Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Vande Lanotte: berouw van een gevallen keizer

15 juni 2020 Walter De Smedt
vande lanotte
Johan Vande Lanotte (Foto: CC BY 2.0 Mission of Norway to the EU (Flickr))

Johan Vande Lanotte was van 1994 tot 1998 als minister van Binnenlandse zaken verantwoordelijk voor de Rijkswacht. Wat dat korps in samenwerking met de Turkse overheden in die periode allemaal mocht en kon doen, is niet bepaald in overeenstemming met het huidige initiatief.

De interpellatie die senator Fred Erdman (sp.a) toen over de operaties van de Rijkswacht deed, gaf duidelijk aan waar het om te doen was: "In onze democratische samenleving verzetten wij ons dag na dag tegen discriminatie, tegen het opsplitsen van de gemeenschap in etnische groepen of subgroepen. Dan ontdekken wij plots dat zogenaamd in het kader van de politionele recherche precies het etnische, het nationaliteitscriterium wordt gehanteerd."

Erdman: "Men gaat zelfs zover de oorspronkelijke afkomst ook als criterium te hanteren, zodat Belgen van Turkse afkomst eveneens tot de doelgroep van de screeningsoperatie worden gerekend."

Daarbij stelde Erdman vast dat deze operatie in 1994 blijkbaar met een zekere fierheid door een ondergeschikte rijkswachter aan zijn buitenlandse collega's werd voorgesteld: "Zodra het balletje aan het rollen was, heeft men blijkbaar van hogerhand ingezien dat de operatie kon ontsporen en heeft men stelselmatig, maar schoorvoetend gezocht naar dekking. Dat doet mij denken aan bepaalde processen waarbij men voor initiatieven die de Rijkswacht had genomen, achteraf ook dekking heeft gezocht om te kunnen ontsnappen aan bepaalde politionele of gerechtelijke stappen.”

Operatie Rebel

Het Vast Comité P voerde een onderzoek uit naar operatie Rebel: de screening van de Rijkswacht van alle verblijvende Turken in België. De grote verontwaardiging over de screening riep natuurlijk de vraag op wat de Rijkswacht met de daardoor bekomen inlichtingen deed.

Denk aan de Rasterfahndung van bij de Duitse Sicherheitsdienst: een onderzoeksmethode waarbij men enorm veel gegevens doorzoekt die eigenlijk niet specifiek verzameld zijn voor het doel waarvoor ze gebruikt worden.

De Rijkswacht stelde dat men in de strijd tegen de drugs tot de 'Kingpins', de grote vissen probeerde te raken. Uit het onderzoek bleek echter wat anders. Daarin kwam immers een ander document naar voor. Op 9 juli 1996 tekende Rijkswacht-generaal Willy De Ridder namelijk met de Turkse overheden voor een samenwerking en een uitwisseling van inlichtingen.

Deze verklaring was een kopie van wat een jaar eerder was opgenomen in een memorandum van de directeur-generaal van de Turkse politie Mehmet Agar en was een formele bevestiging van de informatiewisseling die in de praktijk reeds langs de Franse verbindingsofficier was uitgevoerd.

In een werkfiche van 18 oktober 1995 schreef majoor De Winter, directeur van het Centraal Bureau voor Opsporingen van de Rijkswacht waarom er een verbindingsofficier met Turkije moest komen.

Hij zei dat hun nieuwe proactieve aanpak een duurzame en systematische uitwisseling omvatte waarbij de samenwerking vanuit België moeilijk te organiseren was. Men moest afluisterapparatuur aanvragen of verbindingsofficieren ter beschikking stellen, maar die konden enkel ter plaatse geregeld worden.

Uit de documenten van het comité bleek één project centraal te staan: project Rebel

Uit de documenten gekregen van het comité bleek één project centraal te staan: project Rebel. In een werkfiche opgesteld op 2 juli 1996 ter voorbereiding van de reis van generaal De Ridder naar Ankara werd opgesomd welke contacten er in het project Rebel met de Turkse overheden plaats hadden gevonden.

Op 28 april was er een vergadering met Atilla Talas, hoofdcommissaris van de politie Aéro van Istanbul. Op 29 april 1995 was het project Rebel voorgesteld aan Mehmet Agar, toen directeur-generaal van de Turkse Nationale Politie en gouverneur van Ankara. Hij was op dat ogenblik minister van Binnenlandse Zaken. Op 29 april 1995 was er een vergadering met Alat Muzafer, directeur-generaal van het Turkse Centraal Bureau voor Opsporingen. Tussen 12 en 14 juni 1995 waren er vergaderingen met Yilmaz, hoofd van de Nationale Turkse Politie te Istanbul en de latere prefect.

Uit een nota van Rijkswachtkolonel Zanders aan zijn korpsoverste bleek dat de samenwerking met de Turkse diensten geheim werden gehouden. Kolonel Zanders somde daarbij de redenen op die een dergelijk akkoord verhinderden. Er was vooreerst artikel 167 van de Grondwet dat zegt dat dergelijke akkoorden verplicht aan het Federaal Parlement moeten worden voorgelegd, en dat de Senaatscommissie van buitenlandse zaken een goedkeuring moest geven.

Ook het Schengenverdrag liet dergelijk akkoorden niet toe en vereiste bijkomend het fiat van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. In een werkfiche van 12 maart 1996 gaf luitenant Marchal, verantwoordelijke voor de internationale betrekkingen bij de Rijkswacht, dat er vooreerst een protocolakkoord met Turkije moest komen. De bevoegdheid om dat af te sluiten, lag niet bij de Rijkswacht maar bij de intussen opgerichte Algemene Politiesteundienst (APSD).

Om dit beletsel te ontwijken en toch gevolg te kunnen geven aan een ontwerp van het akkoord dat de generaal-korpsoverste reeds eind 1995 in Turkije had onderhandeld, werd voorgesteld dat de generaal het als voorzitter van de APSD bij zijn bezoek aan Turkije zou onderhandelen.

Grijze Wolven

Een ander onderzoek gaf het geheel nog een andere betekenis. Op 3 november 1996 was er in Süsürlük (Turkije) een auto-ongeval. De inzittenden van de auto waren een maffiabaas, een gewezen politieofficier, een rechtse politicus en een schoonheidskoningin.

De maffiabaas Abdullah Catli, een extreemrechtse Grijze Wolf, stond gesignaleerd als organisator van een grootschalige drugshandel. Daarover werd in Turkije een parlementair onderzoek gevoerd. In dat onderzoek over de zogenaamde 'Zwarte Driehoek' werd de samenwerking tussen politie, politiek en maffia duidelijk aangetoond.

In de Turkse maffia ziet men drie gradaties: de conventionele maffia, de PKK-gerelateerde groepen en de Grijze Wolven

In de Turkse maffia ziet men drie gradaties: de conventionele maffia, de PKK-gerelateerde groepen en de Grijze Wolven. In de eerste helft van de jaren 80 werd de drugshandel gedomineerd door de Koerden. In de tweede helft nam het aandeel van de Grijze Wolven sterk toe.

Volgens een rapport van de Turkse geheime dienst (Millî İstihbarat Teşkilâtı of MIT) had Mehmet Agar een criminele organisatie opgezet die grotendeels bestond uit Grijze Wolven en zich schuldig maakte aan afpersing en drugshandel. Deze groep hield zich ook bezig met het elimineren van de Koerdische maffia.

In het parlementair onderzoek werd ook bevestigd dat onder leiding van Mehmet Agar zowel in de speciale anti-terreureenheid, in de MIT, en in de inlichtingendienst van de Gendarmerie (JITEM), een groep gevormd was waarin de Grijze Wolven talrijk aanwezig waren.

Deze laatsten maakten deel uit van Gladio: een geheime internationale antiterroristische organisatie. Een verslag beschrijft hen als volgt: “Er zijn ongecontroleerde groeperingen die het hele staatsapparaat beheersen. Deze groepen staan niet onder parlementaire controle en zijn ook onbereikbaar voor rechters en officieren van Justitie. Deze groeperingen hebben ook geprobeerd onze werkzaamheden te belemmeren”.

Ergenekon

De verschillende onderzoeken over het Süsürlük-incident brachten ook het bestaan aan het licht van een andere geheime organisatie: Ergenekon. In april 2011 werden meer dan 500 personen aangehouden waarvan er 300 formeel beschuldigd werden van deelname aan de terroristische organisatie Ergenekon.

Ze waren volgens de openbare aanklagers verantwoordelijk voor bijna alle politieke gewelddaden in Turkije van de voorbije 30 jaar. De zaak Ergenekon zou voor veel Turken het bestaan bevestigen van een zogenaamde ‘diepe staat’ binnen de staat die eigenlijk de macht in handen heeft. Het Süsürlük-incident zou dat vermoeden bevestigen.

"Het schandaal over geheime banden tussen staat, politie en de onderwereld dat volgde, werd nooit helemaal opgelost en hooggeplaatste sleutelfiguren werden nooit vervolgd."

"Ook tijdens het onderzoek naar Ergenekon vielen de lijken weer uit de kast: Süsürlük, de verdwijningen in de jaren 90 en diverse onopgeloste moordzaken. Ergenekon zou het overblijfsel zijn van zogeheten 'Stay-Behind'-netwerken die tijdens de Koude Oorlog in diverse landen (bijvoorbeeld Gladio in Italië) werden opgericht door de NAVO om guerrillaverzet te bieden aan een eventuele Sovjetinvasie."

Turkije is sinds 1952 lid van de NAVO en heeft het op één na grootste leger van deze organisatie. De gedachte van senator Erdman bleek volledig juist: “dat doet mij denken aan bepaalde processen waarbij men voor initiatieven die de Rijkswacht had genomen, achteraf ook dekking heeft gezocht om te kunnen ontsnappen aan bepaalde politionele of gerechtelijke stappen”.

Hoewel de voorzitter van het Comité P aan de senaatsvoorzitter had beloofd om voortgang te maken met het verslag over het onderzoek over de operatie Rebel, kreeg die laatste slechts een ontwerp van het verslag

Hoewel de voorzitter van het Comité P, Freddy Troch, aan de senaatsvoorzitter Swaelen had beloofd om voortgang te maken met het verslag over het onderzoek over de operatie Rebel, kreeg Swaelen slechts een ontwerp van het verslag. Daarop werd het gehele vast comité naar huis gestuurd en vervangen door nieuwe leden.

De nieuwe voorzitter werd André Van Dooren was de nationale magistraat die toelating had gegeven tot de screening. Hoofd van de enquêtedienst werd kolonel Berckmoes die als hoofd van het Centraal Bureau voor Opsporingen van de Rijkswacht zowel de operationele verantwoordelijkheid voor Operatie Rebel als voor het samenwerkingsakkoord kreeg.

Het nieuw samengestelde comité maakte over de operatie Rebel een verslag waarin de Rijkswacht werd witgewassen en vergat te rapporteren over het samenwerkingsakkoord.

vande lanotte
Johan Vande Lanotte (Foto: CC BY 2.0 Mission of Norway to the EU (Flickr))

De kernvraag is dus: waarom liet minister Vande Lanotte de Rijkswacht (waar hij het gezag over had) begaan in de voorgaande ongrondwettelijke en onreglementaire geheime samenwerking met leden van de Turkse politie? Die was naar de bevindingen van een parlementair onderzoek zelf een grote drugscrimineel, betrokken in verdwijningen en moordzaken, en deel van de Turkse 'Deep State'.

Had Vande Lanotte, 'de Keizer van Oostende', niet het gezag van zijn ministeriële verantwoordelijkheid om de schendingen van de mensenrechten door de Rijkswacht een halt toe te roepen? Hij had alvast de macht om voor een ledenwissel in het Vast Comité P en een daardoor aangepaste rapportering te komen. Is Johan Vande Lanotte intussen tot inkeer gekomen? Anders dan berouw kan je zijn gedaanteverwisseling moeilijk noemen.

LEES OOK