Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Publieke energiebedrijven noodzakelijk voor eerlijke transitie

1 februari 2021 Dries Goedertier
nicholas-doherty-pONBhDyOFoM-unsplash
Offshore windmolenpark in het Verenigd Koninkrijk (Foto: Nicholas Doherty (Unsplash))

Het Vlaamse energiebeleid heeft een zware zonnesteek opgelopen. De vernietiging van de regeling inzake de terugdraaiende teller kwam hard aan. Zeker bij de gezinnen die na de (waardeloos gebleken) garanties van een stel liberale energieministers nog beslisten om voor 1 januari 2021 zonnepanelen op hun dak te leggen. Velen onder hen voelen zich bedrogen en daar valt ook zeker begrip voor op te brengen. Daar mag het echter niet bij blijven. Het hele debacle toont de limieten aan van een energiebeleid dat de verantwoordelijkheid voor de broodnodige energietransitie legt bij het individu als consument, investeerder en ondernemer. 

“De zon is een neoliberaal beleggingsproduct geworden”, stelde Dirk Holemans (Oikos). Holemans pleit samen met Dirk Vansintjan (Ecopower & REScoop.EU) voor een verschuiving naar een collectief model waarin burgers hun middelen en capaciteiten samenbundelen in energiecoöperaties. Daar valt inderdaad veel voor te zeggen. Energiecoöperaties hebben immers veel te bieden op democratisch, sociaal en ecologisch vlak. 

Als we werkelijk de energiesector willen democratiseren in functie van sociale en ecologische objectieven, dan zullen publieke energiebedrijven een grote rol moeten vervullen

De navolgenswaardige zelforganisatie van duizenden burgers zal mijns inziens echter niet volstaan om de dominantie van het huidige for profit-energiemodel te breken. De marktmacht van de gevestigde spelers is daarvoor te groot. Enkel de staat heeft de capaciteiten, de middelen en potentieel ook de democratische legitimiteit om de controle over de energiesector namens en ten bate van de hele samenleving terug te veroveren. 

Als we werkelijk de energiesector willen democratiseren in functie van sociale en ecologische objectieven, dan zullen publieke energiebedrijven een grote rol moeten vervullen. Dit hoeft hoegenaamd niet ten koste te gaan van energiecoöperaties, zoals soms wordt beweerd. Ik ben ervan overtuigd dat energiecoöperaties in een publiek gedreven model van energiedemocratie net meer ontplooiingsmogelijkheden zullen kennen. We moeten dan wel de liberalisering van de energiesector in vraag durven stellen. 

De liberalisering van de energiesector

De EU is sinds de late jaren 90 kampioen in de liberalisering van de energiesector. Productie, distributie en levering van elektriciteit zijn van elkaar losgekoppeld (ontbundeling, in het jargon) terwijl er concurrentie en vrije prijsvorming is in groothandel- en retailmarkten. 

Lidstaten mochten echter de prille (nog niet-concurrentiële) hernieuwbare energiesector ondersteunen met publieke middelen. Deze subsidies namen verschillende vormen aan, maar garandeerden altijd voorspelbare en zekere inkomensstromen voor bedrijven en investeerders. 

Energiecoöperaties zullen in een publiek gedreven model van energiedemocratie net meer ontplooiingsmogelijkheden kennen

Dankzij deze staatssteun – en niet door één of andere magie van de markt – konden hernieuwbare energiecoöperaties in landen zoals Denemarken en Duitsland een zeer hoge vlucht nemen. Deze en andere vormen van community energy of gemeenschapsenergie streven naar sociale rechtvaardigheid en de zelfverwezenlijking van burgers in een collectief samenwerkingsverband. Daaraan ontlenen ze ook hun ruime aantrekkingskracht. Ze vormen een alternatief voor de individuele rat race van het late kapitalisme. 

De liberalisering bood burgercoöperaties tegelijkertijd de mogelijkheid om elektriciteit te leveren aan hun coöperanten. Het leidde niet tot een omarming van de achterliggende ideologie van marktverheerlijking, maar wél tot een aanvaarding van de markt- en winstlogica. Winst staat nooit voorop bij een energiecoöperatie. 

Als gevolg van marktparticipatie doet zich onvermijdelijk wel een vermenging van de commerciële én sociaal-ecologische objectieven voor. Holemans en Vansintjan geven dit ook aan: “als coöperant heb je niet alleen inspraak, maar krijg je ook een deel van de winst”. Als je iets wil uitkeren, dan moet je wel participeren in de markt. In dit opzicht kunnen individuele coöperanten overigens evengoed de verwachting hebben dat hun investeringen een return opbrengt. Net zoals ecologische motieven evengoed bij eigenaars van zonnepanelen de doorslag kunnen geven. 

In dat opzicht vind ik het oordeel van Holemans en Vansintjan over de individualistische aanpak niet altijd even correct. We moeten ons hoeden voor het vellen van morele oordelen over de energiekeuzes van mensen. Het punt is dat in de neoliberale markt alles in teken staat van winst en dat niemand – ook een coöperatie niet – daaraan werkelijk ontsnapt. Dat is vooral problematisch omdat de energietransitie daardoor onvoldoende vaart maakt, zoals ik voor Denktank Minerva beargumenteerde in Energiedemocratie: alternatieven voor een duurzame toekomst

De crisis van de energiecoöperaties

De liberalisering van de energiesector bereikte tegenovergestelde doelen dan haar voorstanders voorop hadden gesteld. We kregen niet meer concurrentie en dalende prijzen voor de consument, maar net de concentratie van de markt in de handen van vijf energiereuzen én stijgende prijzen. 

De steun voor hernieuwbare energie en de liberalisering van de energiesector bleken niet compatibel te zijn

Gestuwd door de gunstige wind van de subsidies gingen de energiecoöperaties niettemin dapper de strijd aan. Volgens sommigen zou de dalende kostprijs van wind- en zonne-energie leiden tot een grondige shift in de eigendomsverhoudingen: van fossiele en nucleaire, gecentraliseerde grootbedrijven naar hernieuwbare, gedecentraliseerde, gemeenschapsenergie. Deze hoge verwachtingen zijn helaas niet ingelost. 

De steun voor hernieuwbare energie en de liberalisering van de energiesector bleken niet compatibel te zijn. De intrede van hernieuwbare-energiebedrijven en de verhoging van het energieaanbod – met name op dagen dat de zon veel scheen en het hevig waaide – duwden de prijzen op de groothandelsmarkten te fors naar beneden. De winstgevendheid van de energiesector en – daarmee nauw verbonden – de bereidheid tot investeringen (ook in hernieuwbare energie) kwam daardoor in gedrang. 

In 2014 verstrengde de EU haar staatssteunregels voor hernieuwbare energie. Veel lidstaten gingen over tot veilingen zodat bijkomende capaciteit en de daarbij horende subsidies enkel nog naar de meest competitieve spelers gingen. Deze procedures van competitive bidding hebben echter de winstmarges nog verder doen krimpen. In samenhang met de fel gereduceerde subsidies vertaalde dit zich in een serieuze terugval van investeringen. In het recordjaar 2011 werd in Europa 137,8 miljard dollar in hernieuwbare energie geïnvesteerd. In 2017 was dit nog maar 58,4 miljard dollar. 

Vooral energiecoöperaties zijn de slachtoffers van de strengere aanpak. Velen onder hen hebben het moeilijk om zonder subsidies te overleven. In gidsland Denemarken is het aantal coöperaties in de windenergiesector gezakt van 931 in 1999 tot minder dan 200 in 2015. Ook in Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk ging de verwijdering of verstrenging van steunmechanismen samen met de neergang van energiecoöperaties. Zonder subsidies zijn de inkomsten niet verzekerd. Het maakt het ook zeer moeilijk voor hen om leningen van de banken te krijgen.  

Clean Energy Package

Holemans en Vansintjan zijn geen vragende partij voor nieuwe subsidies. Ze geven terecht aan dat subsidies (zeker in de context van de zonnepanelen) vooral de hoge middenklasse ten goede komen. Zij hebben die steun niet (meer) nodig. De doorrekening ervan in de factuur komt echter op de schouders van de lagere inkomens terecht. 

De financiering van de energietransitie is volgens Vansintjan en Ecopower overigens ook niet het probleem. Volgens Jan De Pauw (projectingenieur bij Ecopower) moet Vlaanderen 1.000 windmolens bijzetten om haar Europese klimaatdoelstelling van 2030 te realiseren. De totale kostprijs zou 3 miljard euro bedragen (gezien één windmolen gemiddeld 3 miljoen euro kost). Dat is slechts 1,5% van wat op de Belgische spaarboekjes staat. 

Sommigen grote spelers richtten blijkbaar ook coöperaties op om zich een ecologisch imago aan te meten

Het is een mooie analyse die ook wijst op de financieel-technische knowhow en het vermogen tot sociaal-ecologische planning waarover Ecopower beschikt. Alleen lijkt het mij onmogelijk om deze visie te realiseren binnen het kader van de ‘vrije’ markt waarin de winstlogica domineert en de grote vijf heer en meester zijn. Sommigen grote spelers richtten blijkbaar ook coöperaties op om zich een ecologisch imago aan te meten en het gras onder de voeten van de coöperatieve beweging weg te maaien.  

REScoop.EU is dan ook tevreden met het Clean Energy Package, dat burgers en hernieuwbare energiegemeenschappen (een nieuwe juridische entiteit) inderdaad het recht geeft om energie te produceren, op te slaan, te consumeren en te verkopen. Naar verluidt zou dit de groene energiecoöperaties beter in staat stellen om te participeren in de energiemarkt. Lidstaten moeten ook garanderen dat energiegemeenschappen op gelijke basis kunnen concurreren met andere marktspelers in het geval van competitieve tenders. 

REScoop Vlaanderen pleit in dat verband voor een Vlaams omgevingsdecreet dat zeker 50% van de eigendom in hernieuwbare energieprojecten reserveert voor burgerparticipatie. Het voorstel wordt voorgesteld als een “uitnodiging aan projectontwikkelaars en energiemultinationals om hernieuwbare-energieprojecten te ontwikkelen samen met de lokale gemeenschap en niet ‘ten koste van’”. Met deze werkwijze kan je draagvlak opbouwen een deel van de winst in de lokale gemeenschap houden. Maar de dominante winstlogica en de macht van de energiemultinationals wordt zo geenszins gebroken. 

De troeven van publieke energiebedrijven

Nochtans is het die winstlogica die de beweging voor energiedemocratie moet aanvechten. Liberalisering draait altijd om winst. In de energiesector is het net door de lage groothandelsprijzen momenteel zeer moeilijk om winst te maken. De private, niet-gesubsidieerde investeringen in hernieuwbare energie zijn daardoor volgens het Internationaal Energieagentschap ook “verwaarloosbaar”. 

Daaruit blijkt hoe roekeloos het is om de energietransitie over te laten aan de markt. “We moeten dat plannen”, zoals Vansintjan ook terecht aangeeft. Het betekent echter dat de staat meer moet zijn dan een “partner” die ondersteuning biedt aan energiecoöperaties. Ze moet ook zelf actief vormgeven aan de energietransitie. 

In dit publiek perspectief op energiedemocratie krijgen nationale, regionale en lokale overheidsbedrijven een grotere rol toebedeeld om productie, transmissie, distributie en levering op elkaar te betrekken en af te stemmen. Een dergelijke integratie van het energiesysteem zou talloze voordelen hebben. Een gedecentraliseerde aanpak onder impuls van energiecoöperaties kan niet leiden tot een ontplooiing van hernieuwbare energie die sociaal rechtvaardig, snel en omvangrijk genoeg is. Al was het maar omdat niet ieder individu of gemeenschap over de (financiële) mogelijkheden beschikt om zich collectief te organiseren.

Uit onderzoek blijkt dat offshore windmolenparken in publiek eigendom goedkoper te financieren, bouwen en beheren zijn

Een nationaal publiek energiebedrijf zou daartoe wel in staat zijn omwille van haar grotere territoriale bereik, bevoegdheid, plancapaciteiten én financieringsmogelijkheden. De publieke sector kan aan voordeligere voorwaarden lenen dan private ondernemingen. De kapitaalkost van hernieuwbare energieprojecten kan daardoor naar omlaag, wat belangrijk is voor de energietransitie op schaal te brengen. 

Uit onderzoek blijkt dat offshore windmolenparken in publiek eigendom goedkoper te financieren, bouwen en beheren zijn. In een publiek model zouden de factoren die bijdragen tot hogere gebruikersvergoedingen in een marktmodel – hogere kapitaalkosten, ingecalculeerde winst, en in geval van publiek-private samenwerking (PPS) ook hogere transactiekosten – wegvallen. Overheden kunnen dan een afweging maken tussen een lagere energiefactuur of een extra inspanning van gebruikers voor een snellere energietransitie. 

Een nationaal publiek energiebedrijf kan energiedoelstellingen (zoals de uitbouw van hernieuwbare energiecapaciteit) ook samen realiseren met stadsbedrijven en energiecoöperaties. Daar bestaan genoeg historische en buitenlandse voorbeelden van. In de VS zette de New Deal in op grootschalige publieke energiebedrijven (zoals de Tennessee Valley Authority) én publieke investeringen (via de Rural Electrification Administration) in rurale energiecoöperaties. De elektriciteit van het hedendaagse Costa Rica is bijna 100 % groen, onder andere door de samenwerking van overheidsbedrijf ICE met energiecoöperaties. 

Democratische centrale planning met gedecentraliseerde uitvoering (én inspraak) kan ook helpen bij de uitbouw van de noodzakelijke energieopslagcapaciteiten om de variabiliteit van hernieuwbare energie op te vangen. De uitbouw van energieopslag vergt een systeembenadering en een holistische kijk op het hele energiegebeuren. Publieke energiebedrijven die verschillende functies integreren (zoals productie, transmissie/distributie en levering) hebben op dit vlak een troef. 

Volgens sommige waarnemers heeft de VS hier een voordeel op de EU omdat haar energiesector minder geliberaliseerd (en dus minder ontbundeld) is. De EU opteert ook hier voor een benadering waarbij marktactoren hun flexibiliteit (bijvoorbeeld opgeslagen stroom uit zonne-energie) verkopen op een markt (bijvoorbeeld bij piekmomenten). De technische obstakels van energiesysteemintegratie zijn op zichzelf zeer aanzienlijk. In een marktbenadering komen daar nog eens commerciële bekommernissen bovenop. Individuele marktspelers zullen hun diensten immers alleen aanbieden als er winst mee te maken valt. 

Het is onduidelijk of dat (ook zonder subsidies) zal kunnen. In Vlaanderen zou de distributienetbeheerder Fluvius volgens mij beter zelf werk maken van energieopslagfaciliteiten en via een beleid van openbare aanbestedingen ook de energiecoöperaties daarbij betrekken. Fluvius mag van de Vlaamse Regering echter “geen energieopslagfaciliteit bezitten, ontwikkelen, beheren of exploiteren”. Vlaanderen kiest in de lijn van de EU immers voor een marktbenadering van flexibiliteit. In dit kader kan een distributienetbeheerder die investeert in energieopslag alleen maar de markt “verstoren”. 

Ondertussen wil Colruyt Group wel samen met gasinfrastructuurbedrijf Fluxys een groene waterstoffabriek oprichten. Het bedrijf aast daarvoor ook op Vlaamse subsidies (in het kader van het Important Project of Common European Interest voor waterstof) want groene waterstof is momenteel niet winstgevend. De ontbundelingslogica van de geliberaliseerde energiesector duwt aldus essentiële infrastructuur in de handen van de privésector en dit is ook slecht nieuws voor de coöperatieve beweging.  

nicholas-doherty-pONBhDyOFoM-unsplash
Offshore windmolenpark in het Verenigd Koninkrijk (Foto: Nicholas Doherty (Unsplash))

Een gedeelde strijd voor energiedemocratie

Uit de hoek van energiecoöperaties klinkt het wel eens dat publieke energiebedrijven vaak even winstgericht zijn als private energiemultinationals. Het is een kritiek die vaak terecht is. Dat blijkt ook uit de investeringen van Fluxys (voor 77% in handen van de Belgische gemeenten) in Brazilië, omdat “gas daar nog een mooie toekomst heeft”

Deze ‘corporatisering’ is evenwel géén inherent karaktertrek van publieke energiebedrijven, maar een logisch gevolg van hun onderwerping aan de winstlogica van de (mondiale) markt. Het is dan ook niet correct om de optie van publieke energiebedrijven met grootschalige hernieuwbare energie-installaties op basis daarvan uit te sluiten. 

Publieke eigendom is een noodzakelijke voorwaarde voor de energietransitie, maar an sich onvoldoende

Publieke eigendom is een noodzakelijke voorwaarde voor de energietransitie, maar an sich onvoldoende. Er is ook een strijd nodig voor de democratisering ervan. Energiebedrijven moeten een missie krijgen die voortvloeit uit een breed gedragen democratisch proces. De kapitalistische staat, met haar vertegenwoordigende en uitvoerende instanties, vormt dan ook een belangrijk strijdtoneel voor energiedemocratie. 

Van Zuid-Afrika, tot Uruguay, Frankrijk en Duitsland voeren actievoerders (bijvoorbeeld vakbonden van de energiesector) ook campagnes om vertegenwoordigers van werknemers en gemeenschappen op te nemen in de beheerraden van de energiebedrijven en de bevoegden overheidsinstanties. Op het lokaal vlak is de beweging voor de re-municipalisation of “vergemeentelijking” van de essentiële gas-, warmte-, en elektriciteitsinfrastructuur eveneens van groot democratisch belang. 

Tot slot wil ik één ding benadrukken. Pleitbezorgers van energiecoöperaties en de voorstanders van een publiek energiemodel zijn bondgenoten in een gedeelde strijd voor een democratische en sociaal rechtvaardige energietransitie. We moeten – meer dan vandaag het geval is – kennis en ideeën met elkaar uitwisselen. De ernst van de situatie – een slabakkende energietransitie en het falen van het dominante for profit-model – moet ook tot gezamenlijke projecten en actiepunten aanzetten. 

Neem nu de verdere ontwikkeling van de Belgische windenergie in de Noordzee: laat dit niet over aan private investeerders die alleen maar iets “ondernemen” als ze zeker zijn van winst én voor dit laatste rekenen op subsidies. De kostprijs van het meest recente windmolenpark (Northwester 2, ondertussen volledig in eigendom van de Colruyt Group) bedroeg 700 miljoen euro.

Een Belgisch publiek energiebedrijf en een energiecoöperatie (met bijvoorbeeld 50 % van het kapitaal) zouden samen een dergelijk project goedkoper, sneller én met een veel groter democratisch draagvlak kunnen realiseren. Het is dé manier om de troeven van beiden te combineren én de opbrengsten in de nationale gemeenschap te houden ten bate van brede lagen van de bevolking. Tijd dus om ons daar gezamenlijk achter te scharen. 

LEES OOK