Beter na corona: ander geld

 Leestijd: 7 minuten7

‘Wie in een eindige wereld in oneindige exponentiële groei gelooft, is ofwel een idioot ofwel een econoom’, zo formuleerde de gerenommeerde Amerikaanse econoom Kenneth Boulding het ooit treffend. Maar hoe komt dat eigenlijk? Weten economen iets dat wij niet weten en houden zij dat angstvallig geheim voor ons? Volgens econoom en landgenoot Bernard Lietaer (1942-2019) is het de aard van ons geld die economische groei vereist.

Er zijn verschillende soorten geld. Munten die de waarde hebben die ze uitdrukken, zoals bijvoorbeeld gouden munten. Papieren geld dat inwisselbaar is voor een standaard (meestal goud of zilver) zoals de Amerikaanse dollar tussen 1947 en 1971. Er is fiatgeld zoals momenteel onder andere de euro, dollar, yen. Er is geld dat gebaseerd is op wederzijdse kredieten zoals de LETS-munten, en er is ook cryptogeld zoals de bitcoin.

Een gevaarlijke monocultuur

Nu worden er wel wat cryptomunten verhandeld en er zijn ook veel meer complementaire munten dan je zou denken, vooral in het zuiden, maar meer dan 99% van het geld in onze tijd is fiatgeld. Dat geld wordt geschapen uit het niets en is dus niets anders dan informatie en vertrouwen. Het is de monocultuur van bankschuldgeld met rente die het probleem vormt.

Fiatgeld kan op twee manieren worden geschapen. Nationale banken kunnen geld ‘bijdrukken’, zoals in tijden van (corona)crisis gebeurt, en gewone banken kunnen leningen verstrekken. Dit is de gewone manier, of toch de meest gebruikelijke.

Financieel-technisch gezien móet de economie blijven groeien, ecologisch gezien mág ze niet blijven groeien

Als je naar een bank gaat om € 100 000 te lenen, dan hééft de bank dat geld niet, neen, ze kijkt even of ze de wettelijke reserve daarvoor liggen heeft en geeft jou de lening – onder voorwaarden natuurlijk. Op dat moment schept de bank dat bedrag uit het niets. Zodra jij je schuld hebt terugbetaald, is dat geld dan logischerwijze ook weer verdwenen in het niets.

Maar waar komt de rente vandaan? Die wordt immers niet bijgeleverd door de bank en die verdwijnt dan ook niet in het niets wanneer je de lening terugbetaalt. Wel, als alle geld gecreëerd wordt door bankschuld (in normale tijden is dat zo), dan moet die rente komen van … een nieuwe bankschuld. Dat betekent niet dat jij een nieuwe schuld moet aangaan, maar de economie in zijn geheel moet wel alsmaar meer lenen om de rente te kunnen betalen.

Dat betekent dat in tijden van crisis er een groot probleem ontstaat. Bedrijven en particulieren betalen hun leningen terug aan de banken, maar dat geld verdwijnt in het niets. Zo verkleint de totale hoeveelheid geld. Er worden weinig nieuwe leningen uitgeschreven, dus er komt weinig geld bij.

De balans is negatief: er verdwijnt meer geld in het niets dan er geschapen wordt uit het niets. Dat betekent dat er ruilmiddel (=geld) verdwijnt en dat dus het uitgeven van geld geremd wordt (er is minder geld beschikbaar), de economie gaat sputteren, er vallen faillissementen en die verergeren de hele neergang alleen maar. 

Rente maakt het geld ook schaars en dat op twee manieren. De rente op leningen zorgt ervoor dat we een deel van ons leven voor de bank werken, we worden dus als het ware beroofd van onze arbeid of tijd door de bank (=de rente). Anderzijds is er de rente op spaarrekeningen waardoor mensen met veel ruilmiddel op den duur niet meer hoeven te werken, want hun geld werkt voor hen.

Renteverbod

Schaarste veroorzaakt concurrentie en competitie en dat is met ons geld niet anders. Met andere woorden: rente zet ons tegen elkaar op. Daarnaast vergroot het ook de ongelijkheid – zie grafiek. 

Netto-renteoverdracht in Duitsland in 1982, bij een rente van 5,5%. Op de X-as zie je de bevolking opgedeeld in 10 groepen van gelijke grootte, gerangschikt volgens inkomen. De rijkste 20% ontvangt rente, de andere 80% betaalt rente (Bron: Het geld van de toekomst)

De meest evidente oplossing lijkt het afschaffen van de rente, want het is de rente die onze economie dwingt om te groeien. In het jodendom was er een renteverbod, net zoals in het christendom tot na de middeleeuwen. De islam hanteert het nog steeds.

Al zou een renteverbod niet alle problemen oplossen. Wat als iedereen zijn schulden terugbetaalt in een renteloze economie? Wel … dan is er geen geld meer! Ook bankschuldgeld zonder rente is dus problematisch.

Het is bijgevolg heel logisch dat nationale banken geld ‘bijdrukken’ als de economie sputtert. Het totale geldvolume mag immers niet te veel zakken of de problemen stapelen zich op.

Toch beperkt men het bijdrukken van geld meestal tot crisistijden, omdat het een delicaat evenwicht is. Druk je er echt te veel bij, dan creëer je hyperinflatie en dat veroorzaakt niet alleen economische ellende, maar vaak ook politiek-sociale onrust. Geld bijdrukken vinden de meeste economen en politici daarom riskant en enkel geoorloofd in uitzonderlijke omstandigheden.

De economie moet dus blijven groeien, anders wordt er niet genoeg geld geleend en groeit de totale hoeveelheid geld niet bij, wat er vroeg of laat voor zorgt dat mensen hun lening/rente niet kunnen (terug)betalen.

Het antwoord op de vraag ‘Moet de economie groeien?’ heeft hiermee een technisch antwoord gekregen: ja. Tegelijk weten we dat de economie niet mag blijven groeien, anders rijden we ons (ecologisch/klimaatgewijs en sociaal) te pletter. Financieel-technisch gezien móet de economie blijven groeien, ecologisch gezien mág ze niet blijven groeien. De oplossing voor deze spreidstand is dan ook technisch: ander geld.

Complementaire munten

De Belgische econoom Bernard Lietaer was een groot voorstander van complementaire munten. In zijn boeken droomt hij van een ecosysteem van (complementaire) munten. Die meeste complementaire munten zijn gebaseerd op wederzijdse kredieten. Jij werkt een uur voor je buur, je krijgt daarvoor een tegoed, hij heeft daardoor een krediet.

In mijn LETS-groep in Roeselare wordt een uur gewaardeerd met 60 wieltjes (Roeselare profileert zich graag als fietsstad). Niemand gaat echter graag onder nul, vandaar dat ik bij inschrijving 1.500 wieltjes kreeg. Ik kan niet onder nul gaan en niet boven 3.000. Je zou dit geld kunnen beschouwen als fiatgeld, maar dat is het niet. Het gemiddelde van alle Roeselaarse LETS’ers is immers altijd 1.500.

Wederzijdse kredieten met als rekeneenheid ‘uren’ – zoals alle LETS-munten – hebben veel voordelen. Er ontstaat maar geld op het moment dat twee mensen overeenkomen om een bepaalde arbeid (of een product) te waarderen met (complementair) geld. Er is geen risico op inflatie (een uur blijft een uur), er is geen rente (oppotten heeft geen zin), er zijn geen wisselkoersen (een uur in België is ook een uur in Congo) en je kunt enkel rijk worden door veel te werken. 

Er is nog een voordeel. Geld op basis van wederzijdse kredieten is niet schaars maar toereikend. Zijn er uren te veel of te weinig in een dag? Dat hangt af van wie je de vraag stelt. In feite zijn er genoeg, het aantal uren is toereikend, maar het is onze economie – meer bepaald de rente op onze valuta – die ons opjaagt om geld te verdienen.

Toereikende munten stimuleren dan ook niet de competitie of concurrentie, maar de samenwerking. Vóór Rutger Bregman zijn bestseller schreef over de deugdzame aard des mensen, hadden Dirk van Duppen en Johan Hoebeke (2016) al aangetoond dat de mens geneigd is tot samenwerken. Renteloze munten stimuleren gewoon onze natuurlijke aanleg tot coöperatief gedrag en bouwen op deze manier gemeenschappen weer op.

Het is de combinatie van twee functies van geld die ons de das omdoet. Geld is een ruilmiddel (functie 1), maar de nationale munten (euro incluis) fungeren ook als opslag van waarde (functie 2). Deze beide functies werken elkaar tegen. Een ruilmiddel is iets dat vrijelijk moet kunnen stromen in een economie, opslag van waarde betekent spaargeld en dat wil je houden voor als het ooit nodig is. 

Lietaer stelt bijgevolg ook een spaarmunt voor, een munt die een standaard heeft, zoals bijvoorbeeld een stukje jong bos. Je kunt de munt verdienen door het bos te helpen planten of door het bos te helpen onderhouden. Bij een kapping krijgt iedereen zijn deel van de opbrengst. Aangezien een bos jaar na jaar toeneemt in waarde, neemt je munt (eigenlijk is het een soort aandeel) ook toe jaar na jaar, tot het wordt bos wordt omgehakt. Wie krap bij kas zit voor het bos wordt gekapt, kan zijn ‘bosmunt’ altijd omruilen voor andere munten.

Het verschil met het huidige systeem is dat je echt specifieke activiteiten moet doen om de spaarmunt te verdienen. Normaal werk je voor ruilmiddel, maar af en toe voor spaargeld. Dit zorgt ervoor dat je veel relaxter zult omgaan met het ruilmiddel. Als het op dreigt te raken, moet je gewoon weer aan de slag.

Lietaer stelt ook een munt voor met demurrage: (over)liggeld of negatieve rente, om het met een lelijke term te zeggen. Deze munt, de terra, ziet hij functioneren bij multinationals. In plaats van dat eeuwige gedoe met veranderende wisselkoersen waardoor sommige bedrijven zelfs ruilhandel verkiezen, stelt hij een munt voor met als standaard een korf producten: een liter aardolie, een kg suiker, een kg zout, een kg koper … Een bedrijf houdt deze grondstoffen in eigendom en verkoopt multinationals ‘tegoedbonnen’ voor deze korf: de terra dus.

Aangezien het een korf grondstoffen betreft, is deze munt goed bestand tegen inflatie. Het enige nadeel is natuurlijk dat het terra-uitgevende-bedrijf ook personeel moet betalen; dat doet het door een vergoeding te vragen van de gebruikers van de terra: demurrage. Dat lijkt een nadeel, maar het kan het kortetermijndenken doorbreken; waarom zou je dit geld houden als je het kunt investeren in projecten die pas na vele jaren opbrengen?

Omruilen voor nationale munten kan ook, maar dan betaal je ook weer een wisselvergoeding. Zo wordt een bos aanplanten, een ontziltingsinstallatie bouwen of wetenschappelijk onderzoek financieren plots een stuk aantrekkelijker natuurlijk, want de opbrengst situeert zich ergens ver weg in de toekomst en dat is beter dan al die jaren demurrage betalen.

De troef van diversiteit

Lietaer stelt nog veel andere complementaire munten voor. Voor elke nood kun je een munt bedenken om die nood te lenigen. Zo doet hij een voorstel voor een zorgmunt, voor een educatieve munt, een munt om het milieu te beschermen en eentje om de burgerzin aan te wakkeren: de civic, mijn favoriet.

Complementaire munten vullen de huidige valuta’s aan en kunnen snel in belang toenemen als de huidige munt zijn geloofwaardigheid verliest of als een land in crisis verkeert en er conventioneel geld te weinig is

Helemaal legaal is die wellicht nog niet, maar het concept is simpel: een stad beloont wenselijk gedrag met een eigen munt en eist van zijn bewoners belasting in onder andere de eigen munt. Gevolg: mensen stellen wenselijk gedrag en krijgen meer burgerzin.

Mensen met tijd te veel (en euro’s te weinig) kunnen op legale manier bijverdienen door meer civic-arbeid te verrichten dan ze moeten om hun belasting te betalen én ze kunnen hun overschot aan civics wisselen voor euro’s met mensen die geen tijd of zin hebben om civics te verdienen. 

Maar waarom bestaan al die munten dan nog niet? Het is een goede vraag waar Lietaer zelf een antwoord op geeft: zo lang het huidige monetair-financiële systeem werkt, stellen we ons weinig vragen bij hoe het werkt. Hij noemt die andere munten ook complementair, ze vullen de huidige valuta’s aan en kunnen snel in belang toenemen als de huidige munt zijn geloofwaardigheid verliest of als een land in crisis verkeert en er conventioneel geld te weinig is. Het is hoog tijd dat de wetgever complementaire munten faciliteert dus.

Dat er een financiële of monetaire crisis aankomt, mag blijken uit het verleden. Van 1972 tot 2012 telde Lietaer maar liefst 425 crisissen in de wereld! De laatste jaren neemt hun aantal af, maar hun omvang toe – denk maar aan 2008.

Lietaer probeerde ons dan ook te behoeden voor een totale catastrofe. Je kunt maar beter al enkele complementaire munten hebben voor het geval de euro zijn waarde verliest, want dan kun je overstappen op die (al dan niet lokale) munten en moet je niet vlug-vlug een nieuwe munt uitvinden.

Complementaire munten zijn zowel verfrissend als noodzakelijk, ze zijn de beste verzekering tegen een falend financieel systeem en ze kunnen de lont halen uit het kruitvat genaamd ‘economische groei’.

Het goede nieuws is dat je vandaag kunt beginnen met complementaire munten: sluit je aan bij je lokale LETS-vereniging, overtuig het beleid van de vele voordelen van complementaire munten en lees zeker ook eens een boek van Lietaer, of zijn website. ‘Het geld van de toekomst’ kun je gratis downloaden – al wil ik je wel waarschuwen voor het trage tempo van de eerste 190 bladzijden.


Uitgelichte foto: Darío Martínez-Batlle (Unsplash)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Koen Develter

Koen Develter is leraar Nederlands en godsdienst. Hij leeft bewust en heeft een brede interesse.