Stikstof: de onzichtbare vijand voor mens en milieu

14 oktober 2020 Berber Verpoest, Steven Vanden Bussche
DCIM/100MEDIA/DJI_0035.JPG
(Foto: © Berber Verpoest)

Dit achtergrondartikel maakt deel uit van de reeks 'Geen kip te zien en toch zijn er te veel'. Het artikel beschrijft een afwijking in de stikstofregeling die de vorige Vlaamse regering invoerde: activiteiten die minder dan 5% stikstof uitstoten van wat een natuurgebied aankan, kunnen vergund worden. Die regel werd recent omstandig tegengesproken door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Verwacht wordt dat het precedent navolging zal krijgen en niet alleen voor vergunningsaanvragen van landbouwprojecten.

Momenteel lopen nog twee vergunningsdossiers voor grootschalige kippenstallen in Wuustwezel, nadat het gehucht Braken het voorbije decennium alleen al 26 nieuwe stallen te verwerken kreeg.

Nadat het gemeentebestuur in beroep ging bij minister Demir, zwakte Kippenkweker Van Gils-Aernouts LV recent wel een vergunningsaanvraag af van 202.000 tot 168.000 kippen voor een stal. Aan de rand van het natuurgebied De Maatjes wil kweker Keysers LV ook twee stallen bouwen voor in totaal 180.526 kippen. Op Ravels na, heeft geen enkele andere Vlaamse gemeente zoveel kippen als Wuustwezel.

Sinds 2003 moeten kippenstallen ammoniakemissiearm zijn. Uit cijfers van de Mestbank blijkt dat iets meer dan 40% van de vleeskippen in dergelijke stallen wordt gehouden.

Die kippen produceren mest en dat heeft schadelijke gevolgen. Door de vermenging van feces en urine ontstaat ammoniak (een verbinding tussen stikstof en waterstof). Door oxidatie in de lucht en in de bodem (na het uitrijden van mest) wordt ammoniak omgezet in salpeterzuur, wat leidt tot verzuring.

Daarnaast leidt te veel ammoniak tot vermesting, met een negatief effect op de biodiversiteit. Ammoniak leidt ook tot secundair fijn stof en dat is schadelijk voor de menselijke gezondheid.

Na een literatuurstudie van de West-Vlaamse Milieufederatie (WMF) over de impact van veestallen op de menselijke gezondheid, raadde ILVO onder meer aan om onderzoek te doen of er interacties optreden tussen ammoniak en andere verbindingen.

De hoogst gemeten en gemodelleerde ammoniakconcentraties bevinden zich in regio’s met intensieve veeteelt, zoals het centrale deel van West-Vlaanderen, het noorden van de provincie Antwerpen (Kempen) en het noordoosten van Limburg. Dat tonen cijfers van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Ook in Wuustwezel is dat het geval.

De hoogst gemeten en gemodelleerde ammoniakconcentraties bevinden zich in regio’s met intensieve veeteelt

Een flink stuk van die gemeente ligt in Vogelrichtlijngebied en overlapt (deels) met Habitatrichtlijngebied. De Habitatrichtlijn legt lidstaten op om bepaalde soorten natuur in een gunstige toestand te krijgen (of te behouden).

Significant

Voor verschillende soorten milieudruk wordt de draagkracht van de natuur aangeduid met een zogeheten 'kritische depositiewaarde' (KDW). Voor alle types natuur die beschermd worden door de Europese habitat- en vogelrichtlijn - ook wel Natura 2000-gebieden of Speciale Beschermingszones (SBZ) genoemd - werd een KDW vastgelegd.

De KDW geeft bijvoorbeeld voor stikstof aan welke hoeveelheid er mag neerkomen op een bepaald type natuur zonder dat er ‘significante’ negatieve langetermijneffecten zijn voor deze natuur. Voor niet-Europees beschermde natuur gelden die grenswaarden niet.

De meest gevoelige natuur in Vlaanderen heeft een KDW van 6 kilogram stikstof per hectare per jaar. De minst gevoelige natuur (die ook wel gevoelig is aan stikstofdepositie) heeft een KDW van 32 kilogram stikstof per hectare per jaar. De stikstofneerslag in Vlaanderen bedraagt gemiddeld 23,4 kilogram per hectare. Voor heide, een typisch habitattype uit de Noorderkempen, is de KDW 15 kilogram stikstof per hectare per jaar.

Jaargemiddelde depositie van reactieve stikstof (in kgN/ha/jaar) voor het jaar 2017 in de gemeenten Hoogstraten en Wuustwezel. (Screenshot VITO-studie Modellering luchtkwaliteit en depositie voor stad Hoogstraten en Wuustwezel)
Jaargemiddelde depositie van reactieve stikstof (in kgN/ha/jaar) voor het jaar 2017 in degemeenten Hoogstraten en Wuustwezel. (Screenshot VITO-studie Modellering luchtkwaliteit en depositie voor stad Hoogstraten en Wuustwezel)

Afwijking

Binnen de huidige Programmatische Aanpak Stikstof (PAS-regeling) wordt een stikstofneerslag onder de grens van 0,3 kilogram per hectare per jaar als 'niet significant’ beschouwd. De regelgeving voorziet namelijk een afwijking voor 5% van de last die een Europees beschermde habitat kan dragen.

Waarom er nog vergund kan worden in gebieden waar vaststaat dat er ernstige overschrijdingen zijn, heeft te maken met de afwijkingsmogelijkheid die de vorige Vlaamse regering vastlegde.

“Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat minder is dan 5%, dan wordt beoordeeld dat deze bijdrage 'niet significant' is, zo staat in de omzendbrief waarin de toenmalige minister uitlegt hoe er wordt omgegaan met de regelgeving”, zegt Jeroen Nachtergaele afdelingshoofd bij het Agentschap voor Natuur en Bos.

“Ik weet dat het significantiekader, en dus ook de 5% drempel, in het kader van de MER voor de Programmatische Aanpak Stikstof onder de loep wordt genomen, maar tot nader order wordt het huidige significantiekader gebruikt bij advies- en vergunningsverlening.”

Milieujurist Hendrik Schoukens (UGent): 'Een gebied gaat niet plots verslechteren door die ene kleine depositie toe te staan'

Er is een probleem met die 5%-norm, legt milieujurist Hendrik Schoukens (UGent) uit. “Het grote argument is altijd dat een gebied niet plots gaat verslechteren door die ene kleine depositie toe te staan. Het probleem is wel dat de Habitatrichtlijn zegt dat je elk plan en project toetst aan de instandhoudingsdoelen van het gebied. Daarbij wordt niet alleen gekeken hoe het plan zich verhoudt ten overstaan van de bestaande kwaliteit, maar ook de toekomstige. Dan maken die overschrijdingen wel een verschil uit.”

"Als er kritische depositiewaarden worden overschreden, neem ik ook aan dat er hersteldoelen worden voorzien. Stel dat daarin gestreefd wordt naar stikstofreductie, dan wordt dat problematisch wanneer je blijft vergunnen. Door alsmaar meer vervuiling toe te staan, wordt herstel op de lange baan geschoven", zegt milieujurist Schoukens.

Hendrik Schoukens: 'Door alsmaar meer vervuiling toe te staan, wordt herstel op de lange baan geschoven'

Bij hervergunningen of uitbreidingen geldt dezelfde vrijstelling voor een grootschalige studie (passende beoordeling), zelfs wanneer het neerslagaandeel tot 50% van de kritische depositiewaarde gaat. Voorwaarde is wel dat de totale uitstoot niet stijgt tegenover de huidige vergunde situatie.

Ook de wetenschappers van het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek (VITO) zijn tussen de regels door kritisch over de ondergrens die in de Vlaamse regelgeving sloop. “Het is belangrijk om erop te wijzen dat in Nederland deze nulwaarde als veel lager ingeschat wordt”, staat er in een recent rapport over de luchtkwaliteit in Wuustwezel en Hoogstraten.

“Nederland zit in een economisch lockdown wat betreft stikstofdepositie”, zegt Schoukens. “Qua depositieniveau zijn Vlaanderen en Nederland nochtans gelijkaardig, maar in Vlaanderen is er totaal geen urgentie rond dat thema. Er is ook nog geen operationele PAS. Het enige wat men doet is een soort van voortoets.”

Voortoets

De gebruikte methodiek 'voortoets' is een eerste inschatting van de effecten. Die voortoets geeft aan wat de zone is waarbinnen effecten kunnen volgen en waar een mogelijks ‘betekenisvolle’ aantasting van de natuur kan ontstaan. Die voortoets houdt wel enkel rekening met emissies van het bedrijf. Als blijkt dat er wel een mogelijk risico is, dan onderzoekt men via een theoretisch model (‘impactscoretool’) of de impact al dan niet betekenisvol is. Ligt er echter geen Europees beschermde topnatuur in die zone, dan moet er geen ‘passende beoordeling’ opgemaakt worden.

Overigens worden ook in Duitsland iets lagere drempels aanvaard, merkt Schoukens op. “Daar is men wel voorwaardelijk soepeler en is de situatie bovendien veel minder dramatisch. Afwijkingen kunnen er enkel maar voor zover er een aanpak voorligt die scherpe reducties impliceert. Daar knelt het schoentje in Vlaanderen, waar men met de 5%-drempel alleen maar probeert te verzachten.”

Nochtans is de situatie in Wuustwezel en Hoogstraten ernstig. In het grootste deel van Wuustwezel en Hoogstraten wordt een stikstofdepositie becijferd van meer dan 30 kilogram per hectare per jaar. Met andere woorden: bijna de hele gemeente krijgt een overmaat aan stikstof te verwerken en de overschrijdingen in beschermde habitats zijn vaak heel groot.

Het is net door de achterpoortjes in de wetgeving dat landbouwbedrijven erin slaagden om (tot voor kort) vlot vergunningen te krijgen om stallen te bouwen tot dichtbij natuurgebieden. Nochtans is het Agentschap Natuur en Bos heel duidelijk in haar eigen ‘praktische wegwijzer’ voor wie een omgevingsvergunning wil aanvragen. “Indien de actuele milieudruk hoger is dan de KDW, mag de huidige milieudruk in principe niet verder toenemen", staat er te lezen.

DCIM/100MEDIA/DJI_0035.JPG
(Foto: © Berber Verpoest)

De Habitatrichtlijn - in Vlaanderen vertaald als het Natuurdecreet - laat nochtans weinig ruimte voor interpretatie. Er staat duidelijk dat lidstaten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats én die in de speciale beschermingszones niet verslechteren. Er moet ook een passende beoordeling gemaakt worden voor elk plan of project, dat niet direct verband houdt met een gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten gevolgen kan hebben.

Niet verslechteren

De situatie mag dus niet verslechteren. De cijfers die in de recente luchtkwaliteitsstudie in detail uitgewerkt worden, geven tegenstanders en overheden munitie. “Deze richtlijn kan, samen met de conclusies van deze studie, een richtsnoer zijn om de vergunningen te beoordelen en de beleidsplannen op te stellen”, zeggen de VITO-onderzoekers.

Toch is de praktische uitwerking niet zo eenvoudig. Voor ieder project of plan is een bewijs nodig dat het betrokken gebied niet aangetast wordt. Bovendien hebben de strikte regels enkel betrekking op de speciale beschermingszones (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden) en dus niet de ‘andere’ natuur. Terwijl het duidelijk is dat de verstoring van het hele gebied heel hoog is.

“Het is dan ook logisch om te stellen dat iedere extra verstoring van het gebied, hoe klein ook, problematisch is”, zeggen VITO-onderzoekers. “Vergunningen zouden in deze logica dus alleen toegekend kunnen worden wanneer de druk op het natuurgebied nergens stijgt (hoe weinig ook) omdat alleen dan de zekerheid gegeven kan worden dat deze vergunning het betrokken gebied niet schaadt.”

Vlaanderen wil de depositie van stikstof in speciale beschermingszones bron- en effectgericht tegengaan

Samen met het aspect van geurhinder is dat een extra element om aan te geven dat bijkomende vergunningen in deze regio heel moeilijk zijn, zeggen de VITO-wetenschappers.

Het afzetten van stikstof in speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden of Habitatgebieden) maakt de realisatie van natuurdoelen moeilijk of zelfs onmogelijk, stelt Vlaanderen over de Natura 2000-gebieden. Net daarom werd de (voorlopige) Programmatische Aanpak Stikstof in het leven geroepen.

Stikstofdeposities (vooral in de lucht) moeten stelselmatig teruggedrongen worden. Habitattypes die er gevoelig voor zijn moeten namelijk tegen 2050 in een gunstige staat van instandhouding verkeren en verdere achteruitgang moet vermeden worden. Vlaanderen wil de depositie van stikstof in de speciale beschermingszones zowel brongericht (aan de uitstootzijde, bijvoorbeeld stallen) als effectgericht (gevolgen van de stikstofafzet in kwetsbare vegetaties) tegengaan.

Cumulatieve effecten

De Europese Habitatrichtlijn stelt dus dat beschermde Europese habitats er niet op achteruit mogen gaan en dat men impactanalyses moet maken op basis van de gecumuleerde effecten. Dat besluiten ook de onderzoekers van VITO: “(…) Het is noodzakelijk om bij de analyse van een vergunningsaanvraag voor de gebieden waarop de invloed van de nieuwe vergunning significant zou zijn de effecten van de reeds toegekende vergunningen op die locatie op te tellen. Op die manier krijgt men een totaalbeeld.”

Effecten worden echter niet altijd opgeteld, hekelt Natuurpunt. “Bij deze effectenbeoordeling moet rekening gehouden worden met cumulatieve effecten van bestaande en geplande activiteiten”, argumenteert Stan Geysen van Natuurpunt in een beroepsprocedure op een betwist positief advies van het ANB.

Jeroen Nachtergaele (ANB): 'De cumulatieve impact wordt meegenomen, maar het is niet altijd evident om de vergunde en de vergund geachte situatie in kaart te brengen'

Dat is volgens hem in strijd met zowel Habitatrichtlijn (art. 6, lid 3) als het decreet Natuurbehoud (art. 36, lid 3), die zeggen dat een passende beoordeling vereist is voor elk plan, programma of vergunningsplichtige activiteit, waardoor een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan worden veroorzaakt.

“De cumulatieve impact wordt meegenomen, maar het is niet altijd evident om de vergunde en de vergund geachte situatie in kaart te brengen”, zegt Jeroen Nachtergaele van ANB. “Wanneer we enkel kijken naar de cumulatieve effecten, hebben we maar de helft van het verhaal, want ook de achtergronddeposities moeten meegenomen worden.”

Net vanwege dat laatste is een berekening van cumulatieve effecten weinig zinvol, zegt ANB. Dat komt door de hoge achtergronddeposities en de afstand waarbinnen effecten van individuele bedrijven doorwerken. “De actuele milieudruk is zelf de resultante van de reële cumulatieve effecten en ze benadert deze dus veel dichter dan mogelijk is via een doorrekening van de cumulatie met een selectie aan vergunningen,” klinkt het.

Vergunningsstop

“Als we de voorlopige Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) niet hadden, en de vergunningen één op één zouden bekijken, dan was er de facto een vergunningsstop”, zegt Jeroen Nachtergaele. “Maar de PAS bekijkt de stikstofproblematiek in een programma waarbij zowel huishoudens, industrie als landbouw doelen opgelegd kregen. Het klopt voor landbouw, met zijn ammoniak-emissies, dat de depositie van stikstof eerder op korte afstand valt, en dat er dus meer directe oorzaak-gevolg relatie is.”

Hendrik Schoukens: 'Voor een natuurgebied en ecosysteem telt het totaalplaatje en niet zozeer de naam van de indiener en het feit dat hij al dan niet aparte vergunningen heeft'

De voorlopige PAS zal allicht eind dit jaar tot een definitieve regeling leiden. Net door de nulgrens te verschuiven, krijgen zelfs vergunningsaanvragers in gebieden waar al ernstige overschrijdingen zijn in de achtergrondwaarden, de mogelijkheid om een positief advies van het Agentschap voor Natuur en Bos te krijgen. Dat er dan geen rekening gehouden wordt met de cumulatieve impact, stoot natuurbeschermers tegen de borst.

“Er zijn een aantal recente uitspraken van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad van State die pleiten voor een integrale aanpak. Men lijkt zich dus minder te scharen achter het idee om de aanvragen op te delen. Dit sluit ook aan bij de wetgeving rond de Habitatrichtlijn”, zegt milieujurist Hendrik Schoukens.

“Je moet enerzijds een optelsom maken van alle hinder die je veroorzaakt als economisch geheel. Anderzijds is er de vraag van de milieugebruiksruimte. Voor een natuurgebied en ecosysteem telt net het totaalplaatje en niet zozeer de naam van de indiener en het feit dat hij al dan niet aparte vergunningen heeft. In die zin is het dan ook logisch dat je kijkt naar het geheel", besluit Schoukens.

In hun beleidsaanbevelingen zijn de wetenschappers duidelijk. Emissiearme stalsystemen reduceren de uitstoot per dier en hebben vaak ook een gunstige uitstoot op geuremissies. "De belangrijkste maatregel die echter genomen kan worden in de reductie van de emissies is het reduceren van het aantal dieren", klinkt het helder.

 

Dit achtergrondartikel maakt deel uit van de reeks Geen kip te zien en toch zijn er te veel.

Dit onderzoeksartikel kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

Uitgelichte afbeelding: © Berber Verpoest

LEES OOK