Libanon: de pijnlijke weg naar een geblokkeerde samenleving

 Leestijd: 9 minuten0

Met de gigantische explosie van 4 augustus 2020 kwam Libanon weer even – heel even – in het vizier van de westerse media terecht. Ook het dubbele blitzbezoek van president Macron in Beiroet haalde de wereldpers. TV-camera’s zoomden toen in op het diepgewortelde ras-le-bol van vele Libanezen.

Waarom dit wrange ongenoegen? Wat is er aan de hand in dit kleine land in het Midden-Oosten? Om die vraag te beantwoorden moeten we, zoals vaak, ver in het verleden teruggaan.

De historische oorzaken van het Libanese probleem gaan hoofdzakelijk terug op twee fundamentele aspecten. Ten eerste is er de diepe interne versplintering van de samenleving. Ten tweede de voortdurende buitenlandse inmenging, die ook sterk verbonden is met die eerste factor.

Interne maatschappelijke mozaïek

Het Midden-Oosten is geen homogeen religieus (of etnisch) blok. In Libanon leven immers ook tal van christenen; ze zijn daar proportioneel zelfs veel talrijker dan in landen als Egypte, Irak of Syrië. Maar binnen die christelijke groep (nu circa één derde van de bevolking) bestaat ook een grote diversiteit. De zogenaamde maronieten maken de grote meerderheid uit.

Libanon is een lappendeken van religieuze gemeenschappen, die soms door elkaar leven (meer bepaald in de grote steden) of soms ‘apart’ leven

Deze gemeenschap onderscheidt zich op bepaalde punten van de rooms-katholieke kerk maar is er wel mee verbonden (zoals enkele andere plaatselijke christelijke kerken). Dat is niet het geval voor andere christelijke gemeenschappen zoals de Grieks-orthodoxen, de Armeens-orthodoxen, de  protestanten en dergelijke die geen band met Rome hebben.

De moslimgemeenschap, van haar kant, worstelt eveneens met haar eigen breuklijnen. Zoals elders in de moslimwereld staan de soennieten tegenover de sjiieten (vandaag allebei ongeveer 30% van de bevolking). Maar ook het sjiisme kampt met ‘dissidenties’, onder meer de druzen (nu circa 5% van de bevolking).

Kortom: Libanon is een lappendeken van religieuze gemeenschappen, die soms door elkaar leven (meer bepaald in de grote steden), maar die in andere delen van het land ‘apart’ leven, in gebieden waar elke groep een overgrote meerderheid uitmaakt. Bovendien is die mozaïek vergroeid met het historisch grote gewicht van machtige families – ‘clans’ – die sedert de vorige eeuwen de gewone bevolking beheersen, en die vaak ook in onderlinge rivaliteit leven (ook binnen gelijke geloofsgemeenschappen).

Talrijke buitenlandse inmengingen

Van oudsher is dit kleine gedeelte van de Middellandse Zeekust sterk verbonden met naburige en soms zelfs verre landen. Het was echter ook vaak beïnvloed of zelfs overheerst door vreemde machten. De Turken (Ottomanen), de Fransen, de Britten, de Syriërs, de VS, de Iraniërs, de Irakezen, de Saoediërs, en last but not least, vanaf de jaren 1950, de Israëli’s, hebben allemaal het lot van Libanon mee bepaald.

Het land werd ook geconfronteerd met drie grote vluchtelingenstromen: de Armeniërs die de genocide door de Turken overleefden (na de Eerste Wereldoorlog), de Palestijnen (vanaf het einde van de jaren 1940) en zeer recent de Syriërs die de burgeroorlog in hun land ontvluchtten (jaren 2010). Een draf doorheen die woelige geschiedenis is onvermijdelijk om de huidige situatie te begrijpen.

Van Ottomaanse provincie tot Frans mandaatgebied

Tot aan de Eerste Wereldoorlog maakte het latere Libanon deel uit van het uitgestrekte rijk van de Ottomanen. Het gebied werd dus bestuurd vanuit Constantinopel, het huidige Istanbul. Maar in de negentiende eeuw brokkelde de Ottomaanse macht steeds verder af. West-Europese landen en Rusland probeerden elkaar de loef af te steken om hun invloed in het zieltogende rijk te vergroten.

Zo wierp Frankrijk zich op als verdediger van de christelijke bevolkingsgroep. In de jaren 1840-1860 zorgen moordpartijen tussen moslims en christenen voor een wijziging van het bestuurlijke statuut van dit deel van het Ottomaanse imperium, in samenspraak met de Europese machten. Een deel van wat nu Libanon is, kreeg meer autonomie in 1861, namelijk ‘Mont-Liban’, het bergachtig gebied achter de smalle kuststrook; de belangrijkste steden als Beiroet en Sidon maakten daar dus geen deel van uit.

Stilaan groeide een ‘Libanees’ bewustzijn, waarbij zowel maronieten en soennieten hun verschil met de rest van de naburige gebieden onderstreepten. Meer bepaald wilden ze zich onderscheiden van Syrië.

Op het einde van de Eerste Wereldoorlog werd het Ottomaanse rijk opgedoekt en kwam een deel terecht in de handen van Frankrijk, namelijk het huidige Libanon, samen met het huidige Syrië (1920). Maar wat was ‘Libanon’ precies?

Op het einde van de Eerste Wereldoorlog werd het Ottomaanse rijk opgedoekt. Een deel van het vroegere imperium kwam terecht in de handen van Frankrijk, namelijk het huidige Libanon, samen met het huidige Syrië (1920). Maar wat was ‘Libanon’ precies? De vorm en omvang van dat nieuwe ‘land’ lagen niet voor de hand. Uiteindelijk werd geopteerd voor een ‘Groot-Libanon’.

Het gebied bestond dus niet alleen uit ‘Mont-Liban’, maar ook uit het kustgebied (met de steden), met bovendien ook het oostelijker berggebied, Antilibanon, alsook de Bekavallei, die doorheen de beide bergstreken liep. Hierdoor kwam ook een grote sjiitische bevolkingsgroep in ‘Libanon’ terecht. Die regeling verwekte echter frustratie in Syrië, want een deel van die bevolking droomde van ‘Groot-Syrië’, inclusief Libanon.

Libanon werd echter geen kolonie, maar wel een ‘mandaatgebied’ van Frankrijk. Dit systeem, ingevoerd door de Volkenbond, impliceerde dat de heersende macht een politiek toekomstproject moest uitwerken voor het bestuurde gebied, dat op korte termijn ook onafhankelijk moest worden.

De Fransen schipperden – enerzijds tussen het behoud van een sterke greep en het toekennen van meer autonomie, anderzijds tussen het aanhalen van de banden met Syrië en het zelfstandig(er) maken van Libanon. Uiteindelijk trokken de voorstanders van een zelfstandig Libanon aan het langste eind. Een grondwet werd uitgewerkt vanaf 1926-1929, en vooraanstaande figuren uit machtige Libanese families werden deelachtig gemaakt aan de politieke macht.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1943, werd Libanon tenslotte onafhankelijk. Het zogenaamde Pacte National was een compromis tussen de maronitische en soennitische elites: het presidentschap kwam automatisch toe aan een maroniet, het ambt van premier aan een soenniet. De basis van het huidige verstarde institutionele systeem was gelegd.

De fata morgana van het ‘Zwitserland van het Midden-Oosten’

Gedurende enkele jaren leek dat systeem te werken. De economie bloeide op, de hoofdstad Beiroet scheen een moderne, diverse, tolerante, welvarende en geëuropeaniseerde Arabische vitrine. Maar de schijn was van korte duur.

De landbouw hinkte achterop en de industrie leed onder de vrijhandel. Het Libanese economische mirakel was voornamelijk gebaseerd op handel en bankwezen, een diensteneconomie die vooral bloeide door wheelen & dealen. Buiten (en in) de bloeiende steden bleef veel ellende woekeren, bijvoorbeeld in de Bekavallei en de armoedige berggebieden.

Van oudsher emigreerden vele Libanezen. De sjiieten waren bovendien grotendeels van de macht verstoken en werden op allerlei manieren achtergesteld: een bron van blijvende frustratie bij die grote bevolkingsgroep.

Maar niet alle sjiieten waren ‘arm’: binnen die groep bestond er ook een machtige, quasi feodale agrarische elite. Omgekeerd waren uiteraard lang niet alle maronieten ‘welvarend’ en machtig.

In 1958 brak het Libanese ‘model’ voor een eerste keer door de opflakkering van een burgeroorlog

In 1958 brak het Libanese ‘model’ voor een eerste keer door de opflakkering van een burgeroorlog. Een militaire interventie van de VS stelde daar snel een einde aan. Daarna leek Libanon gedurende enkele jaren weer het ‘Zwitserland van het Midden-Oosten’ te worden. Onder het presidentschap van generaal Foead Chehab (en zijn opvolger) leek Libanon de goede weg op te gaan.

Die figuur leek wel de incarnatie van het compromis waarop Libanon gebaseerd was. Hij behoorde tot een vooraanstaande maronitische familie, maar hij had ook soennitische wortels via zijn vader. Als generaal had hij tevens het leger achter zich, dat zich profileerde als de ‘neutrale’ kracht boven de maatschappelijke en politieke breuklijnen.

Niet onbelangrijk: Chehab probeerde ook banden op te bouwen met de sjiitische gemeenschap en hij wou komaf maken met de corruptie en het cliëntelisme die de Libanese samenleving verkankerden. Een citaat uit Lebanon van W. Harris:

“De Staat moet zorgen voor de basisrechten van de Libanezen, en die moeten toegekend worden als rechten en niet als giften. (…) We hebben geen politici in Libanon, we hebben handelaars in politiek”.

Chehabs diagnose uit de jaren 1960 klinkt 60 jaar later nog steeds pijnlijk actueel, nu de overheid meer dan ooit disfunctioneert …

De burgeroorlog (1975-1990)

Want algauw is de Libanese ‘eenheids- en ontwikkelingsdroom’ van Chebab op de klippen gelopen. De president zelf en zijn opvolgers bezondigden zich ook wel aan wanpraktijken, maar het is vooral de internationale context die Libanon uiteindelijk in de afgrond heeft gestort. Eind jaren 1960-begin jaren 1970 flakkerde het Israëlisch-Arabisch conflict weer op.

De Palestijnse verzetsbeweging groeide uit tot een ‘staat in de staat’

De Palestijnse vluchtelingen in Libanon organiseerden zich steeds sterker en werden ook slagvaardiger in de strijd tegen Israël. Een aantal Libanese moslims steunde hen daarin. Zo groeide die Palestijnse verzetsbeweging uit tot een ‘staat in de staat’. Steeds meer christenen zagen dat als een bedreiging voor hun eigen positie.

Kortom: in 1975 brak een bloedige burgeroorlog uit die vijftien jaar duurde. Het land was in de greep van milities van de verschillende gemeenschappen (van de christenen, de sjiieten, de druzen en dergelijke).

In 1975 brak een bloedige burgeroorlog uit die vijftien jaar duurde

Wederzijdse moordpartijen wakkerden de haat voortdurend aan. Bovendien viel het land ook ten prooi aan buitenlandse militaire interventies. In 1982 wilden de Israëli’s niet allen een einde stellen aan de aanvallen vanuit Zuid-Libanees gebied; ze wilden ook het hoofdkwartier van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie in Beiroet vernietigen.

Onder Israëlische bescherming maakten radicale christelijke milities van de gelegenheid gebruik om bloedbaden aan te richten in Palestijnse vluchtelingenkampen (de fameuze slachtpartijen van Sabra en Chatila, rond Beiroet, in 1982). Syrische troepen trokken eveneens het land binnen: dictator Hafez al-Assad wilde van Libanon een vazalstaat te maken. ‘Groot-Syrië’ lag blijkbaar binnen handbereik.

Naar schatting kwamen 100.000 personen om, vluchtten 800.000 naar het buitenland en nog eens een half miljoen waren binnenlandse ontwortelden

Beide buitenlandse bezettingen ondergroeven nog meer het staatsgezag, dat al in zijn voegen kraakte door de conflicten tussen de Libanezen zelf. Van een ‘Libanese staat’ was er eigenlijk geen sprake meer. In de verschillende delen van het land zwaaiden de Libanese milities of de buitenlandse troepen de plak. De verwoesting van infrastructuur en private gebouwen was enorm.

Er was amper enige publieke dienstverlening. Naar schatting kwamen 100.000 personen om, vluchtten 800.000 naar het buitenland en nog eens een half miljoen waren binnenlandse ontwortelden. Topfiguren ontsnapten niet aan de moorddadige dans: druzenleider Kamal Jumblatt werd vermoord in 1977, president Bashir Gemayel in 1982, premier Rachid Karamé in 1987, president René Maowad in 1989, enzovoort.

Belangrijk om op te merken: de burgeroorlog was niet een ‘eenvoudige’ confrontatie tussen christenen en moslims. Christelijke fracties sloten evengoed allianties af met moslimgroepen (en vice versa) om af te rekenen met rivalen met dezelfde religie, christelijk of moslim.

Hafez al-Assad tijdens zijn bezoek aan Iran in 1997. (Foto: CC BY 4.0 Khamenei.ir (Wikimedia Commons))

De (pogingen tot) heropbouw (1990-)

In 1989 werd in de Saoedische stad Taïf, bij Mekka, een akkoord afgesloten tussen volksvertegenwoordigers van verschillende Libanese strekkingen. Het voorzag een nieuwe machtsverdeling tussen gemeenschappen, maar nog steeds binnen de logica van het Pacte National van 1943. De politieke functies werden dus nog steeds verdeeld volgens een bepaald patroon, waarbij elke (grote) gemeenschap ‘haar’ vaste stek kreeg.

De president is een maroniet, de premier is een soenniet, de voorzitter van het parlement is een sjiiet. De regering kreeg meer macht en bestond voor de helft uit christenen en voor de andere helft uit moslims. Het parlement werd onafhankelijker en was eveneens opgebouwd volgens een bepaalde verdeelsleutel: de helft van de deputés is christelijk, de andere helft bestaat uit niet-christenen (met evenveel soennieten en sjiieten).

Vroegere krijgsheren en militieleiders kwamen (opnieuw) aan het hoofd van de staat te staan

Het vergrendelde institutionele systeem, gebaseerd op afzonderlijke ‘identiteiten’ werd dus weer hersteld. De vroegere krijgsheren en militieleiders, vaak telgen van machtige families die al decennia, zo niet eeuwen, de dienst uitmaken, werden dus niet aan de kant geschoven, laat staan gestraft; ze kwamen integendeel (opnieuw) aan het hoofd van de staat te staan. Weliswaar zwegen de wapens, maar de verdeeldheid en de communautaire identificaties bleven domineren.

Efficiënt bestuur leverde dat alvast niet op. Tussen mei 2014 en oktober 2016 had het land bijvoorbeeld zelfs geen president meer, omdat de partijen het niet eens konden worden. De ‘nieuwe’ (en huidige) president werd uiteindelijk de toen 81-jarige maroniet, generaal Michel Aoun, zelf een hoofdrolspeler in de burgeroorlog… Van vernieuwing gesproken.

Parallel werd het land ook materieel en infrastructureel opnieuw opgebouwd. De soennitische premier Rafik Hariri, een vertrouwensman van de Saoedische koning, speelde hierin een grote rol. Oorspronkelijk aligneerde hij zich ook op Syrië, maar toen hij samen met andere strekkingen de greep van dat buurland wilde verminderen, werd hij in 2005 vermoord – de zoveelste politieke moord op een toppoliticus – door de handlangers van het Syrische regime, de sjiietische partij Hezbollah.

Hezbollahstrijders (Foto: CC BY 4.0 khamenei.ir (Wikimedia Cimmons))

Mede door internationale druk kwam kort daarop ook een einde aan de Syrische aanwezigheid in Libanon. Israël van zijn kant lanceerde nog een militaire operatie in de zomer van 2006, maar trok zich snel weer terug. De Syrische hypotheek was dus gelicht, maar de indirecte invloed van dat land bleef groot, via de machtspositie van de sjiietische groeperingen, meer bepaald de Hezbollah.

De heropbouw van het land werd voor een groot deel gefinancierd door leningen. De buitenlandse schuld explodeerde. Het budgettaire tekort liep torenhoog op. De economische groei viel stil. Om de economische instorting zogezegd tegen te gaan, kregen de gewone Libanezen besparingsoperaties en privatiseringen door de strot geduwd, naar traditioneel neoliberaal recept.

1% van de Libanezen bezit naar schatting 40% van de rijkdommen

Dat belette overigens niet – wel integendeel! – dat de sociale ongelijkheid enorm is: 1% van de Libanezen bezit naar schatting 40% van de rijkdommen.

Volgens de Wereldbank zijn de afgelopen jaren 200.000 personen in de armoede terecht gekomen, naast het miljoen armen dat het land al ‘rijk’ was (op een totale bevolking van 6,8 miljoen). De werkloosheid is torenhoog en neemt nog toe. Het land herbergt momenteel ongeveer 1,5 miljoen Syrische vluchtelingen en daarmee telt dit het land met de meeste vluchtelingen per capita.

Libanon herbergt momenteel ongeveer 1,5 miljoen Syrische vluchtelingen en daarmee telt dit het land met de meeste vluchtelingen per capita

Begrijpelijkerwijze kwamen die gewone Libanezen de afgelopen maanden massaal de straat op om hun ras-le-bol uit te schreeuwen. Het Libanese identiteitsdiscours, over de gemeenschapskloven heen, won daarbij aan kracht. Maar of daarmee een nieuwe fase van de dramatische Libanese geschiedenis wordt ingeluid, is nog maar de vraag.

De Hezbollah, bijvoorbeeld, was er prompt bij om het volksprotest tegen te houden. In hoeverre de andere groepen – en de sociaaleconomische elites! – bereid zijn om het verstarde politieke systeem én de vigerende privilegies in vraag te stellen, is nog maar de vraag. Het is ook afwachten wat de opvallende aanwezigheid van president Macron in de straten van Beiroet zal opleveren, na de ongeziene explosie (die zelf een symptoom is van het beheersmatige onvermogen).

Zijn optreden ligt niet alleen in de lijn van de eeuwenoude betrokkenheid van Frankrijk in dit land, maar ook van het grotere activisme dat Macron aan de dag legt in de oostelijke Middellandse Zee (men denke aan de recente Franse profilering aan de zijde van Griekenland in het gasconflict met Turkije en aan de steun die Frankrijk verleent aan de krachten van de ‘opstandige’ maarschalk Haftar in Libië).

De komende weken en maanden zullen we zien hoe de andere stakeholders in de Libanese mozaïek zich zullen opstellen. Traditiegetrouw is dit een cruciale factor in het triestige Libanese lot.


Uitgelichte afbeelding: CC BY 4.0 Vyacheslav Argenberg (Wikimedia Commons)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Guy Vanthemsche

Guy Vanthemsche is historicus en doceert hedendaagse geschiedenis aan de VUB. Hij is co-directeur van het Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, lid van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis en lid van de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen.