Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Hoe Comité P het onderzoek naar extreemrechts in het Bendedossier belette

16 december 2020 Walter De Smedt
BELGIUM ARCHIVES BRABANT MASSACRES BRAINE L'ALLEUD
De supermarkt van Braine l'Alleud na een aanslag door de Bende van Nijvel, 27 september 1985. (© Belga)

Het kleine artikeltje opent tegelijk een erg belangrijk hoofdstuk uit het Bendeonderzoek: de piste naar extreemrechts, maar eveneens de manier waarop het Vast Comité P destijds het onderzoek naar deze piste belette.

Het Front de la Jeunesse kwam reeds naar voor nog voor het Bendeonderzoek er aandacht voor kreeg. Op 19 maart 1980 werd in de Senaat een parlementaire commissie opgericht die de toepassing van de wet op de privémilities en de werking van de bevoegde overheidsinstanties op het gebied van de ordehandhaving zou gaan onderzoeken. Deze commissie-Wijninckx, genoemd naar haar socialistische voorzitter senator Jos Wijninckx, stelde in juli 1981 haar verslag voor.

Uit het rapport bleek dat de Vlaamse Militanten Orde (VMO) en het Front de la Jeunesse (FJ) banden hadden met elkaar en met buitenlandse extreemrechtse organisaties. Hoewel er heel wat onderzoek werd gedaan over mogelijk extreemrechts binnen de Rijkswacht, stopte de commissie daarover haar werkzaamheden.

Negen jaar later publiceerde de Franstalige krant La Dernière Heure een interview met Martial Lekeu, een voormalige rijkswachter van de Brusselse Bewakings- en Opsporingsbrigade (BOB). Lekeu was België in augustus 1984 in onduidelijke omstandigheden ontvlucht met de hulp van DEA-agent Frank Eaton. Sindsdien verbleef hij, met een toeristenvisum dat slechts zes maanden geldig was, onder de valse naam David Adams in Orlando, Florida.

Geheime groepering

Op 5 september 1989 volgde een reeks nieuwe revelaties in het weekblad Panorama. In het eerste interview vertelde Lekeu aan journalist Gilbert Dupont dat hij eind jaren 70 was toegetreden tot de Groep G, een op nazileest geschoeide geheime organisatie binnen de Rijkswacht geleid door Francis Dossogne en Paul Latinus, de kopstukken van FJ. Groep G zou staan voor Groupe d'Action Politique. Andere bronnen spreken van Groupe de la Gendarmerie, naar analogie met de zusterorganisatie in het leger, Groep M, Groupe Militaire.

Daarnaast bestonden er ook kernen van Groep G. aan de Université Libre de Bruxelles, bestaande uit kandidaat Rijkswachtofficieren die er criminologie studeerden; in de Koninklijke Militaire School; in het Mobiel Legioen; in de groep Diane; in de drugssectie van de Brusselse BOB en in verschillende andere brigades van de Rijkswacht.

Er zouden een zestigtal manschappen betrokken zijn bij deze extreemrechtse infiltratie in de Rijkswacht. Groep G bestond uit afzonderlijke cellen die van elkaars bestaan en werking niets afwisten. Er wordt dan ook toegegeven dat de infiltratie wellicht groter was dan de geraamde zestig manschappen. Naar eigen zeggen was Martial Lekeu gerekruteerd door Didier Miévis, een BOB'er die bij het Centraal Bureau voor Inlichtingen werkte. Lekeu omschreef hem als de rekruteringsofficier van het Front bij de Rijkswacht.

Lekeu nam geregeld deel aan informele bijeenkomsten in het Brusselse Hotel de la Pompe met commandant Leon François van het Nationaal Bureau voor Drugs (NBD) en Frank Eaton van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA). Volgens Lekeu werd door de Groepen G en M vanaf 1975 gewerkt aan een plan tot staatsgreep. Die coup moest het orgelpunt vormen van een hele serie terreuracties en zou de macht in handen moeten spelen van het CEPIC (Centre politique des indépendants et cadres chrétiens, red.).

Lekeu in Panorama: "Tijdens de bijeenkomsten van Front werd een plan uitgewerkt om België te destabiliseren en klaar te stomen voor een autoritair regime. Dat plan bestond uit twee delen: een luik politiek terrorisme en een luik banditisme. Ik heb in het luik banditisme gewerkt. Ik was een van de specialisten die jonge kerels met rechtse trekken een opleiding moest geven, ze moest kneden tot een getrainde bende die tot alles bereid was. Daarna moest ik alle contact met hen verbreken zodat ze als zelfstandige groep konden voortbestaan en overvallen plegen, zonder te beseffen dat ze deel uitmaakten van een uitgekiend complot."

Nog steeds volgens Lekeu bestonden er veel meer van die groepen en zijn die vermoedelijk uitgegroeid tot de Bende van Nijvel. De ex-Rijkswachter beweerde ook dat hij de speurders van de BOB in Waver, belast met het onderzoek naar de Bende, in 1984 al had ingelicht. Voordien zou hij ook al een rapport over de extreemrechtse infiltratie in de Rijkswacht bezorgd hebben aan adjudant-chef Roger Tratsaert van de BOB.

Ook het Vast Comité P werd op de piste van Front de la Jeunesse gebracht. In het boek dat ik er over schreef kan je er wat van lezen. “Eén keer leek het er op dat het Comité P eindelijk tot de essentie van zijn oorspronkelijke opdracht zou doordringen. Dat was op het moment dat De Morgen beweerde dat Johan Demol, die zijn loopbaan begon bij de Rijkswacht en later commissaris van de Schaarbeekse politie werd, lid zou zijn geweest van het extreemrechtse Front de la Jeunesse.

Met deze bewering begaf De Morgen zich in het moeras van het Bende-onderzoek en verwees daarbij meerbepaald naar de denkpiste van 'de ontwrichting van de staat' door extreemrechts.

Aangeklaagd

Na een woelig debat wachtte het Parlement op het resultaat van het onderzoek door Comité P. Na een jaar zoeken stond het nog altijd met lege handen. Deze stand van zaken had binnen het comité tussen Valère De Cloedt en mijzelf tot alweer een meningsverschil geleid. Een echt onderzoek had ons comité niet gevoerd, terwijl dat precies was wat ik wilde. Toen De Morgen de FJ-lidkaart van Demol publiceerde, kwam het onderzoek tot stilstand.

Door een gunstige wind landde het dossier echter op mijn bureau. Samen met een lid van de dienst Enquêtes, mijn vriend Jos Van Herck, ontdekte ik dat de documentatie die bij de leider van FJ in beslag was genomen al die jaren onbenut bij de griffie in Brussel was blijven liggen. De documenten waren opgeborgen in originele Rijkswachtenveloppen die nog netjes dichtgeplakt waren. Men had ze dus nooit geopend. Erg verwonderlijk was dat want de parlementaire onderzoekscommissie had opdracht gegeven om deze na te kijken. De inhoud van de omslagen leverde niet alleen het bewijs van het FJ-lidmaatschap van Demol, maar ook van zijn deelname aan de vele vergaderingenDe documenten gaven verder een beter inzicht in de contacten en de werking van FJ als georganiseerde extreemrechtse organisatie.

Onze vaststellingen vielen echter bij voorzitter Freddy Troch niet in de smaak. Tijdens mijn verblijf in het ziekenhuis werd tegen mij klacht neergelegd bij de begeleidingscommissie. Dat had tot gevolg dat het comité-onderzoek stilviel. Waarom waren de door mij aangebrachte documenten destijds niet opgenomen in het Bende-onderzoek of het parlementair onderzoek dat erop volgde? Paste FJ niet in de piste 'ontwrichting van de staat door extreemrechts'?

Toch wel gek dat oud-onderzoeksrechter Troch, destijds zogezegd uit het Bende-onderzoek gezet, als voorzitter van Comité P niet alleen geen belangstelling had in stukken uit zijn vroegere onderzoek, maar dat hij bovendien klacht neerlegde tegen een collega die daarop wél verder onderzoek deed!

Sabotage van nieuw onderzoek

Bij het aflopen van het mandaat van Comité P zat iedereen op het tandvlees. Aan toezicht op de grote korpsen, de Rijkswacht en de Gerechtelijke Politie, was weinig gedaan en ook dat weinige was, zacht uitgedrukt, erg betwistbaar. Meer energie ging naar de voortdurende verdachtmakingen aan mijn adres en naar pogingen om mij eruit te gooien.

Het feit dat ze mijn telefoongesprekken optekenden, illustreert hoe ver mijn collega's daarin gingen. Via onze centrale kon Troch nagaan wie met wie belde. Omdat hij had gemerkt dat ik ook wel 's belde met Walter De Bock, dé onderzoeksjournalist van DM, meende hij het bewijs in handen te hebben dat ik het beroepsgeheim schond.

Hij initieerde een strafklacht, zodat ik opnieuw door een raadsheer van het hof van beroep te Brussel moest worden ondervraagd. Met wie ik op wanneer had gebeld? Ik antwoordde dat ik daarop niet wenste in te gaan omdat de lijst der telefoonnummers onrechtmatig was verkregen en dus uit het dossier verwijderd moest worden. Troch mocht dan wel voorzitter zijn van Comité P, dat gaf hem niet de bevoegdheid om een gerechtelijk onderzoek te doen over de schending van het beroepsgeheim en daarbij de telefooncentrale te bevragen.

Bij mijn terugkomst van de ondervraging vond ik mijn comitécollega's in vergadering. Ze leken helemaal niet blij mij terug te zien, ze keken eerder sip. Blijkbaar hadden ze er op gerekend dat ik onder het gewicht van de door hen aangeleverde 'bewijzen' vervolgd zou worden. Zelf waren zij er geen moment blijven bij stilstaan dat niet ik maar zij een misdrijf hadden gepleegd.

BELGIUM ARCHIVES BRABANT MASSACRES BRAINE L'ALLEUD
De supermarkt van Braine l'Alleud na een aanslag door de Bende van Nijvel, 27 september 1985. (© Belga)

Zoektocht naar de waarheid

Over mijn vriendschap met Walter De Bock heb ik nooit geheimzinnig gedaan. Waarom ook? Met Walter zat ik van bij de eerste ontmoeting op dezelfde golflengte. Wij waren er beiden van overtuigd dat de Bendeovervallen en de aanslagen van de CCC (Cellules Communistes Combattantes, red.) te maken hadden met het bestaan van het Stay Behind-netwerk. Daarover hebben wij samen urenlang zitten praten. We wisselden onze kennis en onze ervaringen uit. Dat ik daarbij mijn beroepsgeheim zou geschonden hebben, was een fabeltje dat door mijn collega's was verzonnen.

Met Walter De Bock was ik het erover eens dat er geen fundamenteel verschil bestond tussen het doel van de ernstige onderzoeksjournalistiek en het doel van het gerechtelijk onderzoek: beide zoeken naar de waarheid

Welk beroepsgeheim trouwens? Comité P weigerde immers onderzoek te doen naar de Stay Behindnetwerken en de Bende van Nijvel. Waar het hen echt om te doen was, was de vrees dat wij het wel eens bij het rechte eind zouden kunnen hebben. Walter had in zijn eentje de moord op minister André Cools opgelost.

Hij had lange tijd tegen de stroom van het gerechtelijk onderzoek in moeten roeien om zijn zienswijze als een goede piste te doen aanvaarden. Met mijn naamgenoot was ik het er ook over eens dat er geen fundamenteel verschil bestond tussen het doel van de ernstige onderzoeksjournalistiek en het doel van het gerechtelijk onderzoek: beide zoeken naar de waarheid. 

Dat het tussen journalisten en onderzoeksmagistraten wel vaker scheef zit, heeft net zoveel te maken met dat er nog maar weinig echte onderzoeksjournalistiek mogelijk is, als met de overtuiging van vele magistraten dat alleen zij de waarheid bezitten. Gedegen onderzoeksjournalistiek kost tijd en hopen geld. Daarvoor is er vandaag geen plaats meer in de berichtgeving die een pure 'commercieis geworden.

De grootste disfuncties die door de parlementaire onderzoeken over om het even welk gerechtelijk onderzoek werden vastgesteld, gingen altijd over het achterhouden van informatie of over het niet delen of coördineren ervan.

Dat heeft tot gevolg dat iedere onderzoeksjournalist die op zoek gaat naar diezelfde waarheid steeds op diezelfde misstanden stuit bij het gerecht en de politie. Dat leidt binnen het systeem tot de permanente frustraties die wij kennen en tot de roep om strengere bestraffing van wat te vlug 'de schending van het beroepsgeheim' wordt genoemd.

Wordt het geen tijd om het verschil tussen de onderzoeksjournalisten en de magistraten, minstens in het Bendedossier, weg te nemen, zodat een kwaliteitskrant als DS er een meerzeggend artikel aan kan wijden? Bestraffing voor de 28 moorden verwacht niemand meer. Met de vrijgave van de waarheid zijn de nabestaanden en alle andere burgers wellicht al tevreden.

LEES OOK