Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Behoorden leden van het kabinet-Francken tot een criminele organisatie?

18 januari 2021 Walter De Smedt
BELGIUM BRUSSELS OATH CEREMONY CHAMBER
Theo Francken (©Virginie Lefour (Belga))

Wat met mensensmokkel wordt bedoeld staat in artikel 77bis van de Wet vreemdelingen:

Ertoe bijdragen, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze Staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel.

Er is mededaderschap indien een persoon rechtstreeks aan het misdrijf heeft meegewerkt, noodzakelijke hulp heeft verleend of rechtstreeks tot het misdrijf heeft aangezet. Medeplichtigheid veronderstelt opzettelijke bijdrage met niet-noodzakelijke hulp, het geven van onderrichtingen, wapens, werktuigen of onderdak, en/of het op voorhand op de hoogte zijn of redelijkerwijs had moeten zijn van het misdrijf.

Omdat niemand van het kabinet-Francken werd vervolgd, kon de rechtbank zich niet uitspreken over voorgaande mogelijkheden. Dit neemt niet weg dat het vonnis bij iedere omschrijving van de weerhouden misdrijven er een belangrijke vermelding aan toevoegt, namelijk:

M.K. maakte misbruik van het gezag of de faciliteiten dewelke hij kreeg als door de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie aangewezen ‘initiatiefnemer’ om lijsten van kandidaten voor een humanitair visum op te stellen en over te maken aan het kabinet van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie.

Uit het vonnis is bovendien op te maken dat Kucam reeds vanaf eind september 2018 op de hoogte was van klachten over zijn handelswijze.

Er werd een uitgebreid telefonieonderzoek verricht, waarbij talrijke gesprekken werden onderschept waarin eerste beklaagde – meestal in bedekte termen – over een financiële vergoeding spreekt of er een vraagt om de kandidaten op de lijsten van het humanitair visum te plaatsen. Daarbij dient voor ogen te worden gehouden dat eerste beklaagde al wist dat er geruchten omtrent ‘klachten’ hierover de ronde deden binnen de Assyrische gemeenschap, minstens vanaf eind september 2018. Uit de uitlezing van het gsm-toestel van M.K. blijkt immers dat hij reeds meer dan drie maanden voor de tussenkomst van de politiediensten in deze zaak, signalen krijgt dat er over hem ‘geruchten’ bestaan. Zo krijgt hij op 28 september 2018 het bericht van A., die zegt dat hij hem wil spreken, in zijn belang, beter niet telefonisch: ik leg da wel uit … die zijn achter u rug met iets ergs bezig…. K. vraagt wanneer ze elkaar kunnen zien en ze maken een afspraak. K. vraagt al meteen wie ‘ze’ zijn en A. antwoordt: ‘K’. K. antwoordt onder meer: ‘K? Ah oké… Heb al vermoeden wat. Heb mijn voorzorgen al genomen’. A. kondigt aan dat ze naar iemand van CD&V gaan stappen met roddels, ‘je zal wel weten wat ik weet’. K. stuurt dat hij nooit 2.000 euro is gaan pakken en dit ook nooit gedaan heeft. Hij zal ze allen overwinnen; ze zullen er nooit in slagen hem te destabiliseren. Bovendien blijkt dat hij op een bepaald ogenblik ook vermoedens heeft dat hij wordt afgeluisterd. Uit het gesprek van 28 november 2018 tussen K. en K. blijkt dat K. een overleg belegd heeft zodat iedereen hetzelfde verhaal heeft en weet welk verhaal ze moeten vertellen; K. zegt dat ze moeten weten ‘wie wat weet’; K. vraagt of iedereen vanavond komt. K. zegt dat ‘ze’ zullen gehoord hebben wat er op het appartement besproken is. Ze zijn het erover eens dat als er apparatuur geplaatst is, ze grote problemen kunnen verwachten die onoplosbaar zijn. K. zegt dat het vinden van het apparaat voor hem het belangrijkste is; misschien kunnen ze dan ook zien wat ze van het begin gezegd en gedaan hebben. Op 13 januari 2019 stuurt K. een bericht aan kabinetsmedewerker V. waarin hij zegt dat hij al heel zijn leven iedereen kosteloos helpt; en ook bereid is alle valse beschuldigingen aan zijn adres te weerleggen. Hoewel eerste beklaagde bijgevolg al maanden minstens zeer sterke vermoedens had dat hij werd afgeluisterd én dat er mogelijke klachten tegen hem op komst waren, bevat het omvangrijke telefonieonderzoek en de uitgebreide berichtenconversaties talrijke en niet voor andere interpretatie vatbare bewijzen van het feit dat eerste beklaagde zich liet betalen om de kandidaten op te nemen op de lijsten én zij die niet de intentie hadden in België te blijven te laten doorreizen. Ter illustratie verwijst de rechtbank hieronder naar enkele gesprekken.

De Standaard kon het gerechtsdossier inkijken. Daaruit blijkt dat Francken meermaals in kennis werd gesteld van de strafbare feiten, er geen toezicht werd gehouden op wat er gebeurde, en er geen aangifte werd gedaan van de misdrijven bij de procureur des Konings, een verplichting waartoe iedere ambtenaar gehouden is. Ook Sophie Dewit, die als advocaat en parlementair voor N-VA in ieder commissie zetelt die iets met justitie te maken heeft, verzweeg wat haar ter kennis werd gebracht.

Wellicht heeft het onderzoek niet kunnen aantonen dat er geld naar het kabinet is gegaan en is dat de reden waarom Francken en zijn kabinetsleden gerechtelijk niet werden vervolgd

Uit de gekende elementen mag dus besloten worden dat de door Kucam gepleegde feiten zich niet hadden kunnen voordoen zonder de hulp van het kabinet Francken. Dat er geen gevolg gegeven werd aan de meldingsplicht is daarbij een verzwarend element. De enige vraag die dan blijft, is of er in hoofde van het kabinet-Francken ook een vermogensvoordeel werd verkregen. Want zodra de dader een voordeel heeft genoten dat in causaal verband staat met het ten laste gelegde misdrijf, valt men binnen de werkingssfeer van de strafwet. Wellicht heeft het onderzoek niet kunnen aantonen dat er geld naar het kabinet is gegaan en is dat de reden waarom Francken en zijn kabinetsleden gerechtelijk niet werden vervolgd.

Kucam werd echter ook veroordeeld als “leidend persoon van een criminele organisatie, zijnde een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen, en waarvan het feitelijk oogmerk niet uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die niet uitsluitend elk ander rechtmatig oogmerk nastreeft. (art. 324 bis en 324 ter § 4 Sw) Het gaat hier met name om een criminele organisatie gericht op het bekomen van een vermogensvoordeel door het plegen van de misdrijven van passieve omkoping en mensensmokkel, in het kader van de aan M.K. toegewezen taak als "initiatiefnemer" om lijsten van kandidaten voor een humanitair visum op te stellen en over te maken aan het kabinet van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie”.

Dat het vonnis hier nadrukkelijk verwijst naar het kabinet voor Asiel en Migratie roept de vraag op naar de mogelijke betrokkenheid van leden van dat kabinet bij het misdrijf lidmaatschap van een criminele organisatie.

Artikel 324 bis §3 bepaalt immers dat iedere persoon die deelneemt aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van de criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 324bis, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van vijfhonderd [euro] tot honderdduizend [euro] of met een van die straffen alleen. Voorts bepaalt artikel 326 dat “van de in dit hoofdstuk bepaalde straffen blijven vrij de schuldigen die, vóór enige poging tot misdaden of wanbedrijven welke het doel van de vereniging zijn, en vóór enig begin van vervolging, het bestaan van die benden en de namen van hun hoofdbevelvoerders of ondergeschikte bevelvoerders aan de overheid kenbaar maken”.

Samen met de niet opgevolgde meldingsplicht is het dus de vraag of de betrokken leden van het kabinet, vanaf het ogenblik dat zij op de hoogte waren van de strafbare feiten, niet onder deze wetsomschrijving vallen. Hier geldt ook wat bij de voorbereiding van de Wet in de Senaat werd opgemerkt:

Het is duidelijk dat iedere persoon, rechtspersoon of structuur die deel uitmaakt van de criminele organisatie als een radarwerk van het geheel moet worden beoordeeld en niet worden beschouwd als een afzonderlijke entiteit. De activiteit van ieder onderdeel dient dus gezien te worden in het geheel en mag niet op zijn afzonderlijke activiteit worden beoordeeld. (Belgische Senaat zitting 1997-1998 14 oktober 1997 1-662/2)

Hoewel niet in de geesten van de rechters kan gekeken worden, ligt hierin misschien de reden van de steeds terugkerende verwijzing in het vonnis naar het kabinet van de staatssecretaris. Aangezien de rechtbank daarover geen uitspraak doet, ligt de verantwoordelijkheid voor dit gemis aan rechtspraak bij het parket. De rechtbank kan immers enkel oordelen over wat door het openbaar ministerie wordt gevorderd. Daarom heeft de vraag of de betrokken leden van het Kabinet al of niet deel uitmaakten van een criminele organisatie geen voor iedereen geldend antwoord.

Daaruit opmaken dat Francken of zijn kabinetsleden niets te verwijten valt, is evenwel nog een andere kwestie. Het geheel toont hoe niet alleen Francken, maar ook andere leden van N-VA in de feitelijkheid handelden en hoe ze daarbij een loopje namen met wat door dagelijks getwitter over het vreemdelingenprobleem aan de burger werd wijsgemaakt. Dat Francken hierdoor geen enkele geloofwaardigheid meer heeft is een understatement. Maar ook naar de gehele partij toe is het fatsoen waaraan deze grotendeels zijn succes te danken heeft verdwenen.

Uitgelichte afbeelding: Theo Francken (©Virginie Lefour (Belga))

LEES OOK