Een toevallige (gedrags)econoom in lockdown, deel II: gedachteneconomie

 Leestijd: 5 minuten3

Bij gebrek aan voorbeelden van intrigerend gedrag, waar een weekje aan de Engelse zuidkust de afgelopen jaren telkens weer voor zorgde tijdens de lente, dwaalden de gedachten van deze toevallige (gedrags)econoom af naar wat zich afspeelt in de geest – die van anderen, en die van hemzelf. Want ook daar vindt men sporen van economische principes, bijvoorbeeld wanneer de baat die een kost in evenwicht houdt niet materieel is – geen geld, maar gedachten.

Twee delen
Dit is deel 2 van een tweedelig artikel. Deel 1 lees je hier.

Dat kwam duidelijk naar voren in een nieuwsitem op de BBC dat vorige week mijn aandacht trok. Experten zien een sterke toename van het aantal young carers (jonge mantelzorgers) als gevolg van de coronacrisis. Dit zijn kinderen – van sommige kun je de leeftijd met één cijfer schrijven – die zorgverantwoordelijkheden opnemen voor familieleden die fysiek of mentaal lijden onder de lockdown of onder de effecten van het virus zelf.

Beloning in gedachten

Het portretteerde twee jonge mantelzorgers. De 12-jarige Finlay is de belangrijkste verzorger geworden voor zijn gehandicapte moeder (zijn vader overleed toen hij 2 was) nu zijn oma, die daar voorheen voor in stond, dat vanwege de lockdown niet langer kon doen. Dus staat Finlay op om 6 uur, doet de was en maakt de keuken schoon, en later op de dag kookt hij voor het kleine gezinnetje. “Technisch is mijn hele leven veranderd,” zegt hij wanneer de reporter opmerkt dat COVID toch wel een en ander overhoop heeft gegooid.

Danielle is 15, en zorgt voor haar broer en zusjes: Millie (5) die aan epilepsie lijdt, Imogen (6), en Ryan die 12 jaar oud is en autisme, ADHD en het syndroom van Tourette heeft, en geeft zo haar moeder wat respijt. Soms is het haar wel wat te veel: wanneer haar broer een bui heeft, “dan vraag ik me af, hoe lang gaat dit nog duren? Het kan maanden zijn, en dat maakt me bang, niet enkel voor mijn eigen geestelijke gezondheid, maar die van iedereen in de familie.”

Twee buitengewone jonge mensen, gemotiveerd door de intrinsieke beloning van hun inspanning

Maar deze fenomenale jonge mensen (samen met hun 700.000 lotgenoten in Engeland) vertonen een opmerkelijke veerkracht. Zoals Finlay zegt, “Het is alsof ik zo ben geprogrammeerd, dus ik vind het helemaal geen last of zo.” Danielle geeft tips aan anderen in dezelfde situatie via een lokale Whatsappgroep: “Je moet niet stressen over dingen waar je geen controle over hebt – je kunt de lockdown niet controleren, je kunt COVID-19 niet controleren.”

Waarom brengen zij zo’n grote offers? “Het is een van de meest verrijkende dingen die je kunt doen als een jongere. Ik zou het echt niet anders willen,” zegt Danielle. En Finlay ziet het zo: “Ik heb er helemaal geen moeite mee een jonge mantelzorger te zijn, want dat is nu eenmaal wie ik ben. Hoe lastig ze ook kan doen, en hoeveel ik ook moet doen voor haar, ik moet in gedachten houden dat ze mijn mama is.”

De kracht van intrinsieke motivatie en intrinsieke beloning is geen klein bier –niet te onderschatten.

Denken over inspanning en eigendom

In je kot moeten blijven doet rare dingen met mensen. Zo begon een kennis (die verder naamloos zal blijven) een herculische opdracht: het opruimen van meer dan 20 jaar uitgeknipte, uitgescheurde en gefotokopieerde recepten. Als u, zoals ik, eerder een jazzkok bent die liever improviseert dan zorgvuldig instructies volgt vindt u dit wellicht ook wat vreemd. Maar ook hier zit de afweging in de geest – in de manier waarop we elk op onze eigen manier een en ander bekijken.

Naarmate ze moeizaam vooruitkwam met haar project, filosofeerde ik over de mogelijke redenen waarom we zaken vergaren in de eerste plaats, en waarom we er naderhand zo bezitterig (zo niet ronduit bezeten) over gaan doen.

Mijn observatie in deel I indachtig dat we, om iemand anders te begrijpen, best ons perspectief omkeren, kostte het me weinig moeite manieren te vinden waarop ik eigenlijk ook zoiets doe: zo blijf ik almaar nieuwe bladwijzers aanmaken voor interessante vondsten op het web, en PDF-bestanden opslaan van ‘interessante’ wetenschappelijke papers.

Zelfs als ik het ruim inschat, denk ik dat ik hooguit een 5% daarvan ooit later opnieuw heb bekeken. (Er is een goede reden waarom ik het niet over mijn CD’s en boeken heb.) Maar laten we bij de stapels recepten blijven.

Mijn vermoeden is dat het begint met een mengsel van wishful thinking of wensdenken (“op een dag komt dit zeker van pas”), en het vermijden van spijt (stel je voor dat je ooit iets hebt gezien dat vaag nut leek te hebben, maar onvoldoende om het te bewaren, en dan later – soms veel later – besef je dat je het toch beter had bijgehouden; beter voorkomen dan genezen).

De onmiddellijke kost om een extra recept te bewaren, haastig in een kartonnen mapje gestopt, is verwaarloosbaar, en de baat – we hebben opnieuw een stukje externe kennis vergaard! – is even voelbaar als markant. Maar we vermijden wel over de toekomstige kost te denken die we blijven toevoegen, want de inspanning die we zullen moeten leveren om alles op te ruimen neemt uiteraard toe met elk nieuw item: een mooi, natuurlijk voorbeeld van hyperbolisch verdisconteren.

Ik bemerkte ook een combinatie van de ‘verzonken kost’ denkfout, het endowment-effect, en het IKEA-effect. Een rationeel persoon die zich realiseert dat hij (a) niet meer dan enkele luttele percenten van een collectie recepten zal kunnen bereiden in de levensjaren die hem resten, en (b) eigenlijk al een ruim repertorium van gerechten heeft voor zowel gewone als buitengewone gelegenheden, en er dus geen nood is aan duizenden extra ideeën – zo’n persoon zou de hele zooi meteen op de recyclagehoop gooien. 

Wij zijn echter niet geheel rationeel. De inspanning die we in het verleden hebben geleverd in het opbouwen van de collectie zou geen rol mogen spelen in het bewaren ervan, en nog minder in het nog verder aanvullen ervan. Maar net zoals grote openbare of zakelijke projecten soms onterecht worden voortgezet omwille van het geld en de inspanning (de verzonken kost) die ze al hebben geabsorbeerd, zo ook blijven wij aan het verzamelen. En net als een boekenrek van IKEA, krijgen de stapels receptenmappen waarde vanwege onze inspanning, zelfs vanwege het simpele feit dat we ze bezitten.

Diezelfde effecten zijn overigens ook een factor in het opruimproces. We kunnen natuurlijk niet beslissen of we een recept moeten houden of mogen weggooien zonder het te lezen. Maar dat betekent nu net dat we er verder in investeren, en wegwerpen wordt dus nog moeilijker.

Hier kon ik tenminste wat soelaas brengen. Door het lezen van het recept anders in te kleden, namelijk als een beslissingspunt (bijhouden, weggooien, twijfelgeval), is dat niet langer een investering, en we raken er dus niet meer gehecht aan. Ambitieuze doelstellingen voor elke stapel (“maximum 10% in de ‘bijhouden’ stapel”) helpt ook. En wanneer we twijfelen (of wanneer de ‘bijhouden’ stapel te hoog blijft), kunnen we de situatie omkeren: wat als de wind dat recept zou wegblazen – hoeveel tijd en inspanning zouden we er voor over hebben het te recupereren? Zo werken we het endowment-effect tegen.

En ik ben blij dat ik een bescheiden succes kan melden: de collectie is naar verluidt “aanzienlijk” (zonder dat verder te kwantificeren) geslonken. Blijkbaar zijn ook de ‘verzonken kost’ denkfout, het endowment-effect, en het IKEA-effect geduchte krachten.

Het nut van de vreugde

Soms spelen gedachten en overtuigingen zélf een actieve rol in economische afwegingen, zoals een nieuw twijgje aan de dikke stamboom van de moderne economie suggereert. Een van de ontstaansredenen van het domein van de Cognitieve Economie is dat de conventionele economische theorie niet goed om kan met de idee dat mentale toestanden economisch nut kunnen hebben – de abstracte economische term die verwijst naar de relatieve voorkeur die we hebben voor diverse opties.

We kunnen immers genieten van (of ons ergeren aan) een bepaalde gedachte (bijvoorbeeld het vooruitzicht op een vakantie, of een nakend bezoek aan de tandarts) op dezelfde manier waarop we dat doen bij een fris drankje wanneer we uitgedroogd zijn, of wanneer we onze portefeuille verliezen.

Welk voorwerp verschaft het meeste economische nut? (Foto: Koen Smets)

Enkele weken terug kreeg ik van mijn wederhelft de opdracht een foto op te hangen van onze twee kleinzoons. Hij hangt nu net tegenover mijn favoriete plekje op de zitbank zodat, telkens wanneer ik mij daar neerzet om uit te rusten na een lange dag toevallig gedragseconomiseren, het eerste wat mijn blik vangt die foto is.

De mate waarin ik daarvan, weken later, blijf genieten heeft me toch een beetje verrast. Het gaat niet om het vanzelfsprekende gevoel van voldoening dat ik de opdracht met succes heb voltooid, zonder blijvende schade toe te brengen aan de muur, de foto, of mijzelf. Nee, dat is al lang geleden weggeëbd. Het is wel degelijk de terugkerende vreugde van de gedachten die de foto bij mij opwekt telkens ik hem zie.

Zelfs wanneer ik er zit te lezen is hij altijd daar, vanuit mijn ooghoek. In het bijzonder omdat ik tijdens deze lockdown de kleine gastjes bijna drie maanden lang niet kon zien, schenkt hij mij elke keer weer diepe gelukzaligheid en ja, ook economisch nut (ik kan er zonder moeite een aanzienlijk geldbedrag mee associëren).

Wat zich in onze gedachten afspeelt kan een gewichtige bron van economisch nut zijn, en dus een krachtige invloed hebben op ons gedrag en onze beslissingen.

[De jaarlijkse conferentie van de Cognitive Economics Society vindt plaats online op 9-10 juli 2020 en is gratis.]


Uitgelichte foto: CC BY Catherine Thackstone (Flickr)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.