World University Rankings: spel van marktgestuurde universiteiten

 Leestijd: 7 minuten0

Het academisch jaar ging op 21 september van start. Op de universiteiten werd er, naast een onzeker vooruitzicht op een academisch jaar in tijden van corona, een missie verkondigd om excellent onderwijs verder uit te bouwen, het studiesucces te vergroten en verder in te zetten op innovatie. Deze succesindicatoren zijn in de academische wereld niet nieuw, maar eigenlijk weet niemand wat ze precies betekenen. Wanneer kan men spreken van excellentie of innovatie en hoe meten we dat?

World University Rankings proberen antwoord te geven op deze vraag en brengen jaarlijks lijstjes uit met ‘excellente universiteiten’. Sinds de eerste Academic Ranking of World Universities in 2003 verscheen, is er een wildgroei aan rankings die universiteiten beoordelen op alle denkbare criteria. Zo zijn er rankings per vakgebied, op basis van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, rankings die focussen op duurzaamheid en zelfs rankings die studentensteden beoordelen.

Hoewel het voor aankomende studenten nuttig kan zijn om universiteiten te vergelijken, zijn de indicatoren en methodes waarop rankings gebaseerd zijn niet valide en zijn rankings zelfs controversieel: kwaliteitsindicatoren die doorgaans bekritiseerd worden zoals reputatie en vermogen zijn zeer bepalend voor goede posities in zo’n ranking.

Hoewel universiteiten zich hiervan bewust zijn, verstrekken zij data aan ranking-organisaties en worden ranking-resultaten op social mediakanalen en websites gepubliceerd, niet zelden onder de titel ‘Feiten en Cijfers’. Dit is problematisch omdat rankings een ongefundeerd marktgestuurd fenomeen zijn dat de diversiteit tussen universiteiten doet verdwijnen en de ongelijkheid in het hoger onderwijs vergroot.

Rankings zijn een ongefundeerd marktgestuurd fenomeen dat de diversiteit tussen universiteiten doet verdwijnen en de ongelijkheid in het hoger onderwijs vergroot

Rankings zijn slechts een van de verschijnselen die voortvloeien uit de marktgestuurde academische wereld en zijn een gevolg van de veranderende verhouding tussen de universiteit, de staat en de industrie die leidde tot ‘academisch kapitalisme’: een systeem dat is gebaseerd op het doen van wetenschappelijk onderzoek én het nastreven van financieel gewin.

Dit academisch kapitalisme leidde tot een nieuw bestuursmodel waarin geldstromen, gestuurd door de vraag van de markt, bepalen hoe onderzoek en onderwijs georganiseerd wordt. Daarnaast zorgt de perverse prikkel die volgt uit het financieringsbeleid waarin universiteiten worden bekostigd per studiepunten en diploma’s ervoor dat wetenschappers in toenemende mate afhankelijk zijn van externe en commerciële financiers, wat de onderwerpen, snelheid en uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek beïnvloedt.

Schone schijn

Een goede reputatie is in de competitie voor geld onontbeerlijk en versterkt zichzelf. Dit heet het mattheuseffect: wie heeft zal nog meer krijgen (maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen). Dat laatste heeft betrekking op onder andere de vele tijdelijke contracten en onzekere vooruitzichten van het academisch personeel. Zo concludeerde de Volkskrant in 2015 dat 60% van de financiering naar 10% van de wetenschappers gaat.

Onderzoek toonde aan dat academische prijswinnaars vaak aan dezelfde universiteiten afstudeerden, want een goede reputatie zorgt er ook voor dat hun academische output waardevoller wordt

Onderzoek toonde ook aan dat academische prijswinnaars vaak aan dezelfde universiteiten afstudeerden. Een goede reputatie zorgt er namelijk ook voor dat academische output van die instelling wordt beschouwd als geloofwaardiger en waardevoller, wat bijdraagt aan betere communicatie, verspreiding en impact.

Verbonden zijn aan een prestigieuze instelling loont voor elk individu, los van hun academische output. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat universiteiten steeds meer het karakter van ondernemingen krijgen waarin individuele aspecten als reputatie en prestige een grote rol spelen.

Rankings spelen een belangrijke rol in de hedendaagse universiteit en zijn een heet hangijzer geworden waar beleidsmedewerkers, bestuurders en communicatiemedewerkers zich niet aan proberen te branden. De urgentie van rankings binnen universiteiten komt van bovenaf en wordt gestuurd door Raden van Bestuur en managementlagen die te maken hebben met externe stakeholders zoals ministeries en partners uit het bedrijfsleven en industrie waar de universiteit het tegenwoordig financieel voor een groot deel van moet hebben.

Verbonden zijn aan een prestigieuze instelling loont voor elk individu, los van hun academische output

Voor deze partners is het belangrijk om te weten hoe een universiteit presteert op regionaal, nationaal en globaal niveau ten opzichte van andere universiteiten zodat de beste keuze wordt gemaakt om te investeren in budget voor onderzoek.

Hoewel een overzicht van publicaties en impactfactoren hier ook een rol in kan spelen, laat een ranking in één oogopslag een ranglijst zien, waarbij managementindicatoren als inkomen en reputatie een prominente rol vervullen. Daarnaast zien rankings er flitsend uit, genereren ze veel ‘nieuws’, zijn ze eenvoudig te begrijpen en vervullen ze zo een uitstekende PR-rol.

Een vaste waarde

Ondanks morele en methodologische bezwaren hebben rankings een vaste plaats verworven in de academische wereld. Ze beantwoorden de vraag naar eenduidige lijstjes waarin de huidige academische key performance indicators makkelijk naast elkaar te leggen zijn: internationalisering, innovatie, excellentie en reputatie. Aangezien universiteiten niet-EEA studenten een hoger collegegeld mogen aanrekenen is het lucratief om met een goede ranking te adverteren.

Zo moet een universiteit in de QS Ranking top 200 staan, willen Chinese studenten in aanmerking komen voor een beurs. Het werven van buitenlandse studenten is in de laatste jaren uitgegroeid tot een businessmodel. Dit heeft te maken met de manier waarop het hoger onderwijs wordt bekostigd. De financiering van een universiteit door de overheid wordt naar rato bepaald door het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma’s.

De universiteit heeft dus baat bij een groei in volume en een snelle doorstroom met een hoog slagingspercentage. Het is logisch dat een groei in het aantal studenten ook een groei in uitgaven betekent, maar het probleem is dat de pot met geld niet meegroeit.

Dit zorgt voor instabiliteit, want een groei in marktaandeel van één universiteit leidt tot budgetverlies voor de anderen, die dan ook moeten groeien om hun budget gelijk te houden. Doordat universiteiten niet-EEA studenten een hoger collegegeld kunnen aanrekenen is deze groep een lucratieve inkomstenbron en worden marketing- en communicatieafdelingen ingezet om via international branding internationale studenten te werven.

Niet-EEA studenten zijn een lucratieve inkomstenbron. Marketing- en communicatieafdelingen zetten daarom in op international branding

Dit wordt gefaciliteerd door een toename van Engelstalige studies, die niet zozeer bijdragen aan meer diversiteit, maar eerder aan een groter marktaandeel. Niet toevallig is internationalisering ook een belangrijke ranking-indicator, wat opnieuw het mattheuseffect onderschrijft.

Op universiteiten weet men ook dat rankings wetenschappelijk onbetrouwbaar zijn en dat hieraan meedoen grotendeels gelijkstaat aan een kansspel. Rankings passen niet bij de academische mores en bovendien is de werkdruk op universiteiten te hoog om hier tijd en moeite in te steken. Helaas hebben universiteiten geen keuze omdat ze ook zonder actief mee te doen gerankt worden op basis van openbare data en conservatieve schattingen.

Omdat die schattingen vaak een lagere positie tot gevolg hebben, kiezen universiteiten er voor om toch data in te dienen. Door de methodologische speelruimte en het belang van een goede positie hebben rankings een dwingend karakter, maar verleiden ze ook tot actieve participatie. Beleidsmedewerkers voelen de druk vanuit de rvb’s om rankingsposities te duiden en fluctuaties in de lijst te verklaren aan de hand van posities van andere universiteiten.

Daarnaast kennen universiteit ook allemaal een eigen identiteit die ze graag weerspiegeld zien in de rankings. Impliciet heerst er daarom ook een sterk gevoel om op een bepaalde ranking te eindigen die overeenkomt met dat zelfbeeld.

De internalisering van deze resultaten bevordert actieve participatie en verleidt tot optimalisatie van deelname om zo excellent mogelijk te zijn: excellentie zoals dat door ranking-organisatie continu geherdefinieerd wordt en dat het meest aansluit bij de vraag van de huidige academische markt.

Rankings zijn geen statische lijstjes die jaarlijks kritisch en goed onderbouwd oordelen over universiteiten

Hoewel rankings dus claimen dat ze academische excellentie meten, beoordelen ze eigenlijk hoe ontvankelijk universiteiten zijn voor auditpraktijken en hoe prestaties overeenkomen met gekozen prestatie-indicatoren.

De wijze waarop data wordt verzameld, geanalyseerd en gepubliceerd, zorgt voor een herdefiniëring van excellentie, en daarnaast versterken deze ranking-praktijken de macht van dominante hoger onderwijssystemen en weerspiegelen ze globale ongelijkheid.

Rankings zijn geen statische lijstjes die jaarlijks kritisch en goed onderbouwd oordelen over universiteiten, maar worden samengesteld op basis van openbare data, data uit publicatiedatabases en op basis van data die universiteiten zelf aanleveren.

De data die door universiteiten zelf wordt ingediend, betreft onder andere het aantal studenten, wetenschappelijk en ondersteunend personeel en de verschillende geldstromen verdeeld over het aantal ‘subjects’, indelingen in vakgebieden die rankings hanteren. Omdat datadefinities op Angelsaksiche universiteiten gebaseerd zijn, worden deze universiteiten bevoordeeld en is het daarom ook geen toeval dat Britse en Amerikaanse universiteiten de rankings domineren.

Verregaande invloed

Naast het versterken van geopolitieke ongelijkheid leggen veel rankings sterk de nadruk op onderzoeksoutput die wordt gemeten in aantallen publicaties en citaties. Hoewel dit objectieve gegevens lijken, worden hier bepaalde vakgebieden sterk bevoordeeld doordat excellentie wordt geherdefinieerd als ‘veel (Engelstalig) publiceren’.

In de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen is de output lager en worden resultaten ook vaker in boekvorm gepubliceerd in plaats van papers. Je ziet in de rankings dan ook dat goed scorende ‘excellente’ universiteiten vaak een grote medische faculteit hebben en sterk zijn in bètadisciplines omdat daar veel papers worden gepubliceerd.

De inspanningen die beleidsmedewerkers in de rankings steken, worden aangemoedigd door rankingsorganisaties. Zij willen immers graag data ontvangen en universiteiten zoveel mogelijk betrekken om hun rankings relevant te houden, te kunnen adverteren, artikelen te kunnen schrijven en summits te organiseren om zo een vaste waarde in de academische wereld te blijven.

Rankings hebben dus een vergaande invloed op het beleidswerk van de universiteit en transformeren onder andere hoe betrokkenen beslissingen maken doordat ze anders kijken naar de invulling van hun baan en de identiteit van de universiteit waar ze werken.

Rankings hebben een vergaande invloed op het beleidswerk van de universiteit en transformeren onder andere hoe betrokkenen beslissingen maken

Zo worden beleidsmedewerkers verleid om door middel van analyseprogramma’s rankings te simuleren door uit te proberen wat verschillende keuzes in data-aanlevering tot gevolg hebben. De simulaties zijn echter niet heel betrouwbaar en vooral duur: het simulatieprogramma van Times Higher Education kost 27.600 euro.

Omdat veranderingen tussen universiteiten niet jaarlijks zichtbaar zijn, passen rankingsinstanties trucjes toe om relevant te blijven. De wegingen van indicatoren worden aangepast of er wordt gesleuteld aan deelnamecriteria zodat rankings nieuwswaarde blijven houden.

Een flagrant voorbeeld van zo’n marketingstunt is de Times Higher Education’s Best young universities: Millennials 2020. In deze ranking staan universiteiten die zijn opgericht in de eenentwintigste eeuw centraal. In de methodologie is er echter voor gekozen om de oprichtingsdatum ruim te interpreteren: zo telt een fusie van universiteiten ook als een nieuwe oprichtingsdatum.

Een evenwichtig overheidsbeleid met een verantwoordelijk financieringsbeleid tackelt de druk om te groeien in studentenaantal en neemt het concurrentieaspect van de universiteiten weg

De top drie ziet er als volgt uit: Paris Sciences et Lettres (2010), Sorbonne (2018) en de University of Paris (2019). Deze universiteiten zijn het resultaat van reorganisaties van de eerste universiteit in Parijs die is opgericht in 1150. Het is niet verrassend dat deze universiteiten in elke ranking hoog eindigen, want in de afgelopen eeuwen hebben ze veel prijzen ontvangen en een aanzienlijke internationale reputatie opgebouwd.

Hoewel universiteiten graag gezien willen blijven als waardevrije kennisinstituten waar mensen worden opgeleid om objectief en kritisch naar de wereld om hen heen te kijken, is de realiteit dat universiteiten naast de honger naar kennis worden gestuurd door de honger naar geld en reputatie.

Om deze uitputtingsslag en uitholling van onze universiteiten te stoppen, zullen zowel het academisch als technisch en administratief personeel moeten samenwerken met overheden en de media om de zwaartepunten van de macht opnieuw te verdelen. Een evenwichtig overheidsbeleid met een verantwoordelijk financieringsbeleid tackelt de druk om te groeien in studentenaantal en neemt het concurrentieaspect van de universiteiten weg.

Bewustzijn

Als universiteiten niet meer hoeven te concurreren om studenten, kunnen instellingsdata onderling worden gedeeld om te benchmarken (vergelijken van de prestaties, red.) en zo in de informatievraag te voorzien. Zo wordt de macht van globale rankingsinstanties onderschept en kan men aan eerlijke marketing doen waarbij universiteiten geen disclaimers meer op hun rankingspagina’s hoeven te plaatsen, zoals nu wel gedaan wordt.

Om getalenteerde buitenlandse studenten aan te trekken, kunnen universiteiten hun internationale marketing gezamenlijk organiseren met alle relevante informatie op één plek. Op basis van deze informatie kunnen media hun eigen insteek kiezen en wordt er geen foutieve en misleidende informatie verspreid via de universiteiten.

Het is onmogelijk om marktdenken van de universiteiten te weren, maar we kunnen onze studenten hier bewust van maken zodat zij hier enerzijds verantwoordelijk mee kunnen omgaan en zich anderzijds ook beter bewust zijn van hoe de academische wereld in elkaar zit en hoe machts- en geldstromen met elkaar verweven zijn.

Het uitbouwen van excellent onderwijs en het vergroten van studiesucces hebben namelijk weinig te maken met oprichtingsjaar of het aantal prijzen, maar worden gerealiseerd door een evenwichtig financieringssysteem, door zorg te dragen voor het personeel, en door onze studenten de juiste kennis en vaardigheden aan te leren om kritisch te denken en te doen.


Uitgelichte afbeelding: Ousa Chea (Unsplash)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Tessa Groen

Momenteel werkt Tessa Groen als kwalitatief onderzoeker. Ze schreef dit stuk op basis van haar ervaring als beleidsmedewerker Rankings op een Nederlandse universiteit alsook gesprekken met allerlei experts over rankings en de invloed van rankings op het beleid van universiteiten. Daarnaast schreef ze haar thesis over hetzelfde thema. Die werd genomineerd voor de Hoger Onderwijs Scriptieprijs 2019 in Nederland.