeds. Er dient gezegd dat de regionale respons op de coronacrisis net zo rampzalig was als de federale. Onder de zogenaamde 'communautaire' crisis van België smeult niet alleen een medische of logistieke, maar vooral een politieke crisis, die de Belgische partijdemocratie op haar grondvesten doet daveren.

Het Britse verval

Er volgen dus wat harde vragen. Zoals uit het Waalse voorbeeld blijkt, gaat achter de kwestie van de regionalisering de meer intimiderende kwestie van de kapitaalinvesteringen schuil. Het Engelse Noorden heeft nooit een ‘staat’ verworven die het letterlijk ‘in staat’ zou stellen een behoorlijke lokale ontwikkelingsstrategie te beoefenen; het werd in plaats daarvan gedwongen tot een amorfe vorm van rebellie, binnen een topsy-turvy electorale geografie die nooit een platform voor regionaal bewustzijn heeft geboden.

Een blik op postindustriële regio's die deze vorm van staatsburgerschap wel verkregen, is verre van geruststellend. In 2016 oogstte Paul Magnette nog applaus van Europees links voor zijn weerstand tegen het CETA-akkoord. Deze verzetsdaad verborg de structurele afhankelijkheid van het Waalse Gewest van de Vlaamse transfers, die in het kielzog van de federalisering pijlsnel zijn gegroeid. Achter dit alles gaat de seculiere neergang van de Waalse industrie schuil, die niet kon profiteren van de havenindustrie en buitengesloten werd van de Duitse exportboom.

In het Verenigd Koninkrijk leidde de nederlaag van Labour in 2019 wel tot een heropleving van oude eisen: proportionele vertegenwoordiging en constitutionele conventies, samen met sterker regionale bewustzijn. Jeremy Corbyn gaf altijd aan dat hij bereid was om binnen de parameters van het Westminster-systeem te spelen. In het kielzog van de Brexit lijkt de voltooiing van een uitgestelde modernisering van de Britse politiek, à la Paul-Henri Spaak, steeds onwaarschijnlijker. In een wereld waarin modernisering gewoon het synoniem is geworden voor meer ‘neoliberalisering’, lijkt het nieuwe slechts de laatste versie van het oude – de 'gotische fantasie.’

Britse regionale ongelijkheid heeft minder te maken met premoderne achterlijkheid dan met de logica van het kapitalisme zelf

Wat is dat oude? Reeds in 1991 bekritiseerde Ellen Meiksins Wood het idee dat het Verenigd Koninkrijk de moderniteit had gemist. Het Britse verval was het perfecte embleem van de kapitalistische ontwikkeling, geen afwijking van de mediaan. Een essentieel gevolg van de stellingen was volgens haar dat andere, zich laat ontwikkelende kapitalistische landen niet aan dezelfde stoornissen onderhevig waren omdat zij 'moderner' waren en hun burgerlijke revoluties 'vollediger' hadden voltrokken. Groot-Brittannië was een distillaat van de kapitalistische geschiedenis, geen Sonderweg daarin. In haar lezing leek de neiging om "de mislukkingen van het kapitalisme toe te schrijven aan zijn onvolledigheid, of aan de achterlijkheid van zijn politieke en culturele omgeving, ook te berusten op twijfelachtige veronderstellingen over zijn economische logica: "het kapitalisme is blijkbaar van nature productief". Vandaag de dag zal zelfs een snelle blik op Thomas Piketty ons van dergelijke illusie ontdoen. Wood is helder: Britse regionale ongelijkheid heeft minder te maken met premoderne achterlijkheid dan met de logica van het kapitalisme zelf.

De historicus Perry Anderson antwoordde dan weer op Wood dat vergelijkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en België aantonen dat "eenzelfde begin een verschillend einde kan hebben" en dat "nationale lotsbestemmingen niet altijd in industriële geboortecertificaten zijn vastgelegd”.

Iedereen die de carrières van Europa's vroege industriële naties met een koude blik bekijkt zou het daarmee eens moeten zijn. Maar geboortecertificaten zijn nog geen executiebevelen. Net als het Noorden had Wallonië tientallen jaren nodig om hun op koolstof gebaseerde industrie op te geven. Onderweg wist het de kapitalistische zwaartekracht te trotseren en federale onafhankelijkheid te verkrijgen. Vrijspraak was echter nooit een optie, en de regionalisering van België heeft de Waalse afhankelijkheid binnen het Belgisch huwelijk alleen maar verergerd. De trage neergang van de Britse industrie kan worden toegeschreven aan een mislukte modernisering – een Engelse Spaak ontbrak, maar het land ging ook gebukt onder het slopende succes van de City. Een soort federalisme dat door Brits links als een teken van vooruitgang zou kunnen worden beschouwd, heeft Wallonië behoed voor de somberste vormen van stagnatie.

Een antwoord op welke vraag?

De Waalse proto-staat blijft dus het product van een pyrrusoverwinning: de globalisering is niet tot stilstand gebracht en Belgische bedrijven moeten nog steeds concurreren in een vijandige wereldeconomie.  Regionalisering schermde de Waalse arbeiders af van de globalisering, voor zover de politieke klasse kon dreigen de grondwettelijke stekker uit het systeem te trekken als het Noorden ooit zijn solidariteit opgaf. Maar juist deze tactiek vermeed de vraag naar systemische verandering in Wallonië – zoals het ‘Marshall-plan’ voor Wallonië dat Antoon Roosens ooit voorstelde.

Een echte oplossing voor het noordelijke probleem impliceert een oplossing voor dat andere, nog hardnekkigere vraagstuk: het kapitalisme zelf

Er wordt vaak beweerd dat een gefederaliseerd Verenigd Koninkrijk links meer middelen zou bieden om hun kapitalistische klasse te bedwingen. Maar zonder het fiscale gewicht van de Westminster-staat, bevrijd van grondwettelijke beperkingen, zal het moeilijk zijn om het Britse kapitaal te verplichten om voor zijn achterland te voorzien. Vraag het maar aan de Waalse PS.

Eenzelfde verhaal vinden we bij Hazeldine. Zonder externe dwang keerde het naoorlogse Britse kapitaal terug naar zijn aloude renteniersmodus: het hernam zijn positie als de trans-Atlantische casino-eigenaar. Argumenten voor een economisch nationalisme drongen nooit door tot de heersende klasse in Groot-Brittannië. Een industriële motor, zo wisten zij, impliceerde altijd dat de machinist op de rem kon trappen, en dat mocht niet. Rentierism, met de City als 's werelds geldbeheerder zou te verkiezen blijven boven industriële onafhankelijkheid.

Dat is nu eenmaal een oude kapitalistische reflex – niet een fout ‘pseudo-nationalisme’. Elke kapitalist wil aristocraat worden, zoals de historicus Immanuel Wallerstein ooit aangaf. Meer dan het symptoom van een onverwerkte moderniteit, wijst de Britse noordelijke kwestie op de inertie van elke kapitalistische orde, die terugvalt op haar veilige plekjes wanneer overcapaciteit of proletarisch militarisme haar winstmarges bedreigen. Vlaanderen kon op deze overgang inspelen door zich op te werpen als herder en waakhond voor Amerikaanse multinationals. Maar zoals de zusterregio's Luik, Pittsburgh en Detroit illustreren, impliceert een echte oplossing voor dat noordelijke probleem een oplossing voor dat andere, nog hardnekkigere vraagstuk: het kapitalisme zelf.

LEES OOK