Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Politiek en staatsmacht binnen de Hoge Raad voor de Justitie

30 december 2020 Walter De Smedt
Justitiepaleis
Het Justitiepaleis in Brussel (Foto: Laurent Verdier (Pixabay))

België heeft een lange traditie van onbehoorlijke creativiteit wanneer het gaat om benoemingen op belangrijke posten. Vermits in een democratische rechtsstaat soortgelijke posten een weerspiegeling moeten zijn van de maatschappij, is het logisch dat de politieke overtuiging van de kandidaten een rol speelt. Ook andere elementen, zoals kundigheid en ervaring, zijn van belang. Bovendien zijn er voorwaardeno waaraan de kandidaten moeten voldoen.

Bij de beoordeling van die voorwaarden loopt het vaak mis. Dat was onlangs nog het geval met de herhaalde voordracht door Ecolo-Groen van mevrouw Zakia Khattabi voor de post van rechter in het Grondwettelijk Hof. N-VA lanceerde een heuse mediacampagne die Khattabi afschilderde als een activist die een repatriëring zou hebben verhinderd. Dat werd tegengesproken door een rapport van de Algemene Inspectie.

Een ander voorbeeld van creativiteit is de benoeming van Frank Franceus in de Hoge Raad voor de Justitie en zijn daaropvolgende promotie tot voorzitter van de onderzoekscommissie van die raad. Franceus is de gewezen kabinetschef van Geert Bourgeois (N-VA).

Middenveld

De Hoge Raad voor de Justitie (HJR) is een onafhankelijk orgaan dat de te benoemen magistraten selecteert, maar ook mogelijke "disfuncties" binnen justitie onderzoekt. Bij de oprichting ervan werd gezocht hoe men de vertegenwoordiging van de magistratuur, academici en politici, maar ook van leden van het middenveld kon garanderen. Bij de aankondiging van de kandidaturen voor de periode 2020-2024 herinnerde de Senaat aan het belang van deze samenstelling: “Het lijkt een wat ingewikkelde puzzel, maar de wetgever hecht dan ook veel belang aan diversiteit in de samenstelling van de HRJ."

Omwille van die diversiteit benoemde de Senaat naast vier advocaten en drie professoren ook vier leden uit “het middenveld”. Om benoemd te kunnen worden moeten kandidaten een “relevante beroepservaring” hebben op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak. Dat er dus, naast juristen, ook “gewone burgers met kennis en ervaring” in de Hoge Raad moeten zetelen, is een wettelijke vereiste die enkel kan toegejuicht worden omdat ze de wens van de bevolking tot medezeggenschap en transparantie beantwoordt.

Vraag is hoe de vereiste van vertegenwoordiging van het middenveld in de Hoge Raad werd ingevuld. In het Nederlands college werden drie professoren, één erelid van de Kamer, zes advocaten en de directeur van de Dienst Enquêtes bij het Vast Comité I (dat toekijkt op de inlichtingendiensten) benoemd. Wie van hen moeten we als vertegenwoordiger van “het middenveld” beschouwen? Omdat de advocaten, de professoren, en het erelid van de Kamer dat niet kunnen zijn, moet de directeur van de enquêtedienst I, kennelijk in zijn eentje, de vier personen uit het middenveld vertegenwoordigen.

Dat is de heer Franceus. Maar ook voor hem geldt dezelfde vraag: behoort hij wel tot het middenveld? Volgens de omschrijving van het begrip, zoals ze op de website staat van N-VA, de partij die de gewezen kabinetschef van Geert Bourgeois deed benoemen, kan je daar ernstig aan twijfelen: “Het maatschappelijke middenveld is het geheel van particuliere organisaties en instellingen die de verschillende groepen, meningen en belangen in onze samenleving vertegenwoordigen.” De heer Franceus was bij zijn benoeming in 2016 chef van de enquêtedienst van het Vast Comité I. Dat is geen particuliere organisatie van het middenveld, maar een overheidsinstelling.

Ontslag

Bij de invulling van mandaten kijkt men ook naar het beroepsverleden van de kandidaten. Minstens gaat men na of er geen “onverenigbaarheden” zijn die de uitoefening van het mandaat kunnen bemoeilijken. Als chef enquêtes van het Comité I mag de heer Franceus volgens de organieke wet op het Comité I geen onderzoeken doen naar de werking van de magistratuur. Als voorzitter van de onderzoekscommissie binnen de Hoge Raad is dat echter zijn opdracht. Meer nog: het is de essentie van zijn taak. Op het ogenblik van zijn benoeming verenigde de heer Franceus in zijn persoon bijgevolg twee bevoegdheden die naar de wet onverenigbaar zijn.

Als chef enquêtes van het Comité I mag Franceus volgens de organieke wet op het Comité I geen onderzoeken doen naar de werking van de magistratuur. Als voorzitter van de onderzoekscommissie binnen de Hoge Raad is dat precies zijn opdracht

Ook feitelijk zijn de twee opdrachten niet te verzoenen. Als chef enquêtes moet Franceus de opdrachten van de magistraten uitvoeren. Als voorzitter van de onderzoekscommissie moet hij onderzoeken of in die opdrachten “disfuncties” te vinden zijn. Hij is dus tegelijk uitvoerder en controleur. Volgens Franceus heeft hij op 9 december 2020 ontslag genomen als chef enquêtes. Aan het formalisme is daardoor intussen, drie maand na de laatste benoeming, voldaan. Dat maakt echter niet dat Franceus plots een vertegenwoordiger van het middenveld is geworden.

Het ontslag van de heer Franceus bevestigt de onverenigbaarheid tussen de wereld van de inlichtingendiensten en deze van de magistratuur. De wereld van de inlichtingendiensten is een geheel andere dan de gerechtelijke wereld. Gerechtelijke onderzoeken moeten voldoen aan de vereisten van het eerlijk proces: een openbare behandeling, gelijkheid van wapens tussen het openbaar ministerie en de verdediging en daadwerkelijk toezicht door een onafhankelijke en onpartijdige rechter die zijn vonnis moet motiveren.

Inlichtingendiensten daarentegen werken volkomen geheim en in een internationaal verband: er moet geen bewijs worden geleverd, aanwijzingen volstaan en er is geen enkel rechterlijk toezicht. Bovendien geldt in de inlichtingenwereld een principe dat in de gerechtelijke wereld ondenkbaar is: het troc-principe. Dat houdt in dat voor het bekomen van een inlichting van een andere dienst er wat in de plaats moet gegeven worden: voor wat hoort wat.

Strijdige verantwoordelijkheden

De spreidstand van de heer Franceus, met één been in de gerechtelijke wereld en met het andere been in de wazige inlichtingenwereld, was een onhoudbare en tegennatuurlijke houding die vroeg of laat tot moeilijkheden moest leiden. De vraag is nu of de heer Franceus zich zonder meer kan ontdoen van de wereld waarin hij jarenlang heeft gefunctioneerd, een wereld die erg verschilt van die van het middenveld waartoe hij zogezegd behoort.

Bovenstaande opmerkingen zijn niet nieuw. Justitiewatcher Jan Nolf schreef op 21 juni 2016 op zijn blog:

"Bedenkingen rijzen ook in de reeks ‘le mélange des genres’ voor kandidaten met belangrijke potentieel strijdige verantwoordelijkheden zoals Frank Franceus, sinds 2013 directeur van de Dienst enquêtes van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (in zijn vorig leven adjunct-kabinetchef van minister Bourgeois). Die volhouder probeerde het al eens voor het mandaat 2004-2008 en 2008-2012."

Deze terechte opmerking werpt een bijkomend licht op de problematiek. Het betekent immers dat de Hoge Raad niet alleen geen gevolg gaf aan de onbetwistbare tegenstrijdigheden, maar ze meerdere jaren liet bestaan, en de betrokkene zelfs promoveerde tot voorzitter van de onderzoekscommissie. Die positie geeft hem nu uitzicht om voorzitter van de gehele Hoge Raad te worden.

Het geheel roept herinneringen op aan andere onfrisse verhalen over de Hoge Raad. In 2012 benoemde de Senaat Tony Van Parijs (CD&V) in de Hoge Raad en kon hij voorzitter worden. Dat Van Parijs als justitieminister katholieke magistraten benoemde, was geen beletsel. Hij moest wegens “onverenigbaarheid” wel ontslag nemen uit de Gentse gemeenteraad.

Ook aan socialistische kant werd een soortgelijk scenario opgevoerd. De toenmalige voorzitter van de Hoge Raad, Michèle Loquifer, echtgenote van oud-PS-voorzitter Philippe Busquin, nam ondanks een onderzoek naar valsheid in geschriften geen ontslag nam. Om de goede werking en de geloofwaardigheid van de instelling te verzekeren, besliste de algemene vergadering van de Hoge Raad toen tot de ordemaatregel van schorsing.

Fontinoy

Om het plaatje volledig te schetsen, moet er nog een kleinigheid aan worden toegevoegd. Op klacht van een gewezen agent van de Staatsveiligheid loopt bij onderzoeksrechter Claise in Brussel een onderzoek dat onder meer gaat over mogelijke bedreigingen door Frank Franceus. Bij aangifte van onrustwekkende feiten, door de agent van de Staatsveiligheid, zou Frank Franceus de agent gezegd hebben dat het ondertekenen van zijn getuigenis levensgevaarlijk was.

In de klacht schrijft de agent:

"Franceus zei dat ik vier kinderen had en dat het ook voor hen gevaarlijk zou zijn. Net als voor mijn vrouw. Ik was in shock. Die nacht heb ik verschillende brieven geschreven aan een aantal naaste vrienden, met de vraag ze openbaar te maken mocht me iets overkomen. Maandenlang heb ik met een geladen revolver onder mijn hoofdkussen geslapen."

Natuurlijk is Franceus onschuldig tot het bewijs van het tegendeel. Als het over een bedreiging zonder getuigen gaat, is het ook lastig te bewijzen. Maar het onderzoek gaat breder. Uit de zeer uitvoerige aangifte van dezelfde agent van de Staatsveiligheid volgen immers meerdere elementen die op ernstige “disfuncties” binnen de Staatsveiligheid kunnen wijzen. Maar vooral: ze roepen ook vragen op over het toezicht dat op die dienst werd uitgeoefend.

Daarover lopen ook andere onderzoeken. Daarin gaat het voornamelijk over mogelijke corruptie door Jean-Claude Fontinoy, de eeuwige rechterhand van voormalig minister Didier Reynders (MR), nu Europees commissaris voor Justitie. Het dossier werd door het parket in Brussel snel zonder gevolg gerangschikt, maar een deel van de klacht wordt nog steeds door het parket in Namen onderzocht.

Apache meldde eerder dat twee anonieme getuigen zijn opgedoken die wezen op betaling van grote sommen geld aan Les plus beaux villages de Wallonie, de vzw waarachter Fontinoy schuilt. Ook Apache zou gecontacteerd zijn door een anonieme bron die weet heeft van drie betalingen door een projectontwikkelaar van telkens 25.000 euro aan de vzw.

De klacht tegen Franceus kadert in een geheel waarin, gezien de aard van de feiten en de betrokken personen, de opdracht van de Staatsveiligheid, maar ook de vraag naar het toezicht daarop door het Vast Comité I, evident is

Een ander element in de klacht van de inlichtingenagent gaat over de in België in beslag genomen miljarden van de Libische dictator Khadafi. De intresten daarvan werden ondertussen vrijgegeven voor betaling van onder meer leveringen van wapens door FN (Fabrique Nationale). In dat dossier is er ook sprake van een terugbetaling aan prins Laurent voor zijn investering in boomaanplantacties in Libië. Hoewel een arrest van het hof van beroep in Brussel de prins gelijk gaf, werd voor de terugbetaling nog steeds geen cent van de in beslag genomen miljarden vrijgegeven.

De klacht tegen Franceus kadert met andere woorden in een belangrijker geheel waarin, gezien de aard van de feiten en de betrokken personen, de opdracht van de Staatsveiligheid, maar ook de vraag naar het toezicht daarop door het Vast Comité I, evident is.

'Gunstige evolutie'

Vanessa De Francquen, voorzitter van de Hoge Raad gaf een antwoord op de aan haar overgemaakte bovenstaande bedenkingen. Zij schreef:

"De Senaat heeft de heer Franceus met kennis van zaken benoemd als lid niet-magistraat. Verder heeft de heer Franceus ontslag genomen bij het Comité I als directeur enquêtes met aanvang op 10 december 2020. Er is in zijn hoofde geen sprake meer van cumulatie van verschillende functies. Daarnaast heeft de heer Franceus in het kader van zijn kandidatuur als bureaulid voor de Hoge Raad voor de Justitie de leden op de hoogte gebracht van de strafklacht en heeft hij hen ingelicht over de gunstige evolutie die aan dit dossier zal worden verleend door de procureur des Konings. Tenslotte geniet de heer Franceus zoals elke burger het vermoeden van onschuld."

Dit antwoord gaat voorbij aan de voornaamste opmerkingen: de afwezigheid van een vertegenwoordiger van het middenveld, de onverenigbaarheid van de door de heer Franceus uitgeoefende functies in de periode van 2016 tot 2020, en de promotie van de heer Franceus, na herbenoeming, tot voorzitter van de onderzoekscomissie. Dat de Senaat deze onverenigbaarheid niet heeft opgemerkt, belet niet dat de kandidaat deze vooreerst zelf moet beoordelen.

De situatie van de heer Franceus is als die van een magistraat die zelf moet oordelen of hij in een bepaalde zaak kan zetelen. Vraag is dus in welke onderzoeken de heer Franceus, gedurende de vier jaar die hij als lid functioneerde, is tussengekomen. Het antwoord van de voorzitter van de Hoge Raad bevestigt overigens deze delicate toestand: “Er is zijn hoofde geen sprake meer van cumulatie van verschillende functies.”

Staatsmacht

Dat de heer Franceus het bureau op de hoogte bracht van de strafklacht is een evidentie. Of het onderzoek daarover een gunstige evolutie zal kennen, kan enkel beoordeeld worden aan de hand van het gerechtelijk dossier. Er dient daarom minstens gewacht op de behandeling door de raadkamer. Dat de heer Franceus zoals elke andere burger het vermoeden van onschuld geniet, is ons niet ontgaan en wordt duidelijk aangehaald.

De verwijzing naar Franceus is een illustratie van de manier waarop een lovenswaardige wettelijke vereiste voor de samenstelling van een belangrijk overheidsorgaan als de Hoge Raad voor de Justitie, in de praktijk wordt ingevuld. Er is niemand die de middenklasse vertegenwoordigt. Bovendien kan de enige die ervoor in aanmerking zou kunnen komen, de heer Franceus, als gewezen kabinetschef en ex-directeur van een dienst die vertrouwd is met het reilen en zeilen van een inlichtingendienst, evenmin als een burger uit het middenveld worden beschouwd.

Politici, van wie er meerdere denken aan nieuwe vormen van burgerparticipatie, zouden zich kunnen bezinnen over de manier waarop zij de bestaande vormen ervan hebben ingevuld

Dat een instelling als de Hoge Raad voor de Justitie, die onderzoeken voert over de wijze waarop justitie functioneert en daarbij ook adviezen geeft over hoe het zou moeten, gedurende vier jaar in haar eigen werkwijze een duidelijke onverenigbaarheid heeft toegelaten en er pas na herbenoeming en promotie een formalistische wijziging in kwam, kan moeilijk anders dan als een “disfunctie” worden omschreven.

Dat er nu geen sprake meer is van cumulatie vertelt niets over hoe de Hoge Raad over deze werkwijze denkt. Ook politici, van wie er meerdere denken aan nieuwe vormen van burgerparticipatie, zouden zich kunnen bezinnen over de manier waarop zij de bestaande vormen ervan hebben ingevuld. Feit is dat er gedurende meerdere jaren één persoon was die het allemaal vanuit verschillende functies mocht bekijken: zoveel macht in hoofde van de heer Franceus doet echt wel nadenken over de achterliggende staatsmacht.

Uitgelichte afbeelding: het Justitiepaleis in Brussel (Foto: Laurent Verdier (Pixabay))

LEES OOK