Alles is onrechtvaardig

 Leestijd: 5 minuten0

In mijn stukje van vorige week had ik het over de uitdagingen in het bepalen van een beleid rond de COVID-19-intentingen. Als het doel is diegenen te beschermen die het meeste risico lopen, dan is het zinvol voorrang te geven aan de ouderen en zij die onderliggende medische problemen hebben, en dan pas jongeren en gezonde mensen aan de beurt te laten, die veel minder kans hebben ernstige symptomen te ontwikkelen, laat staan om opgenomen te moeten worden.

Er zijn duidelijk instrumentele motieven voor zo’n aanpak: het gaat niet enkel om het risico voor individuen, maar ook voor de maatschappij als geheel. Ernstig zieke COVID-patiënten leggen immers beslag op schaarse gezondheidsinfrastructuur, die dan niet langer toegankelijk is voor wie er ook nood aan heeft vanwege andere redenen. Wanneer de meest kwetsbare personen eerst worden gevaccineerd wordt onhoudbare druk op het gezondheidsstelsel vermeden, en zo is het een interventie die iedereen dient.

Rechtvaardigheid boven alles

Desondanks zit er ook een element van rechtvaardigheid verweven in de strategie om schaarse middelen (het vaccin) eerst te besteden aan diegenen wiens nood het grootst is. Maar hoe ver mogen we gaan om die rechtvaardigheid te verwerkelijken?

Op 29 december 2020 had dr. Hasan Gokal, een spoedarts in Texas, de leiding over een vroegtijdig vaccinatie-event voor spoeddienstmedewerkers. Toen de dag naar zijn einde liep, was er een aangebroken flesje met nog tien van de elf dosissen van het Modernavaccin over. Die moesten binnen de zes uur worden gebruikt, of ze zouden verloren gaan.

Het nog aanwezige personeel bleek ofwel reeds ingeënt, ofwel wezen ze het aanbod om nu het vaccin te krijgen af. Dr. Gokal probeerde ook een collega waarvan hij wist dat de ouders en schoonouders recht hadden op de inenting, maar die waren niet beschikbaar. Ondertussen tikte de klok verder, en hij belde dan maar de mensen in de contactlijst van zijn GSM, en vroeg hen of zij oudere verwanten of buren hadden die in aanmerking kwamen voor vaccinatie.

Toen hij thuis aankwam werd hij al opgewacht door twee bejaarde dames met gezondheidsproblemen. Hij diende ze een spuitje met het vaccin toe en reed vervolgens verder naar een huis waarvan hij wist dat er vier hoogbejaarde mensen woonden, allemaal met ernstige aandoeningen. Zij kregen ook een prik, alsmede een in de buurt wonende en aan huis gebonden dame van achteraan in de 70. Drie dosissen nog, en inmiddels hadden nog drie mensen laten weten dat ook zij de dokter zouden ontmoeten bij zijn woning. Twee ervan stonden al te wachten toen hij terugkeerde van zijn vaccinatietournee – een dame van rond de 50 die als receptioniste werkte in een geneeskundig centrum, en de 40-jarige moeder van een kind dat constant moet worden beademd. De derde persoon had ondertussen laten weten dat hij niet zou komen.

Met slechts minuten te gaan voor het vaccin onbruikbaar zou zijn, wendde dr. Gokal zich tot zijn vrouw, die als chronische longlijder ook in aanmerking kwam, en gaf haar de laatste dosis van het vaccin.

Enkel voor ingeënte passagiers? (Foto: Juno Kwon via Pixabay)

De volgende morgen vulde hij de nodige formulieren in met betrekking tot de tien inentingen die hij de vorige avond had uitgevoerd, maar enkele dagen later werd hij bij zijn baas en de HR-directeur geroepen. Toen hij bevestigde dat hij de tien dosissen had toegediend als beschreven, werd hij prompt ontslagen. De reden: hij had zijn positie misbruikt om zijn vrienden en familie voor te laten gaan ten nadele van mensen die daar wettelijk recht op hadden. Hij had onrechtvaardig gehandeld.

Immunisatie zal ons, zo hopen we allemaal, helpen om uit de eindeloze lockdowns te komen, en ons toelaten de sociale en economische activiteit weer op te nemen waaraan al bijna een jaar lang ernstig afbreuk wordt gedaan. Als iedereen die ingeënt is een vaccinatiecertificaat zou krijgen, dan zouden allerlei activiteiten, van het bezoek van verwanten in zorgcentra tot internationale zaken- en vakantiereizen, snel weer kunnen opstarten, en geleidelijk kunnen worden opgedreven naarmate meer mensen een vaccin krijgen.

Zo’n document is niet nieuw: het is al langer een noodzaak voor ziekten als gele koorts om landen als Australië, China en Mexico binnen te mogen. Maar dit is op een heel andere schaal, en er zijn dan ook zorgen rond fraude en vervalsing.

Een veelgehoorde tegenwerping is echter ook dat zoiets onrechtvaardig zou zijn. Een artikel in Wired nodigt ons uit ons “in te beelden in ons huis te zijn opgesloten terwijl onze immune buren vrolijk rondhuppelen in het park”. Het citeert Robert West, een gezondheidspsycholoog aan University College London, die waarschuwt voor een verlies van sociale cohesie ten gevolge van verscherpt ingroep/uitgroep stammendenken, en Adam Oliver, een gedragseconoom aan de London School of Economics, die vreest dat het de boodschap zal ondermijnen dat we “allemaal in hetzelfde schuitje zitten.”

In een commentaar in het vakblad Nature beweren Natalie Kofler, een molecular bioloog aan Yale University en Françoise Baylis, een bioethicus aan Dalhousie University in het Canadese Halifax, dat een dergelijk document zal leiden tot een sociale stratificatie tussen “immunogeprivilegieerden en immunoachtergestelden”. Forbes citeert de CEO van de wereldraad voor reizen en toerisme, Gloria Guevara: “we mogen niet diegenen discrimineren die willen reizen, maar nog niet gevaccineerd zijn.” Niet doen dus, zo’n snelle terugkeer naar normaliteit, want het is onrechtvaardig.

Hoe rechtvaardig is rechtvaardig?

De reden waarom rechtvaardigheid als een criterium verschijnt in besluitvorming en beleidsvoering, is dat het een belangrijk element is in hoe we de manier ervaren en beoordelen waarop wij (en anderen) worden behandeld in de maatschappij. Het is een instinct dat zich al op erg jonge leeftijd ontwikkelt in mensen, en dat we zelfs delen met andere primaten, schrijft Maria Konnikova in The New Yorker. We houden er niet van benadeeld te worden (of zelfs bevoordeeld te worden) in vergelijking met anderen, en we houden er niet van als anderen worden benadeeld (of bevoordeeld).

Het ultimatumspel, een klassiek en populair instrument in de experimentele economie, toont hoe we zelfs bereid zijn materiële offers te brengen om onrechtvaardigheid te voorkomen. Het gaat hier om twee spelers: een voorsteller, die een som geld krijgt, en een ontvanger, met wie de voorsteller dat geld kan delen. De voorsteller is geheel vrij te bepalen hoe groot het deel is dat wordt aangeboden aan de ontvanger – hij of zij mag al het geld houden, alles afstaan, of een gedeelte kiezen daartussenin. De ontvanger kan beslissen het aanbod te accepteren, of het af te wijzen. In het laatste geval krijgen geen van beiden iets.

Een meta-analyse door Jean-Christian Tisserand, een econoom aan de Dijon-Bourgogne Business School, van 42 papers die in totaal 97 keer gebruik maakten van het spel, wees uit dat de ontvangers vaak een aanbod van 20% of minder van de totale som afwijzen, en frequent een aanbod van 20-40% van de totale som weigeren. Ontvangers hebben er dus letterlijk een bedrag tot 40% van het geld voor over, enkel om te verhinderen dat de voorsteller zich een onrechtvaardig hoog bedrag zou toe-eigenen.

Hoeveel om onrechtvaardigheid te vermijden? (Foto: CC BY CafeCredit.com/Flickr)

Onrechtvaardigheid vermijden in besluitvorming en beleidsvoering is een deontologische keuze: de beslissing wordt overgedragen aan een ethische regel, en niet genomen aan de hand van een beredeneerde overweging van kosten en baten. Voor ethische regels die grotendeels objectief zijn en duidelijk gedefinieerd, kan dit een degelijke aanpak zijn, die weinig kritiek uitlokt. Weinigen zullen het oordeel in vraag stellen van, zeg maar, een fabrikant van melkproducten die omwille van ethische redenen, en zonder een degelijke kostenbatenanalyse, veiligheids- en gezondheidsprocedures invoert die verzekeren dat noch het personeel noch de klanten worden vergiftigd. 

Maar buiten de formele eenvoud van experimentele spellen is rechtvaardigheid noch een objectief, noch een duidelijk gedefinieerd concept. Het zit integendeel beslist in de ogen van de waarnemer, en is sterk gelinkt aan de (vermeende) aanspraak die zou bestaan op bepaalde privilegies, aan groepsverbondenheid, en aan ideologie. Als je op Wikipedia naar fairness zoekt, zie je – zelfs als je de meer frivole opties buiten beschouwing laat – meerdere, vaak wederzijds incompatibele, perspectieven op gerechtigheid, afwezigheid van vooroordelen en meer.

Als het beste argument dat we kunnen geven voor of tegen een beslissing is dat ze onrechtvaardig is, dan hebben we geen argument

Dat maakt het al te gemakkelijk om onrechtvaardigheid in te roepen uit eigenbelang: als we ergens niet van houden, kunnen we al gauw een manier vinden waarop het een of ander rechtvaardigheidsprincipe met de voeten treedt. Wie er even over nadenkt zal snel kunnen bevestigen dat de meeste niet-triviale beslissingen altijd wel ergens voor iemand nadelig zijn, of het nu om een compensatieregeling voor slimme elektriciteitsmeters gaat voor eigenaren van zonnepanelen, het invoeren van een kilometerheffing voor wie in de stad wil rijden, of wat dan ook.

Hetzelfde geldt overigens wanneer de zaken worden gelaten zoals ze zijn. Voor bijna om het even welk ‘iets’, of het nu wel, of net niet wordt gedaan, is er altijd wel iemand die beweert dat het onrechtvaardig is. Uiteindelijk stel je vast dat alles onrechtvaardig is.

En dat maakt rechtvaardigheid praktisch een nutteloos criterium om te helpen bij besluitvorming. De absurditeit van het ontslag van een dokter die ervoor zorgde dat kostbaar vaccin niet verloren ging omdat hij een rechtvaardigheidsregel overtrad, en van het belemmeren van een terugkeer naar normale sociale en economische activiteit omdat een belangrijk instrument ervoor onrechtvaardig zou zijn – ze vormen schrijnende voorbeelden.

Als het beste argument dat we kunnen geven voor of tegen een beslissing is dat ze onrechtvaardig is, dan hebben we geen argument.


Uitgelichte afbeelding: EliasSch (Pixabay)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele.