Via ‘de bubbel van vijf’ naar een vrij Vlaanderen?

 Leestijd: 9 minuten11

Na jarenlang het sociaaleconomische stuur kordaat naar rechts te trekken, lijkt N-VA in haar huidige poging tot regeringsformatie plots voor een linkse bocht te kiezen. Waar staat die partij nu eigenlijk voor? Wat te denken van deze politieke shapeshifting?

Toen Open Vld eind 2019 even over een paars-groene coalitie onderhandelde, repliceerde een forse Bart De Wever nog dat hij “stevige Vlaamse tandpasta” nodig had om “de rood-groene smaak uit de mond te wassen”. In het belang van hun separatistische agenda wil N-VA nu enkele jaren wat water bij de wijn doen, zo lijkt het, zodat VOKA-Vlaanderen nadien de vleugels kan strekken. Even meebuigen om nadien harder te kunnen terugveren, dat past helemaal in de tactiek van nieuwrechts.

Paul Goossens wees ons onlangs in De Standaard nog op een gelijkaardige omslag in de essays van Bart De Wever, naar aanleiding van een essay dat recent in De Tijd verscheen: “zoals virussen kunnen muteren, zo ook het identiteitsbegrip. In zijn pleidooi uit 2010 is de verlichting de grote afwezige … vandaag zou ze de sokkel van de Vlaamse identiteit zijn.”.

Die bocht, waarbij plots de verlichting werd aangeknipt of toch als rekwisiet in de vitrine komt te staan, bevestigt weliswaar de ideologische analyse die de sociale wetenschapper Ico Maly sinds zijn proefschrift uit 2012 van N-VA maakte: de partij past ideologisch in de antiverlichtingstraditie van conservatieven als Edmund Burke die de universele aspiratie van de verlichting willen inruilen voor een focus op het nationalisme.

Sommige progressieve waarden worden omarmd omdat ze doorheen de jaren deel zijn gaan uitmaken van onze ‘cultuur’

Typisch aan de hedendaagse antiverlichting is echter net de retorische claim op de verlichting om zo het intellectuele gedachtengoed van de tegenstander te kunnen kapen en op die manier een positie in het politieke midden te kunnen veroveren.

Het gaat om ambiguïteit scheppen: de ingeburgerde progressieve waarden aanvaard je (bijvoorbeeld stemrecht voor vrouwen, dierenrechten of het homohuwelijk) om des te efficiënter een verdere emancipatie te kunnen afblokken met een conservatieve tegenbeweging (bijvoorbeeld inzake de abortuswetgeving of de mensenrechten van vluchtelingen).

Sommige progressieve waarden worden omarmd omdat ze doorheen de jaren deel zijn gaan uitmaken van onze ‘cultuur’ (lees: onze nationale traditie), niet zozeer omdat ze intrinsiek waardevol zijn.

‘Homogene solidariteit’

In zijn eerste interview in De Morgen als de nieuwe partij-ideoloog van N-VA toont Joren Vermeersch meteen treffend hoe die logica werkt. Hoewel hij benadrukt dat gelijkheid voor de wet voor hem heilig is, zouden we solidariteit toch alleen kunnen opbrengen met leden van de eigen gemeenschap waarin we ons kunnen herkennen:

“Solidariteit veronderstelt een zekere mate van homogeniteit, een sterk kader van normen en waarden. Een gedeelde identiteit. Anders explodeert de samenleving.”

Even meebuigen dus om nadien harder te kunnen terugveren: dit statement hakt immers zonder scrupules in op de universele logica van de sociale zekerheid waarvoor geldt dat iedereen die bijdraagt aanspraak kan maken op sociale rechten. Ongeacht afkomst, geloof of gender.

Vermeersch camoufleert zijn radicale gedachtegang weliswaar met de retoriek dat mensen met een migratieachtergrond profiteurs zouden zijn, hoewel het zware werk in onze samenleving steeds meer voor hun rekening is. Maar volgens de denktrant van Vermeersch is solidariteit zelfs ‘onwerkbaar’ in de ideale wereld waarin niemand nog werkloos hoeft te zijn.

Het minste dat kan gezegd worden, is dat Vermeersch als nieuwkomer consequent de ideologische partijlijn voortzet

Meer nog: de hoge belastingfraude in Vlaanderen zou te verklaren zijn door het wantrouwen dat de burger in de overheid heeft, met zijn ‘uitkeringseconomie’ en zijn ‘opvang- en leefloonsysteem die de import van armoede bevordert’. Anders gezegd: diversiteit zou solidariteit en ook burgerzin uithollen.

Het minste dat kan gezegd worden, is dat Vermeersch als nieuwkomer consequent de ideologische partijlijn voortzet. Dit eerste interview illustreert onomwonden waarom hij is aangenomen.

In zijn 11 juli-boodschap in De Standaard stuurt Vermeersch zijn solidariteitsargument weliswaar bij zodat we alvast de flamingant niet langer moeten verdenken van fraude: “wie zich weinig betrokken voelt bij de gemeenschap, heeft minder schroom die op te lichten”, klinkt het.

Wat in het interview nog een excuus was voor de fraude van de Vlaming, transformeerde zo op enkele dagen tijd naar een verwijt aan het adres van de koele minnaars van de Vlaamse feestdag: wie niet plooit voor het Vlaams-nationalisme, zou potentieel een crimineel zijn. Daar komt het eigenlijk op neer.

Sterker nog: dan ben je, aldus deze Vlaams-nationalistische 11 juli-verklaring, een ‘individualist’ die niet begaan is met zijn gemeenschap en zich zelfs neigt “te onttrekken aan lastige noties als ‘burgerplicht’ en ‘algemeen belang’”.

“Wie zich weinig betrokken voelt bij zijn gemeenschap, kan meer verdragen van haar vertegenwoordigers, jaagt zich minder snel op in de politieke actualiteit en heeft minder schroom om de meest populaire van alle Vlaamse hobby’s te bedrijven: de eigen gemeenschap oplichten met creatief boekhouden.”

‘Feestdag voor iedereen?’

Wie geen flamingant is, zou volgens Vermeersch dus al gauw politiek onkritisch zijn en te weinig burgerzin aan de dag leggen. Vervolgens vraagt deze Vlaams-nationalist zich schijnbaar argeloos af hoe het komt dat zoveel Vlamingen de Vlaamse feestdag niet willen meevieren. Dat de inhoud van zijn eigen opinie treffend illustreert waarom heel wat mensen die dag liever onder een steen kruipen, het lijkt Vermeersch te ontgaan.

Om nog te zwijgen over allerhande extreemrechtse uitlaten die we op die hoogdag steevast moeten ondergaan. Of bijvoorbeeld dat zijn Vlaamse strijdbroeder Karl Drabbe van uitgeverij Doorbraak in een interview enkele pagina’s daarvoor in diezelfde krant ervoor ijvert dat N-VA en Vlaams Belang in 2024 de onafhankelijkheid uitroepen.

Elk jaar opnieuw moeten wij als inwoners van het Vlaams Gewest weer verdragen dan een aantal politici pretenderen te weten wat onze identiteit is

Elk jaar opnieuw moeten wij als inwoners van het Vlaams Gewest weer verdragen dan een aantal politici pretenderen te weten wat onze identiteit is en dat zij vervolgens voor ons menen te kunnen spreken. Het voelt als betast worden, niet iets wat de feeststemming bevordert.

Vervolgens praten ze ons graag een tekort aan, zelfs een fobie voor wat onze eigen natuur zou zijn. We moeten blijkbaar naar de psychiater omdat we niet willen meegaan in hun rechtse politisering van onze identiteit.

Vermeersch besluit zijn opinie gek genoeg met de bedenking dat we op deze feestdag “voor één dag de interne verschillen zouden moeten overstijgen”. Over sarcasme gesproken: eerst wild rond je heen meppen en dan doen alsof je wil verzoenen. Wie daar niet op ingaat, is dan opnieuw het probleem. Want onverdraagzaam en… niet solidair.

Voorwaardelijke gelijkheid

Vermeersch koppelt solidariteit dus aan identiteit. Dat mogen we aldus de partij-ideoloog niet als een aanval op de rechtsstaat opvatten, want iedereen blijft voor hem wel gelijk voor de wet. Maar dat is niet het geval voor de sociale zekerheid. Om die werkbaar te houden, is het principe van ‘homogeniteit’ van belang, het eigen volk zeg maar. Het sociale krijgt zo een nationalistische invulling die evengoed via liefdadigheid kan worden georganiseerd.

Bart – avondklok – De Wever ging nog een stap verder in een recente opinie:

“Vrijheid en gelijkheid bestaan alleen in een context van burgerschap. Burgerschap wordt gedragen door een gemeenschap waarvan de leden zich met elkaar verbonden weten en voelen. Finaal gaat het dus over het delen van een identiteit. Wie harmonie tussen mensen wil, moet streven naar een wederzijdse (h)erkenning tussen die mensen.”

Opnieuw die gedeelde identiteit als voorwaarde voor burgerschap, zoals we ook bij Vermeersch konden lezen. Maar deze keer zou (identitair) burgerschap op zijn beurt ook een voorwaarde zijn om vrijheid en gelijkheid te kunnen realiseren.

Anders gezegd: deze verlichtingswaarden zijn maar mogelijk als we voorrang geven aan een nationalistische organisatie van onze samenleving. De basisprincipes van onze rechtsstaat worden zo onverbloemd voorwaardelijk gemaakt aan onze bereidheid een patriot te zijn.

Voldoen aan de plichten van het sociale contract om ook van de rechten ervan te kunnen genieten? Dat verlichtingsidee volstaat niet voor De Wever

Voldoen aan de plichten van het sociale contract om ook van de rechten ervan te kunnen genieten? Dat verlichtingsidee volstaat niet voor de partijvoorzitter. Hij kiest ruiterlijk voor een natiestatelijke invulling van burgerschap in lijn met de Duitse, Herderiaanse traditie, die haaks staat op republikeins-Franse invulling die de mensenrechten als sokkel neemt.

De Wever heeft hier bovendien meteen zijn zondebok klaar:

“Het postmodernisme sinds mei 68 heeft de intellectuele elite zich radicaal doen afzetten tegen deze manier van denken. Identiteit geldt als een verzonnen constructie die alleen kan dienen om machtsstructuren te bestendigen en mensen uit te sluiten. Alles wat wij als het eigene beschouwen, is vals en leugenachtig. Identiteit mag alleen nog bestaan als een louter civiele structuur.”

Wie dus geen politisering van zijn identiteit wil, zeker niet als dit betekent dat de verlichtingswaarden relatief en voorwaardelijk worden, zou zich aldus De Wever laten leiden door de “heersende cultuur van zelfafwijzing”. Opnieuw die verwijten. Opnieuw die betutteling alsof wij onze identiteit fout zouden beleven.

Ook al leef je heel je leven in de Vlaamse regio en ken je dus de lokale mentaliteit, de sociale gebruiken en tradities, het landschap in zijn verschillende seizoenen en de cultuur van binnen uit, het is niet genoeg.

Ook al doorleef je de Vlaamse identiteit om de eenvoudige reden dat je er onderdeel van bent, dan nog zijn er anderen die denken dat ze bevoegd zijn te kunnen bepalen of je zuiver dan wel vol zelfhaat in de Vlaamse klei staat.

Vlaamse verwijtcultuur

Hoe het Vlaams-nationalisme zelf voortdurend een constructieve, open beleving van onze Vlaamse identiteit verhindert, je zou het de Vlaamse paradox kunnen noemen. Identiteit moet blijkbaar sowieso geproblematiseerd worden zodat het separatisme daarop kan kannibaliseren?

Identiteit moet blijkbaar sowieso geproblematiseerd worden zodat het separatisme daarop kan kannibaliseren?

En zoals Vermeersch de schuld van fraude graag afschuift op het “cultuurrelativisme van links”, omdat hij de Vlaamse ziel tot iets absoluut wil verheffen, zo legt ook zijn voorzitter graag de schuld voor racisme bij zijn politieke opponenten:

“Wie zich al in de steek gelaten voelde door een elite die zich tegen het eigene lijkt te keren, blijft nog meer verweesd achter en reageert soms op een manier die lijkt te bevestigen dat hij zich tegen de moderniteit heeft gekeerd.”

Dat racisme veel voorkomt bij mensen met sympathieën voor Vlaams-nationalistische partijen, het zou aldus De Wever niet liggen aan de wij-en-zij logica die deze partijen voortdurend aanjagen. Nee, het is de schuld van wie al eens de nodige tandpasta nodig heeft om de smaak van nationalistische onverdraagzaamheid uit de mond te wassen.

De schijnbaar linkse bocht biedt geen enkele garantie dat een onafhankelijker Vlaanderen een meer sociale regio zal worden

Kortom, de schijnbaar linkse bocht die De Wever nu in de regeringsformatie wil nemen, als pasmunt voor een staatshervorming, biedt geen enkele garantie dat een onafhankelijker Vlaanderen een meer sociale regio zal worden.

Want als zelfs kopstukken van de gematigde versie van Vlaams Belang in de kranten open en bloot benadrukken dat solidariteit en burgerschap voorwaardelijk zijn, en dat vrijheid en gelijkheid alleen maar kunnen bestaan in een identitaire context, dan hebben we vooral veel goede redenen om te vrezen voor dat ongelijk en onvrij Vlaanderen.

Rechtspopulisme vs. democratie

Het essay van De Wever geeft ons bovendien weinig hoop dat zijn gedroomde republiek Vlaanderen voor een rechtsstaat zal kunnen doorgaan. Wat hij schrijft, is immers een schoolvoorbeeld van het rechtspopulisme. Die ideologie laat zich kenmerken door het geloof in een (‘Vlaams’) volk versus een (‘postmoderne’) elite.

Rechtspopulisme verdraagt geen pluralisme, geen antagonistische meerstemmigheid van meningen. Het is wij tegen zij, vriend tegen vijand. Het gaat om een oppositie tussen de morele goede kerngroep versus de anderen waarvan de burgerzin hapert en die verantwoordelijk zijn voor de morele neergang.

De rechtspopulist strijdt voor een volkssoevereiniteit waarvan de leider dan de buikspreker is, die spreekt in naam van de ‘afwezige meerderheid’. De stem van het volk, wat dat ook moge zijn, moet heersen. Die moet verdedigd worden tegen vermeende interne en externe vijanden, en dat zijn er nog al wat.

De harmonie in de volksgemeenschap moet ook top-down opgelegd worden om op die manier een ‘klassensamenwerking’ tussen patroon en proletariaat af te dwingen

De harmonie in de volksgemeenschap moet ook top-down opgelegd worden om op die manier een ‘klassensamenwerking’ tussen patroon en proletariaat af te dwingen. Jan met de pet en havenbaas Fernand Huts, zij aan zij op het zangfeest van een VOKA-Vlaanderen, zeg maar. Gelijkgestemde geesten, om verzet tegen de toenemende economische ongelijkheid te vermijden.

In zijn nieuw boek ‘Ik, Wij, Zij. Sociologische wegwijzers voor onze tijd‘ waarschuwt socioloog Rudi Laermans ons voor zo’n “geassumeerde gemeenschappelijkheid” van het populisme. “Pure oplichterij”, noemt Laermans het.

Hij herinnert ons eraan, in navolging van de filosofe Chantal Mouffe, dat democratie precies de erkenning is van de constitutieve kloof tussen het volk en zijn uiteenlopende identificaties:

“Democratie gaat er vanuit dat een directe identificatie van ‘het volk’ niet bestaat, ze opent altijd weer opnieuw de ruimte van representatie waarbinnen in naam van het volk nieuwe eisen, belangen, identiteiten… kunnen afgelijnd en verdedigd worden.”

Die kloof maakt representativiteit volgens bepaalde maatschappelijke en sociale breuklijnen mogelijk en zorgt er dus ook voor dat er steeds nieuwe representaties kunnen ontstaan.

‘Zij die hier zijn, zijn van hier’

Net door die logica van pluralisme kan een democratie effectief de macht aan het volk geven omdat “democratie een polyfoon spreken is namens het volk waarin meerdere opvattingen over datzelfde volk weerklinken”.

Een democratische samenleving vereist bijgevolg dat we democratisch burgerschap net loskoppelen van identiteit. Het staat haaks op het idee van passief, homogeen kiesvee dat buigt voor het primaat van de politiek in naam van zoiets als de gedeelde volkswil.

Burgerschap is maar mogelijk als we eerst gelijkheid en vrijheid als principe vooropstellen

‘Het volk’ is op zich een lege betekenaar. Nationalisten willen dat symbolisch invullen door een morele en homogene eenheid met een essentialistische identiteit dat de boel draagt, op basis van een gedeelde erfelijke en culturele geschiedenis.

Om vervolgens, zoals N-VA, de splitsing van een land te gaan verdedigen met de stelling dat het uit twee democratieën bestaat omdat het om twee verschillende volkeren zou gaan.

Maar je kan ‘het volk’ volgens Van Dale ook begrijpen als ‘de gezamenlijke bewoners van een staat’. “Zij die hier zijn, zijn van hier” om het met een spreuk uit een schilderij van Walter Swennen te zeggen. Dan hebben we het simpelweg over ‘de mensen’ die hier wonen, met hun verschillende opvattingen en dromen.

Of gewoon: ‘the people’ of ‘le peuple’, zoals de vertaling voor ‘het volk’ in het Engels of het Frans gaat. De mensen die samen dag in dag uit het land recht houden in tijden van coronacrisis. Die ongeacht hun moedertaal of huidskleur of wat dan ook, de boel doen draaien en zo een autoriteit hebben opgebouwd door wat ze gepresteerd hebben. Door hun solidaire samenwerking, elke dag opnieuw, ongeacht hun onderlinge verschillen.

Het is net door die gemeenschappelijkheid dat burgerschap kan bestaan. We moeten de logica van De Wever dus omkeren: burgerschap is maar mogelijk als we eerst gelijkheid en vrijheid als principe vooropstellen.


Uitgelichte afbeelding: © Nicolas Maeterlinck (Belga)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van ‘Buy Buy Art. De vermarkting van kunst en cultuur’ (2015, EPO) en vakbondsverantwoordelijke voor cultuurwerkers voor ABVV-ACOD Cultuur.