Bomma kreeg bezoek

 Leestijd: 5 minuten1

Iedereen weet het wel: hulpsint bezoekt rusthuis, de bewoners worden besmet met het virus. Drie weken later zijn er een vijfentwintigtal overleden. Het is waarschijnlijk dat er meer volgen. Er komt een rechtszaak. Dit is sensationeel nieuws, appellerend genoeg om reacties te doen ontstaan. Die brengen geen zoden aan de dijk: rouwende families en zorgpersoneel hebben er niets aan. Misschien kan deze brief voor hen wel iets betekenen.

“Als ik oud en dement ben, dan zet je mij in de rolstoel en duw je mij van de berg af! Of dan geef je me gewoon een spuitje!”

“Oei, dan breng ik mezelf ook in moeilijkheden.”

“Dus daarmee zeg je dat je met mij hetzelfde gaat doen? In zo’n rusthuis steken?!”

Das een beetje kort door de bocht, denk ik. Het lukt gelukkig net op tijd om op mijn tong te bijten en een misplaatste woordenwisseling te voorkomen met mijn moeder. Ze heeft net de hare verloren. Ik mijn bomma.

Ik besluit mijn moeder beter te koesteren: “Ben je boos?” vraag ik.

“Ja, tuurlijk”, kalmeert ze. “Iedereen zou moeten weten hoe dit gegaan is.”

Samen

Wil leed verzachten, dan dient het gedragen te worden. Met acties. Samen.

Samen is het omgekeerde van privé. In het rusthuis van Armonea (de onderneming heeft 85 woon- en zorgcentra) had mijn bomma een mooie ruime privékamer. Met een mooie antieke kast erin. Een overblijfsel van wie ze ooit was: iemand met franjes en frullen, van goeden huize, koket, fijngevoelig, met humor, fier, kieskeurig…

De laatste weken mocht ze er niet meer uit. En niemand kon erin. Ook niet digitaal. Mijn moeder deed nochtans haar best en deed elke dag een nieuwe poging. Ik ben er zeker van dat als zij er niet binnengeraakt, het niemand lukt. Op de website van Armonea staat een keurig overzicht van de veiligheidsmaatregelen. Valt niet aan te tornen. Wat er wél kan, daar zijn geen plannen of middelen voor.

Eén videocall had nochtans een verschil kunnen maken. Wanneer je geen tastbaar afscheid hebt kunnen nemen, worden rouwtaken bemoeilijkt. Dan ben je na een week nog steeds een luid om je heen blaffende buldog (boosheid zonder functie) of iemand die zich elke dag klaarmaakt om de was in het rusthuis te gaan ophalen en de hond sust omdat hij even alleen thuis moet blijven (ontkenning).

Reageren op noodzaak

De laatste twee dagen kon bezoek opeens wel, wegens ‘palliatieve situaties’. Alleen, de morfine arriveerde eerder. Opnieuw zonder voorafgaand telefoontje.

Ik werd bij het arriveren aan wat we eerst het home noemden fysiek onwel en bracht een paar uur slapend in de auto door. Mijn moeder trok – verpakt in plastiek – naar binnen, maar kon geen afscheid meer nemen.

Wel kruiste ze in het home nog net de blik van een ander verdwaasd oudje. Geparkeerd voor het raam stond ze in te dommelen. Geen abnormaal zicht, moest er aan de andere kant van het raam geen familie staan die alles deed om haar aandacht te trekken. Toeval bracht soelaas: mijn moeder kon de bejaarde vrouw helpen het contact met haar familie terug te vinden. Gelukkig, maar nogal aleatorisch, helaas.

Ik vind privé in sommige contexten moeilijk te begrijpen. Moreel verwerpelijk zelfs. De privatisering van de zorg haalde nochtans ook de krantenkoppen deze week. Misschien kan het niet anders, toch vraag ik het me af: is het gepast om zorg tussen privé en bedrijf te steken? Op welke manier kan zorg dan duurzaam overeind blijven?

Moest zorg geen business zijn, dan zouden zorgmedewerkers de telefoon vasthouden voor een videogesprek. Of de hand van de verwarde bewoner om geduldig samen te wuiven naar de familie voor het raam. Dat is wat de meeste mensen die deugen doen: reageren op noodzaak. Met je hart. De realiteit is triestiger en vooral hard.

Het gevolg is dat er beelden op ons netvlies blijven plakken. Grote verbodsborden op de deur van elke kamer met stil schreeuwend leed daarachter. Verlaten gangen met niemand in de buurt die help kan horen.  Of kan zien, want in Villa Mozart – de dementieafdeling – kunnen de meesten niet meer spreken voor zichzelf. De wanhoop en angst op de gezichten van de familie voor het raam was wél zichtbaar. De schaamte die onze wangen nu collectief rood doet kleuren ook.

Wafels met frambozen

Voordien was wegkijken nog net mogelijk. Het leven ging gewoon door na een bezoekje aan de bomma waar je de grenzen steeds een stukje verder mee opschoof. Ik denk aan alle keren dat ik mensen aantrof die gevallen waren zonder iemand in de buurt om hen mee op te rapen. Of aan degenen die mij om een nieuwe pamper vroeger: “Hey meisje, mijn broek is nat, kan jij met mij naar het toilet gaan?” Of aan de tijd die anderen soms van me afsnoepten, bedelend om een praatje. De pijnpunten zijn dezelfde – geen tijd, te veel nood – alleen hebben de bewoners nu geen natte broek, maar liggen ze te sterven.

In Hemelrijck en vele andere woon- en zorgcentra ligt er op dit moment een vettige laag over alle leven. We laten onze oudjes daar stikken. En we willen liever niet weten hoe groot de kans is dat ze dat ook letterlijk doen, en alleen. Je zou voor even zelf een versluierende geest willen.

De pijnpunten zijn dezelfde – geen tijd, te veel nood – alleen hebben de bewoners nu geen natte broek, maar liggen ze te sterven

10 jaar frontotemporale dementie deed veel verdwijnen bij mijn bomma, maar haar gevoel voor humor hield nog lang stand. Als ik haar in betere tijden gevraagd zou hebben wat die sint daar deed, zou ze smalend hebben geantwoord: “Kinderen zoeken om in een zak te steken.” “Heeft hij er dan gevonden hier, bomma?” “Nee,” zou ze lachen, “’tis ne stommeling, hij had zich vergist van adres.” Hierover wil ik niets meer kwijt dan dat ik hoop dat de sint en het personeel zich niet schuldig voelen. Ze handelden vanuit een goede intentie.

De antieke kast gaat naar de verpleegkundige. Ik had het er even lastig mee. De kast is mooi en ik ken die verpleegster niet. Dat komt deels omdat ik me niet hecht aan personeel dat vaak verandert, niet altijd goed Nederlands spreekt en lijkt te houden van verstoppertje spelen op de privékamers. En deels omdat ik meer op bezoek had kunnen gaan.

Ik versierde een paar keer per jaar bomma’s wafels met frambozen zodat ze die vrolijk naar binnen kon schrokken. Dat moest stiekem, zonder dat de verpleegster het zag, want bomma had diabetes. Ook daardoor leerde ik haar niet kennen, die verpleegster die standhield, ondanks dat de werkomstandigheden het perfecte recept vormden voor een burn-out.

Ze vond tijdens dit alles de tijd om naast mijn bomma te zitten toen ze haar laatste adem uitblies. En om ons dit te vertellen. Menselijkheid, daar geven we het laatste stukje van mijn bomma voor. Van Armonea zelf kwam niets. Ook geen telefoontje toen het helemaal te laat was.

LIeselotte en haar grootmoeder (© Lieselotte Smaers)

Af en toe een beetje

Vanop afstand is het cynisch. Ik krijg het beeld van een slang die in zijn eigen staart bijt.

Een virus waartegen de medische vooruitgang alsnog niet opgewassen is, maakt de meeste slachtoffers in woon- en zorgcentra. Dezelfde vooruitgang heeft ervoor gezorgd dat zulke plekken bestáán. Vergrijzing is een reëel probleem. Vele doosjes met nog meer pilletjes erin lijken een belofte te doen, maar die is soms loos. Je kan nauwelijks nog van levenskwaliteit spreken als er meer aandacht gaat naar pilletjes toedienen en verzorgingstaken doen dan naar een simpel praatje van mens tot mens.

Je kan nauwelijks nog van levenskwaliteit spreken als er meer aandacht gaat naar pilletjes toedienen en verzorgingstaken doen dan naar een simpel praatje van mens tot mens

In woon- en zorgcentra kan je zien dat ons besturingssysteem een eindige levensduur heeft. Het is broos. De illusie van maakbaarheid versus de kwetsbaarheid van ons bestaan. Hoe ver kan je hierin gaan?

Kwetsbaarheid maakt dat ik geraakt ben in mijn wezen door dit leed en reageer. Het maakt dat ik compassie voel, de andere kant van leed. Om mijn bomma’s lijden te voorkomen was het te laat. Ik denk dat ze afgezien heeft. Onnodig angstig is geweest. Alleen donkerte zag. Troost moest ontberen. Het enige wat ik kan doen is deze ervaring delen en hopen dat de volgende bewoners mensen mogen blijven tot op het einde. Ik wens iedereen de moed om echt te kijken en te doen wat mogelijk is. Nu. Om de hand uit te reiken naar elkaar, al is het met een raam ertussen.

Laat dit een oproep zijn om vrijwilligers in te schakelen voor taken die op dit moment levensnoodzakelijk zijn. Om daden van menselijkheid, ondanks de maatregelen, oogluikend toe te staan. Om desnoods het begrip ‘palliatief’ te herinterpreteren. Toon Hermans wist het beter: “Sterven doe je niet ineens, maar af en toe een beetje. En alle beetjes die je stierf, ‘tis vreemd, maar die vergeet je…”

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Lieselotte Smaers

Lieselotte Smaers is experiëntieel kinder- en jongerentherapeut. Ze schreef deze gastbijdrage omdat ze als (klein)dochter geraakt werd door het leed dat ze van dichtbij zag.