De verlokking van nul

 Leestijd: 4 minuten2

Wanneer we iets wat goed is voor ons willen maximaliseren, begrijpen we intuïtief dat daar bijna altijd afwegingen bij betrokken zijn. Is dat ook zo wanneer we iets wat slecht is voor ons willen minimaliseren?

Een van de bedrijven waar ik de eer en het genoegen heb gehad voor te mogen werken had een goed ontwikkeld systeem van extralegale voordelen, met de toepasselijke naam Choices. Het hele idee van voordelen bovenop een salaris is dat de waarde ervan voor de medewerker hoger is dan de kost voor de werkgever – een ware win-win, dus.

Maar terwijl de kost voor de werkgever makkelijk te berekenen is, heeft een gegeven voordeel niet dezelfde waarde voor elke werknemer. Het aanbieden van flexibiliteit, en aan elke medewerker de kans te geven uit een menu die voordelen te kiezen die het beste passen bij hun huidige noden en levensstijl was dus een slimme zet.

Het streven naar een optimum

Een van de meer intrigerende elementen van Choices was de optie het aantal standaard toegekende verlofdagen aan te vullen. Door het equivalent van een dag salaris op te geven konden we zo een bijkomende dag vrijaf ‘kopen’. Bijna iedereen hield zich ofwel aan het bestaande aantal van 25 dagen, of kocht het maximale aantal van vijf extra vrije dagen. Dit bevestigt dat het aanbieden van de keuze een goed idee was geweest.

Maar mijn innerlijke econoom kon het niet laten zich om af te vragen wat er zou gebeuren als het voordeel niet beperkt was tot vijf dagen. Stel u voor dat u vrij zou kunnen bepalen hoeveel vakantiedagen u wil in een jaar. Waar zou uw optimum liggen? Als al de rest hetzelfde blijft, is meer vrije tijd natuurlijk goed – maar al de rest blijft natuurlijk niet hetzelfde: meer vakantie betekent minder geld. Er moet een afweging worden gemaakt.

Is dit de optimale hoeveelheid milieuvervuiling? (Foto: Chris Le Boutillier (Pexels))

Dit is vaak het geval wanneer we er op het eerste zicht van uitgaan dat meer ook beter is. Bijna altijd gaat dat ook gepaard met extra kost, of meer algemeen, met bijkomende eisen voor iets waarover we slechts in beperkte mate beschikken: geld, ruimte, tijd, capaciteit en dergelijke. We snappen intuïtief de afweging: meer is beter, jawel, maar tot op een zeker punt – lang voor we ‘oneindig’ bereiken (al wil dat niet zeggen dat zo’n optimum makkelijk kan worden bepaald, maar dat is een ander verhaal).

Wat als minder beter is? Een populaire vraag in inleidende lessen economie luidt als volgt: wat is de optimale hoeveelheid milieuvervuiling? Hier komt onze intuïtie meteen met het antwoord dat de optimale hoeveelheid vervuiling helemaal geen vervuiling is – nul, niets, nada.

Een wereld zonder pollutie zou immers geweldig zijn, net als een wereld waarin we allemaal een koolstofvoetafdruk hadden die nul was, waarin geen kinderen omkwamen op de weg naar en van school, waarin er geen mensen overleden in arbeids- en verkeersongevallen, waarin er niemand dronken achter het stuur zat en er geen fraude en misdaad waren. Hoe kan dat optimum iets anders zijn dan nul?

Nul als een optimum?

De suggestie alleen al dat zo’n optimum niet nul zou zijn, en dat fabrieken zouden mogen vervuilen, dat het oké is dat mensen omkomen op de fabrieksvloer of in het verkeer, dat fraude en misdaad aanvaardbaar zijn, die vervult ons met afschuw en verontwaardiging. Dit is precies het soort idee dat economie, en economen, een slechte naam geeft – de reputatie dat ze geen oog hebben voor wat werkelijk telt. Is dat een fair oordeel?

In een recente reeks tweets komt de Amerikaanse journalist Megan McArdle met een onderhoudend argument waarom het streven naar nul misplaatst is. Bij het begin van haar carrière werkte ze als tijdelijke kracht voor een bedrijf waarin een strikt beleid gold van één pen per medewerker. Om een andere pen te krijgen moest je ofwel een defecte, ofwel een lege pen inleveren. Dit was duidelijk een maatregel om de fraude te elimineren van het onrechtmatig meenemen naar huis van door de werkgever verschafte kantoorartikelen.

De jonge Megan kreeg de raad zorgvuldig haar persoonlijke pen nauwgezet te beschermen – haar naam erin krassen, ze in haar bureaulade sluiten, zelfs wanneer ze slechts even naar het toilet moest, en natuurlijk, ze ’s avonds meenemen naar huis, want het slot op de lade was niet te vertrouwen. Pennen werden immers volop gestolen: wie de pech had zijn pen te verliezen, had geen andere keuze dan zich die van een collega toe te eigenen.

Waardevoller dan je zou denken! (Foto: CC B 2.0 John Cooper (Flickr))

Zo werd een buitensporige hoeveelheid kantoortijd besteed aan ofwel het beveiligen van de eigen pen, ofwel het heimelijk pogen een eerder door iemand anders gestolen pen te vervangen. Bovendien had de maatregel elke collega veranderd in een potentiële dief van schaarse pennen (en ander kantoormateriaal, want hij betrof ook schrijfblokken, mappen, potloden en ander leuks dat voorheen wel eens de weg had gevonden naar de huizen van de medewerkers). Het was dan ook geen verrassing dat de werkatmosfeer die hiervan het gevolg was de productieve samenwerking geen goed deed .

Haar conclusie is dat het optimale niveau van fraude niet nul is: soms is het beter te aanvaarden dat sommige mensen soms je pennen stelen. En dat geldt net zo goed voor vervuiling, koolstofvoetafdrukken, dodelijke ongevallen op de werkplek en in het verkeer, dronken rijden, misdaad en dergelijke.

Steeds weer de afweging

Dichter bij nul komen betekent offers brengen. Wanneer we natuurlijk milieuvervuiling zien als een boosaardige ondernemer wiens fabriek zonder enige beperking grote hoeveelheden toxisch materiaal uitstoot, en die op die manier grote winsten incasseert, dan zou het wellicht niet zo’n probleem zijn om die praktijk te stoppen zonder dat daarvoor een offer nodig is. Maar in werkelijkheid nemen bedrijven natuurlijk al lang maatregelen om pollutie in te dijken, worden stappen gezet om fatale ongelukken op de werkvloer en in het verkeer te vermijden, en houdt handhaving dronken rijden en misdaad onder controle.

Is de balans altijd de juiste? Beslist niet. Maar net zoals bij het gedachte-experiment met de vakantiedagen bij het begin van dit stukje, komt bij elke verandering een afweging kijken. Is een extra vrije dag het offer van een dag salaris waard? Op een bepaald punt is dat niet langer het geval. En op een bepaald punt is de kost om milieuvervuiling, fraude of dronken rijden verder terug te brengen, of om een bijkomend overlijden in het verkeer of van Covid-19 te verhinderen hoger dan we bereid zijn te dragen.

Wanneer we in de toekomst dus weer eens de verontwaardiging voelen opborrelen bij het bemerken dat er weer eens meer dan helemaal niets is van iets ongewensts, laten we dan even diep ademhalen, en weerstaan aan de verlokking van nul. Nul is het gemakkelijkste antwoord, maar ook het verkeerde antwoord.


Uitgelichte afbeelding: Mondisso (Pixabay)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.