De Antwerpse roots van het Palestijns-Israëlisch conflict

17 mei 2018 Georges Timmerman
5e62bfdcb193cc7d7e2173121219d7698ee0d4a8135dfcd250cb925b8ff2ea31
De socialist Camille Huysmans, Antwerps burgemeester van 1933 tot 1940 en van 1944 tot 1946, werkte in de jaren '30 mee aan clandestiene zionistische wapentransporten naar Palestina. (Foto: Pot, Harry / Anefo, rechtenvrij)

Het Belgische stoomschip Leopold II vertrok op 21 september 1935 vanuit de Antwerpse haven met bestemming Alexandrië, Jaffa, Haïfa en Beiroet. In het ruim lagen meer dan vijfhonderd vaten White-Star cement, geleverd door een Belgische verkoper van bouwmaterialen en bestemd voor de joodse handelaar Isaac Katan in Tel Aviv - een onbestaand personage, zoals later zou blijken.

Cement Incident

Op 16 oktober arriveerde het schip in Jaffa. Omdat de haven daar te ondiep was, werd de lading op zee overgeladen op kleinere bootjes. Bij het lossen tuimelde per ongeluk één van de vaten op de kade en brak open. Er bleek niet alleen cement in te zitten, maar ook wapens en munitie (1).

Het Criminal Investigation Department (CID) van de Britse politie in Palestina werd ingeschakeld en ontdekte dat in 359 van de 537 vaten wapens en munitie verborgen zaten, verpakt in blikken cilinders die met een houten geraamte op hun plaats werden gehouden in het cement.

De Britse politie nam in totaal 25 machinegeweren, 800 geweren en revolvers, en 400.000 kogels in beslag. Het ging om wapens van Belgische makelij, gefabriceerd door de firma's Francotte in Herstal en Fabrique Nationale d'Armes de Guerre in Luik.

Haganah_fighters_-_1947
Leden van de Haganah tijdens gevechten in 1947 (Foto: Wikimedia Commons)

Op het moment dat de smokkelwaar werd ontdekt, was de Leopold II alweer vertrokken naar Haïfa. Daar werd het schip de volgende dag onderschept door de Britse politie. De Antwerpse kapitein en zijn bemanning werden ondervraagd, maar wisten van niets en gingen vrijuit. Isaac Katan, de fictieve bestemmeling in Tel Aviv, werd natuurlijk nooit gevonden. Er volgde geen enkele arrestatie.

De zaak werd berucht als het Cement Incident. De affaire veroorzaakte nauwelijks een rimpel in België, maar had wel zware politieke gevolgen in Palestina. De spanning tussen de inheemse Arabische bevolking en het groeiende aantal joodse kolonisten was er al te snijden.

Het was bovendien een publiek geheim dat de Haganah, de ondergrondse militaire organisatie van de zionisten, al sinds 1929, na de eerste gewelddadige rellen met de Palestijnen in Jeruzalem, probeerde om wapens het land binnen te smokkelen.

'België was destijds een van de plaatsen waar de Haganah zich bevoorraadde met wapens, lichte mitrailleurs, geweren, pistolen en munitie'

Het cementincident kreeg bijgevolg grote weerklank in de Arabische pers, die hierin het bewijs zag dat de joodse kolonisten zich op grote schaal bewapenden en aanstuurden op een oorlog met de lokale Arabische bevolking. Omdat de Britse autoriteiten niemand hadden kunnen arresteren, kregen ze het verwijt medeplichtig te zijn of de wapensmokkel ten minste oogluikend toe te staan.

De Palestijnen reageerden met betogingen, proteststakingen, gewelddadige tegenacties en de oprichting van de Zwarte Hand, de allereerste gewapende Palestijnse verzetsbeweging (2).

Spoor naar Suikerrui

Op 24 oktober 1935 stuurde het Criminal Investigation Department (CID) een als 'geheim' geclassificeerd rapport over het Cement Incident naar het parket van Antwerpen, zo blijkt uit archiefstukken.

Het rapport bestond uit een beschrijving van het Britse onderzoek naar de smokkeloperatie én een lijst met de serienummers van de in beslag genomen wapens. Op basis van die gegevens begon het Antwerpse parket een onderzoek.

De gerechtelijke politie ondervroeg om te beginnen Gustaaf Barwart, de man die de lading cement had gekocht. "Ik heb die aankoop gedaan op vraag van een zekere mijnheer Houry", verklaarde Barwart. "Hij is de agent voor Europa van de firma Halil Serouiy in Beiroet. Mijnheer Houry zei dat hij belangrijke zaken deed in Engeland, Nederland en andere landen in Europa en slechts zelden in Antwerpen verbleef." (3)

Het cement, dat zoals gebruikelijk was verpakt in papieren zakken van 50 kilo, werd geleverd in een magazijn in de Wapenstraat op het Antwerpse Zuid, dat gehuurd werd door ene Firmin Blondeel. Alweer in opdracht en volgens de instructies van Houry had deze handlanger het cement overgeladen in ijzeren vaten van 180 kilo. Dat was zogenaamd nodig om beschadiging tijdens het transport te vermijden.

'De betrokken Belgische wapenfabrikanten bevestigden aan de politie dat ze de in Palestina in beslag genomen wapens wel degelijk hadden verkocht en geleverd'

Maar in het magazijn werden ook de blikken cilinders en houten geraamten, die de cilinders op hun plaats moesten houden, in de vaten geïnstalleerd. De gevulde vaten werden vervolgens overgebracht naar weer een ander magazijn aan de Jordaenskaai, dat gehuurd werd door Willem Nelissen. Hij was een medewerker van Louis Van Cauwenberghe, de eigenaar van een wapenwinkel op de Suikerrui in Antwerpen. Die wapenhandelaar werd op 2 oktober 1936 gearresteerd en op de rooster gelegd.

De betrokken Belgische wapenfabrikanten hadden ondertussen aan de politie bevestigd dat ze de in Palestina in beslag genomen wapens wel degelijk hadden verkocht en geleverd aan Van Cauwenberghe. Een deel ervan werd ook teruggevonden in zijn boekhouding. Maar de wapenhandelaar werkte niet mee aan het onderzoek: hij zweeg als vermoord.

Op 11 januari 1937 werd Van Cauwenberghe door de correctionele rechtbank van Antwerpen veroordeeld wegens valsheid in geschrifte en illegale wapenhandel. Hij kreeg twee maanden gevangenisstraf en een boete. Zijn medeplichtigen Barwart en Blondeel werden vrijgesproken. Nelissen kreeg later, op 24 november, ook een celstraf van vijftien dagen.

De Belgische tak van het netwerk leek daarmee uitgeschakeld. Bleef de vraag: wie was de mysterieuze mijnheer Houry, de opdrachtgever van de hele operatie? Getuigen beschreven hem als "iemand van het oosterse type, ongeveer veertig tot vijfenveertig jaar oud, Franssprekend met een licht buitenlands accent, steeds onberispelijk gekleed, een mijnheer die zich altijd met de auto verplaatste".

Dat was alles wat de politie over hem te weten kwam. De man bleef onvindbaar. Het Antwerpse parket vroeg voor alle zekerheid aan de Belgische Staatsveiligheid of Houry bekend was bij hun dienst. Het antwoord was negatief: nooit van gehoord.

Schatbewaarder

In de loop van 1937, twee jaar na het cementincident en terwijl het gerechtelijk onderzoek tegen Van Cauwenberghe nog volop liep, verscheen Houry opnieuw in Antwerpen. "Elias Houri" was de naam die op zijn vervalst Libanees paspoort stond, en waarmee hij zonder problemen de Belgische grenscontrole kon passeren. Zijn echte naam luidde David Hacohen.

Latrun_detention_camp
David Hacohen (tweede van rechts) bij zijn arrestatie door de Britten tijdens Operatie Agatha in 1946 (Foto: Wikimedia Commons)

Hacohen was een topagent van de geheime dienst van de Haganah en was door Haganah-chef Eliyahu Golomb naar Antwerpen gestuurd om nogmaals een clandestien wapentransport naar Palestina te organiseren. "België was destijds een van de plaatsen waar de Haganah zich bevoorraadde met wapens, lichte mitrailleurs, geweren, pistolen en munitie", schreef Hacohen in zijn autobiografie (4).

"In Antwerpen bevond zich een magazijn vol wapens en munitie, afkomstig uit aankopen bij Belgische fabrieken en scheepsvrachten uit Duitsland, georganiseerd door een betrouwbare lokale wapenhandelaar, een Belg van Vlaamse afkomst genaamd Van Cauwenberghe. Hij had nog steeds een grote voorraad wapens en was er niet in geslaagd om die naar Palestina te verschepen. Het doel van mijn missie was een manier te vinden om die wapens naar Haïfa over te brengen, en wel op zo'n manier dat de ware aard van de vracht gecamoufleerd werd."

Hacohen was een spilfiguur in het geheime wapenaankoopprogramma van de Haganah in Europa. Geboren in 1898 in Rusland, emigreerde hij in 1907 naar Palestina, toen nog onderdeel van het Turks-Ottomaanse rijk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed hij dienst als officier in het Turkse leger. Daarna studeerde hij rechten en economie in Londen.

In zijn periode als student aan de London School of Economics deelde hij een appartement met medestudent Moshe Sharett, alias Moshe Shertok, die later chef werd van het Politiek Departement van het Joods Agentschap (een onschuldig klinkende benaming voor wat in feite één van de inlichtingendiensten was van de joodse kolonisten) en daarna opklom tot minister van Buitenlandse Zaken en premier van Israël.

In 1921, tijdens zijn studies, besloot Hacohen samen met zijn vriend Sharett een speciaal fonds op te richten voor de aankoop van wapens voor de Haganah. Hun eerste gift kregen ze van Vladimir Jabotinsky, een medestichter van de Haganah en later de oprichter en leider van de ultrazionistische terreurgroep Irgun (5).

Na zijn studies keerde Hacohen terug naar Palestina en werd directeur van Soleh Boneh, de grootste bouwfirma van het land, die gecontroleerd werd door de linkse vakbond Histadrut. Soleh Boneh werd vaak gebruikt als dekmantel voor of financier van geheime operaties van de Haganah. Hacohen werd gemeenteraadslid voor de Arbeiderspartij in Haifa en later ook schatbewaarder van de Haganah.

Er waren dus al ten minste twee geslaagde wapentransporten probleemloos gepasseerd vooraleer door een stom ongeluk duidelijk werd dat de ladingen cement uit Antwerpen enkel dienden als dekmantel voor clandestiene wapenleveringen

In 1933 was hij al een eerste keer naar Antwerpen gestuurd om er te helpen bij illegale wapentransporten. De permanente vertegenwoordiger van de Haganah in Antwerpen was toen Zachar Urieli, een voormalige commandant van de Haganah in Jeruzalem, die twee jaar in de Scheldestad had gewoond.

"Urieli was in 1929 uit Palestina vertrokken voor een medische behandeling en kon niet terug naar huis keren omdat hij verdacht werd van betrokkenheid bij een wapentransport dat werd ontdekt bij aankomst in Palestina", schreef Hacohen in zijn autobiografie.

"In 1933 werd ik naar Antwerpen gestuurd om Urieli te helpen bij het verzenden van vaten met cement, gevuld met geweerkogels. Ik had verschillende weken met hem samengewerkt en had met hem, zijn vrouw en hun kleine dochter in hun appartement gewoond."

Of die werkzaamheden van Urieli en Hacohen te maken hadden met de voorbereiding van het cementtransport dat op 16 oktober 1935 in Jaffa werd ontdekt, is best mogelijk maar niet absoluut zeker. Het rapport dat de Britse politie in Palestina naar het Antwerpse gerecht stuurde, maakte immers melding van nog twee andere, eerdere transporten van cement uit Antwerpen naar Jaffa. Die waren telkens georganiseerd door Houry, telkens met dezelfde afzender (Etablissement Volkaerts) en dezelfde bestemmeling (de onbestaande Isaac Katan).

Het eerste transport vond plaats op 13 januari 1934 met de al bekende cargoboot SS Leopold II van Armement Deppe. Het tweede op 20 juni 1934 met de SS Louvain, een schip van dezelfde rederij. Er waren dus al ten minste twee geslaagde wapentransporten probleemloos gepasseerd vooraleer door een stom ongeluk duidelijk werd dat de ladingen cement uit Antwerpen enkel dienden als dekmantel voor clandestiene wapenleveringen.

Wapens uit nazi-Duitsland

Hoe onvoorstelbaar het ook mag klinken: een gedeelte van de wapenvoorraad die in Antwerpen te wachten lag op transport, was door Haganah-agenten aangekocht in nazi-Duitsland, mogelijk zelfs met medeweten van de nazi-autoriteiten.

In de periode dat Hacohen in Antwerpen nog samenwerkte met Urieli, reisde hij naar Praag om er deel te nemen aan het achttiende Zionistisch Congres. Hacohen beschreef hoe hij in 1933, op de terugweg van Praag naar Antwerpen, een tussenstop maakte in Berlijn.

'Een gedeelte van de wapenvoorraad die in Antwerpen te wachten lag op transport, was door Haganah-agenten aangekocht in nazi-Duitsland, mogelijk zelfs met medeweten van de nazi-autoriteiten'

"Ik verbleef een week in Berlijn om een probleem te regelen met een partij Mauser-geweren die onze kameraad Moshe Shapira had gekocht in Duitsland. Hitler was toen al aan de macht."

Een andere geheimagent van de Haganah, David Shaltiel, ging in dezelfde periode naar Berlijn, Hamburg en Antwerpen om er clandestien wapens aan te kopen. Nog een andere Haganah-agent, Efraim Dekel, beschreef hoe "tussen 1933 en 1935 ongeveer driehonderd vaten met cement vanuit België naar een fictieve importeur in Jaffa werden verscheept".

Volgens Dekel waren ongeveer de helft van die vaten gevuld met Mauser-pistolen van Duitse makelij en munitie, bestemd voor de Haganah. Wie die wapens in Duitsland heeft geleverd, valt niet meer te achterhalen.

Camouflage

Voor de nieuwe lading die in Antwerpen lag te wachten op verscheping, kon als gevolg van het het Cement Incident niet langer dezelfde methode worden gebruikt. Er moest een nieuwe dekmantel bedacht worden.

"De relatie met Van Cauwenberghe en diens zoon (Charles) was intact gebleven", schreef Hacohen.

"Ze wisten natuurlijk wie ik was, via hun vorige contacten met mij uit de tijd van Zachar Urieli. Onze wapens hadden gedurende lange tijd onaangeroerd in hun magazijnen gelegen. Toen ik de voorraad inspecteerde, zag ik dat alles er nog was en in goede staat verkeerde: de geweren en pistolen waren geölied en ingepakt, de munitie zat netjes in kartons en kratten."

"Samen met Van Cauwenberghe en zijn zoon bezocht ik de uitgestrekte haven van Antwerpen en bestudeerde de soorten goederen die naar Palestina werden verscheept. We zochten naar een verpakking die kon dienen als camouflage voor een grote hoeveelheid geweren en kogels, een lading van in totaal ettelijke ton. Na verschillende tests, besloten we dat we gevonden hadden wat we zochten."

Bergmanbuizen bleken de oplossing. Dit waren gegalvaniseerde tinnen pijpen van drie meter lang met een diameter van anderhalve centimeter, die gebruikt werden voor het aanleggen van elektriciteit in woningen. Ze werden gefabriceerd in België, Luxemburg, Duitsland en Tsjechoslovakije.

'De meeste geheime agenten van de Haganah in Europa waren kind aan huis bij Chaim Pinchas Friedman, een Antwerpse diamantair'

Dergelijke buizen werden in grote hoeveelheden in de Antwerpse haven verscheept, onder meer ook naar Palestina. Ze waren verpakt in afgesloten houten kratten van ongeveer drie meter lang, zestig centimeter breed en tachtig centimeter hoog.

"Van Cauwenberghe huurde op naam van Elias Houri een magazijn dat gemakkelijk kon worden beveiligd", schreef Hacohen. "Het had geen ramen of andere openingen, enkel een toegangspoort. Daar brachten we de wapens heen, en alle andere dingen die we nodig hadden voor ons werk. We namen ook twee jonge arbeiders in dienst, die Van Cauwenberghe kende en vertrouwde, en die samen met mij logeerden in een klein, bescheiden hotel aan de rivieroever."

"Het grootste deel van de dag werkte ik met hen samen in het magazijn of ging ik verpakkingsmateriaal en andere spullen kopen. In mijn vrije tijd zwierf ik door de stad en bezocht ik musea, galerijen met schilderijen van de grote Vlaamse meesters, oude kerken en cinema's. Antwerpen had een grote joodse bevolking, maar ik bleef weg uit de joodse wijk en ik vermeed zorgvuldig elke ontmoeting met bezoekers uit Palestina."

Negev_Brigade_soldiers_1948
Israëlische soldaten in de Negev-woestijn tijdens de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog in 1948 (Rechtenvrije foto)

Toch had Hacohen, in tegenstelling tot wat hij in zijn boek beweerde, wel degelijk contacten met de joodse gemeenschap in Antwerpen. De meeste geheime agenten van de Haganah in Europa waren kind aan huis bij Chaim Pinchas Friedman, een Antwerpse diamantair die de zionistische zaak op allerlei manieren steunde (6).

Friedmans zoon Ephraim verklaarde later dat "elke shaliach, elke speciale gezant uit Palestina die naar Europa kwam, welkom was bij ons thuis". Hij noemde onder andere Hacohen, Eliahu Golomb en Shaul Avigur, een andere topman van de geheime dienst van de Haganah.

"Ik verstopte me dan onder de tafel om te luisteren naar de gesprekken en de verhalen over Palestina", zei Ephraim."Er waren mannen bij die wapens kwamen kopen. Op een dag, toen ik op zolder speelde, ontdekte ik revolvers, ingepakt en klaar voor transport. Ons huis was een transitplaats voor de Haganah."

De dochter van Friedman, Yehudith, herinnerde zich dan weer hoe Zachar Urieli naar België kwam, eveneens om wapens te kopen. Met een dergelijke achtergrond is het logisch dat zowel Yehudith als haar broer Ephraim later allebei gingen werken voor de Mossad en deelnamen aan belangrijke operaties van de geheime dienst.

In hun Antwerpse magazijn zorgden Hacohen en zijn medewerkers ervoor dat hun kratten er precies hetzelfde uitzagen als de originele exemplaren van de Bergmanbuizen. Ze gebruikten dezelfde houtsoort, dezelfde afmetingen en dezelfde opschriften.

Ongeveer een derde van de kisten werd volledig gevuld met buizen. Die kregen een speciaal merkteken en mochten desnoods voor inspectie open gemaakt worden in de haven van Haifa. In de overige kratten verstopten ze de smokkelwaar onder een laag buizen.

De kratten met wapens moesten precies hetzelfde gewicht hebben als de kratten met buizen. De kisten werden dicht gespijkerd en vastgebonden met ijzeren hoepels. Aan weerskanten van elke kist werden in grote letters in het Frans de gebruikelijke opschriften aangebracht, plus de fictieve naam van de firma die de goederen verzond. Na ongeveer twee maanden werk was de lading klaar.

Stadhuis

Toen kwam er een kink in de kabel. Eén week voor het schip met de smokkelwaar moest vertrekken, realiseerde Hacohen zich plots dat hij een belangrijk detail over het hoofd had gezien: "Ik kan me niet meer herinneren hoe en in welke omstandigheden ik ontdekte dat de prijs van Bergmanbuizen in België hoger lag dan die in het buitenland, voor buizen die bestemd waren voor de export. Wij hadden onze buizen gekocht in plaatselijke winkels en de hogere Belgische prijs betaald."

'De Haganah-agent besloot hoog te spelen en de hulp in te roepen van niemand minder dan Camille Huysmans, socialistisch burgemeester van Antwerpen'

Het was zeer waarschijnlijk dat de autoriteiten het verdacht zouden vinden dat een onbekende firma een grote hoeveelheid Bergmanbuizen van Belgische makelij wou exporteren. Het risico bestond dat de lading zou worden onderzocht en dat de wapens in Antwerpen zouden worden ontdekt. Helaas, er was geen tijd meer om een andere dekmantel te verzinnen.

De Haganah-agent besloot hoog te spelen en de hulp in te roepen van niemand minder dan Camille Huysmans, socialistisch burgemeester van Antwerpen en voorzitter van de Belgische Werklieden Partij (BWP).

Van Cauwenberghe, die de hete adem van het Antwerpse gerecht in zijn nek voelde, liep vanzelfsprekend niet warm voor dit plan. "Hoe kom je op het absurde idee om Huysmans medeplichtig te maken aan wapensmokkel, een strafbare misdaad volgens de Belgische wet?", vroeg hij aan Hacohen.

"In een laatste poging om me te overtuigen, zei Van Cauwenberghe dat ik hem en zijn bedrijf zou ruïneren als aan het licht kwam dat hij, een respectabele handelaar, zich inliet met smokkeloperaties. Ik had het recht niet om hem dit aan te doen, na alle trouwe diensten die hij me had bewezen."

Hacohen beloofde dat hij in geen geval de naam van de Antwerpenaar zou noemen of iets zijn samenwerking met hem zou vertellen, althans zolang het onduidelijk was welke houding burgemeester Huysmans zou aannemen.

5e62bfdcb193cc7d7e2173121219d7698ee0d4a8135dfcd250cb925b8ff2ea31
De socialist Camille Huysmans, Antwerps burgemeester van 1933 tot 1940 en van 1944 tot 1946, werkte in de jaren '30 mee aan clandestiene zionistische wapentransporten naar Palestina. (Foto: Pot, Harry / Anefo, rechtenvrij)

Hacohen trok zijn beste pak aan en stapte naar het stadhuis op de Grote Markt om een onderhoud te vragen met de burgemeester. Voor de gelegenheid stelde Hacohen zich voor onder zijn echte naam. Aan de secretaris van Huysmans overhandigde hij een aanbevelingsbrief van de Arabische burgemeester van Haifa, waarin Hacohen werd voorgesteld als een socialistisch gemeenteraadslid van Haifa en waarin de burgemeesters van Europese steden werden gevraagd om hem elke mogelijke bijstand te verlenen die hij nodig zou hebben.

Huysmans ontving de onaangekondigde gast beleefd en bood hem een geleid toeristisch bezoek aan de stad en de haven aan. De volgende dag, na het volstrekt overbodig toeristisch uitstapje, keerde Hacohen terug om Huysmans hiervoor te bedanken.

"We babbelden een kwartiertje over Antwerpen en Haifa. Toen ik voelde dat mijn tijd op raakte en mijn bezoek ten einde liep, raapte ik al mijn moed bij elkaar en zei: 'Monsieur le Président, sta me toe nog een paar minuten te blijven, want ik wil u om hulp vragen. De zaak is zeer ingewikkeld en ik zal u niet lastig vallen met de details. Ik geloof dat u me kan helpen. Aan de andere kant is het ook uw volste recht om me aan de deur te gooien of om mij over te leveren aan de politie."

Sigaar

Burgemeester Huysmans vernam van Hacohen dat hij undercover en in opdracht van de Haganah naar Antwerpen was gestuurd om een clandestien wapentransport te organiseren, maar in moeilijkheden was geraakt en advies en hulp nodig had om te vermijden dat hij problemen zou krijgen met de Belgische autoriteiten.

"Ik ken hier niemand die me kan helpen", zei Hacohen, "dus kom ik naar u, om u te vragen tot wie ik me kan wenden." De burgemeester greep de telefoon en belde zijn secretaris. Het gesprek verliep in het Nederlands, zodat Hacohen niet begreep wat er werd gezegd.

Een minuut later ontving Huysmans een telefonische oproep. Opnieuw verliep de conversatie in het Nederlands. Uiteindelijk kreeg Hacohen van Huysmans opdracht om naar de redactie van de Volksgazet te gaan, waar directeur Willem Eekelers hem zou ontvangen. "U kan deze man vertrouwen", zei de burgemeester. "Vertel hem precies wat u aan het doen bent. Als hij kan, zal hij u helpen." (7)

Met een taxi reed Hacohen meteen naar de redactie van de krant in de Leeuwerikstraat, in de buurt van het Centraal Station. Hij legde zijn probleem uit aan Eekelers en benadrukte vooral het gevaar dat de lading zou worden geïnspecteerd in de haven van Antwerpen en de noodzaak om zo'n controle te vermijden.

De directeur belde vervolgens met iemand in Rotterdam. "U hebt geluk", besloot de Eekelers. "Ik wou een afspraak regelen voor u in Rotterdam met een Nederlandse kameraad, Edo Fimmen, de bekende en alom geliefde secretaris van de Internationale Transportarbeiders Federatie. Gelukkig voor u zal hij morgen in Antwerpen zijn. Ik heb hem gevraagd om eerst naar mij te komen, zodat ik uw probleem in algemene termen kan uitleggen. Daarna zal hij u ontmoeten, op de middag in een klein restaurant. U zal hem gemakkelijk herkennen: een grote, zware man die sigaren rookt."

Fimmen was de leider van een netwerk van revolutionaire antifascisten in de haven, meestal voor het nazisme gevluchte Duitse communisten, die ruime ervaring hadden met clandestiene acties. Hij verscheen stipt op de afspraak.

Terwijl Hacohen met Fimmen zat te praten in het restaurant, zag hij twee mannen zitten aan een ander tafeltje, die opvallend in hun richting keken. Na een opmerking van Hacohen riep Fimmen de twee er bij. Het bleken de eerste en tweede stuurman te zijn van het schip dat over enkele dagen met de fameuze lading Bergmanbuizen naar Haifa zou vertrekken.

Hacohen had de naam van het schip genoemd in zijn gesprek met directeur Eekelers, en Fimmen had de twee alvast opgetrommeld. De zeelui vroegen Hacohen of de scheepsagent van hun rederij in Haifa, Aaron Rosenfeld (8), mee in het complot zat. "Ik antwoordde dat ik mijnheer Rosenfeld zeer goed kende, maar dat hij niet op de hoogte was van de ware aard van de lading", zei de Haganah-agent. Dat vonden ze prima. "Het is beter dat hij niet weet dat we met u samenwerken", meenden ze.

Nadien reed Hacohen samen met een van de officieren naar het magazijn waar de smokkelwaar lag opgestapeld en overhandigde hem de sleutels. "Vanaf nu verdwijnt u van het toneel", zei de stuurman.

Huysmans: 'Ik hoop dat het vervolg, het lossen van de goederen in Haifa, eveneens voorspoedig zal verlopen, want u hebt die wapens nodig'

Enkele dagen later, op de vooravond van de geplande afvaart, had Hacohen nog een laatste ontmoeting met de officier om de nodige documenten te tekenen en de betaling van het transport naar de haven te regelen. "Hij vertelde me dat de goederen die avond om 18 uur zouden worden geladen, direct van de vrachtwagen op het schip. Alles zou goed verlopen, er was geen reden om me zorgen te maken. Het schip zou tijdens de nacht of in de vroege ochtend uitvaren."

De volgende morgen vernam Hacohen van Van Cauwenberghe dat het magazijn leeg was gemaakt en dat het schip met de lading inderdaad zonder problemen was vertrokken. Inwendig juichend keerde Hacohen terug naar zijn hotel om zijn valies te maken. Hij zou de trein nemen naar Triëste en vanuit Italië per schip naar Palestina reizen. Als alles goed ging, zou hij tijdig in Haifa arriveren om de lading in ontvangst te nemen.

Plotseling verscheen echter Charles, de zoon van Van Cauwenberghe, in het hotel. Opgewonden en gealarmeerd vertelde hij dat de secretaris van de Huysmans had getelefoneerd: de burgemeester wou Hacohen dringend zien.

Hij repte zich naar het stadhuis. "Ik wou u enkel gelukwensen", verklaarde Huysmans. "Mijn jonge vriend de directeur zei me dat alles goed is verlopen. Hij gaf me ook de naam van Van Cauwenberghe, zodat ik in staat was om u te contacteren.

Ik hoop dat het vervolg, het lossen van de goederen in Haifa, eveneens voorspoedig zal verlopen, want u hebt die wapens nodig. Ik help de Spanjaarden ook, maar dat is een ingewikkelde kwestie (9). Wij hopen dat zowel zij als u succesvol zullen zijn."

Milicians_republicans_arribats_a_Alginet_des_de_Terol_(País_Valencià,_Segona_República,_1936)
Spaanse republikeinse militanten tijdens de Spaanse Burgeroorlog in 1936 (Foto: Arxiu Ismael Latorre Mendoza - onder licentie)

Huysmans wou ook weten waarom Hacohen hem in dit vreemde avontuur had betrokken. "Ik wist dat u, als socialist en idealist, bereid zou zijn om me te helpen", antwoordde Hacohen. "In moreel opzicht was onze wapensmokkel niet illegaal. Deze wapens waren bestemd om ons te verdedigen tegen moordende aanvallen. Het was enkel omdat de staat Israël nog niet bestond, dat we genoodzaakt waren om wapens te smokkelen."

Ondertussen was in Palestina de Arabische Revolte uitgebroken, een nationalistische opstand van de Palestijnse bevolking tegen de Britse koloniale overheid en tegen de massale joodse immigratie in hun land. Van eind 1937 tot 1939 nam die opstand de vorm aan van een gewelddadige burgeroorlog.

De revolte werd brutaal de kop ingedrukt door het Britse leger en de Britse politie, die hierbij voor de gelegenheid nauw samenwerkten met de Haganah. Aan Palestijnse kant vielen er tijdens de revolte naar schatting 5.000 doden en 15.000 gewonden. Meer dan tien procent van de volwassen Palestijnse mannelijke bevolking werd gedood, gewond, gevangen gezet of verbannen. Ramingen van het aantal doden aan de kant van de joodse kolonisten variëren van honderd tot enkele honderden.(10)

Net als burgemeester Huysmans, maar waarschijnlijk zonder dat ze het van elkaar wisten, werkte ook Van Cauwenberghe mee aan clandestiene wapentransporten bestemd voor de Spaanse republikeinen.

In het kantoor van de Antwerpse wapenhandelaar hing een gesigneerd portret van de Spaanse generaal José Miaja, een held van de republikeinen, versierd met een medaille. "Ik heb wapens geleverd aan de Spanjaarden", bekende Van Cauwenberghe aan Hacohen. "Als jullie ooit een staat worden, hoop ik van jullie ook een medaille te krijgen." Hacohen beloofde ervoor te zorgen. Maar toen Israël in 1948 werd gesticht, werden geen voorzieningen getroffen voor het uitreiken van dergelijke eretekens.

Pas veel later besloot de Israëlische regering om medailles uit te delen aan buitenlanders die zich verdienstelijk hadden gemaakt voor de joodse staat, maar ondertussen was Van Cauwenberghe al overleden.

 

Noten

(1) Dossier 1177, PK Antwerpen 2001 C, Rijksarchief Beveren

(2) Cement Incident, Wikipedia

(3) idem, Rijksarchief Beveren

(4) Hacohen, David, 'Time to tell: an Israeli life, 1898-1984', Herzl Press, New York, 1985. De autobiografie verscheen postuum, een jaar na het overlijden van Hacohen. De persoonsnamen in dit boek zijn vaak verkeerd gespeld.

(5) Schechtman, Joseph B., 'The Life and Times of Vladimir Jabotinsky. Rebel and Statesman. The Early Years', Eshel Books, 1986

(6) Brachfeld, Sylvain, 'Les relations entre la Belgique & Israël', Institut de Recherche sur le Judaïsme Belge, 1994

(7) Hacohen noemde in zijn boek niet de naam van de bewuste krant en evenmin de naam van de directeur. Hij preciseerde wel dat de man tevens socialistisch parlementslid was. De enige verantwoordelijke van uitgeverij Ontwikkeling, de uitgever van De Volksgazet, die aan deze beschrijving voldoet is Willem Eekelers, gedelegeerd bestuurder van uitgeverij Ontwikkeling van 1923 tot 1940. (Bron: 'Inventaris van het archief van SV Ontwikkeling en Excelsior NV, uitgeverij en drukkerij van het dagblad Volksgazet', Bert Boeckx, Amsab, 1999)

(8) uitleg over Rosenfeld, faillissement ABC Containerline, rol Gantman

(9) Huysmans verwees naar illegale wapentransporten naar republikeins Spanje, waar een burgeroorlog werd uitgevochten tegen generaal Franco.

(10) 1936-1939 Arab revolt in Palestine, Wikipedia

Geraadpleegde literatuur

* Gelber, Syvla M., 'No Balm in Gilead. A Personal Retrospective of Mandate Days in Palestine', Carleton University Press, 1989

* Goldstein, Yaacov N., 'From Fighters to Soldiers. How the Israeli Defense Forces Began', Sussex Academic Press, 1998

* Nicosia, Francis R., 'The Third Reich & the Palestine Question', Transaction Publishers, 2000

* Sacharov, Eliyahu, 'Out of the Limelight. Events, Operations, Missions and Personalities in Israeli History', Gefen Publishing House, 2004

* Storrs, Ronald, 'The Memoirs of Sir Ronald Storrs', 1937

* Swedenburg, Ted, 'Memoirs of Revolt. The 1936-1939 Rebellion and Palestinian National Past', The University of Arkansas Press, 2003

* 'Report by His Majesty's Government in the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland to the Council of the League of Nations on the Administration of Palestine and Trans-Jordan for the year 1935'

LEES OOK