Structuurhervormingen: relikwie, utopie of alternatief?


Zijn de hoogdagen van het neoliberalisme nu definitief voorbij? Al voor de coronacrisis waren er heel wat kritische stemmen, ook in de mainstream media en bij de establishment economen, die kanttekeningen begonnen te maken bij het blinde geloof in de vrije marktwerking en het dogma dat de overheid zich uit zoveel mogelijk deelgebieden van het sociaaleconomisch leven moet terugtrekken. De wereldwijde pandemie waarin we de voorbije maanden zijn verzeild geraakt, heeft die evolutie ongetwijfeld versneld.

Het regent lofzangen op talloze vormen van solidariteit, op ‘onze’ sociale zekerheid en op de openbare diensten, de gezondheidszorg op kop. De pleidooien voor overheidssturing en overheidsinvesteringen, voor herverdeling en herwaardering van het werk van de mensen in de lagelonensector zijn niet meer bij te houden. Ballonnetjes worden opgelaten over andere productie- en distributieketens met een groter belang van allerlei vormen van lokale economie. Het adagium van een economische relance op basis van een ‘Green New Deal’ lijkt overigens nog aan kracht te hebben gewonnen.

Of er inderdaad veel zal veranderen in een eventueel post-coronatijdperk, is natuurlijk een ander paar mouwen. Voor de financieel-economische conglomeraties die tot nader order het politiek en maatschappelijk leven domineren, komt het er duidelijk op aan zo vlug mogelijk terug tot ‘business-as-usual’ over te gaan. Ook aan de politieke machtsverhoudingen is niets veranderd, al is het niet ondenkbaar dat het veranderde maatschappelijke discours het politieke establishment er toe aanzet om rekening te houden met het nieuwe verwachtingspatroon (al was het maar met mondjesmaat).

Meer nodig dan we denken

In elk geval moet men zich geen illusies maken: zonder machtsvorming en sociale strijd bottom-up, zonder massamobilisaties met betogingen en stakingen, zonder verkiezingsoverwinningen van linkse partijen en zonder frontvorming van alle maatschappelijke krachten die naar een andere samenleving streven, zal er van radicale hervormingen geen sprake zijn.

Zonder massamobilisaties, zonder verkiezingsoverwinningen van linkse partijen en zonder frontvorming van alle maatschappelijke krachten die naar een andere samenleving streven, zullen er geen radicale hervormingen zijn

Van fundamenteel belang daarbij zal zijn dat de linkerzijde duidelijk – concreet en radicaal zonder in utopisme en dagdromerij te vervallen – kan aangeven hoe een “nieuwe wereld” er kan uitzien. In dit opzicht kan het initiatief #BeterNaCorona van elf progressieve media en denktanks om de handen in elkaar te slaan en samen en in dialoog met hun lezers na te denken en te discussiëren over “de manier waarop dit complexe land, deze struikelende Europese Unie en deze verdeelde wereld beter kunnen worden na corona”, alleen maar toegejuicht worden.

Wat daarbij opvalt – en dat geldt trouwens voor het overgrote deel van het alternatieve denken van de voorbije decennia – dat een nochtans fundamenteel thema bijna niet aangeroerd wordt: wat met de holdings, multinationals, kredietinstellingen, beursconstructies die het economisch en financiële gebeuren beheersen en in functie van hun groei- en winststreven organiseren? Is een andere maatschappij met een op sociale en ecologische doelstellingen gebaseerde economie te realiseren zonder radicale ingrepen in de eigendomsstructuren van deze mastodonten?

Zo niet, welke structuurhervormingen moeten dan afgedwongen worden om de macht van het privékapitaal te breken? Omgekeerd is de vraag, als men ervan uitgaat dat een andere economie wel mogelijk is zonder dergelijke structurele ingrepen, welke instrumenten men dan in stelling denkt te kunnen brengen om het economische proces radicaal in ecologische en sociale zin om te buigen?

Het plan De Man

Het is uiteraard geen gemakkelijke discussie, hoe fundamenteel dit ook is. De arbeidersbeweging worstelt er al mee vanaf haar ontstaan in de 19de eeuw. Karl Marx had dan wel in zijn geschriften het “gemeenschapsbezit van de productiemiddelen” gelanceerd, maar wat dat dan concreet moest betekenen in de economie van een maatschappij was niet echt duidelijk.

In de landen van het reële socialisme zoals de Sovjet-Unie werd het begrip zoals we weten vertaald naar een bureaucratisch gedirigeerde staatseconomie. De mate dat dat een fundamenteel andere dan de kapitalistische maatschappij heeft opgeleverd, blijft voer voor discussie, maar dat dit systeem niet als model kan dienen zal anno 2020 waarschijnlijk (en hopelijk) niemand meer betwisten.

De andere tak van het marxisme, de socialistische beweging, had zich, althans in België, tot het begin van de jaren 1930 weinig bezig gehouden met een concrete invulling van het begrip ‘gemeenschapsbezit’. Als principe, alhoewel wat omfloerst, was het weliswaar opgenomen in het Charter van Quaregnon van 1894, de beginselverklaring van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), de toenmalige socialistische partij.

De pragmatische leiding van de BWP concentreerde zich echter quasi volledig op de strijd voor het algemeen stemrecht (voor mannen) en voor de concrete verbetering van de leef- en arbeidsomstandigheden van de arbeidersmassa’s. In de periodes van regeringsdeelname na 1919 werd dan ook met geen woord gerept over bijvoorbeeld nationalisaties.

‘Plan De Man’ was het resultaat van het besef dat betere levensomstandigheden enkel door grondige economische hervormingen mogelijk waren

Dit veranderde in het begin van de jaren 1930 met de grote economische crisis die het besef deed groeien dat een verdere verbetering van de levensomstandigheden van de arbeidersklasse niet mogelijk was zonder grondige economische hervormingen. Het resultaat hiervan was het Plan De Man, goedgekeurd op het kerstcongres van de BWP van 1933.

Naast een grootscheeps programma van openbare investeringen en sociale maatregelen, in navolging van de ideeën van de Britse econoom Keynes en de New Deal van Roosevelt in de VS, bevatte het plan ook een reeks structuurhervormingen die het mogelijk moesten maken de economische macht van het grootkapitaal te breken. Het beheer over de krediet-, grondstoffen- en energiesector moest in overheidshanden komen.

Ook andere grote industrieën die al in het stadium van monopolistische concentratie opgetreden waren, konden gesocialiseerd worden. Het is niet helemaal duidelijk wat dat concreet betekende, maar het hield in elk geval in dat de overheid een grotere rol in de economie moest gaan spelen.

Er is nooit sprake geweest van de structurele hervormingen die de essentie van het Plan uitmaakten

De rest van het productieapparaat zou in privéhanden blijven, maar onderworpen worden aan de richtlijnen van het Plan, waarmee de overheid het economisch leven zou heroriënteren in de richting van het algemeen belang in plaats van het private winstbejag.

Het plan van De Man was ongetwijfeld een heel hybride constructie met bijvoorbeeld ook een reeks voorstellen voor politieke hervormingen die volgens nogal wat commentatoren al een voorbode waren voor de bocht naar de collaboratie met het fascisme die De Man tijdens de Tweede Wereldoorlog zou maken.

Het belangrijkste in dit verband is echter dat er, ook al door het ontbreken van een politieke meerderheid, van de structurele hervormingen die de essentie van het Plan uitmaakten, nooit sprake is geweest.

Antikapitalistische structuurhervormingen

Een tweede periode waarin structuurhervormingen een belangrijke rol leken te spelen, kwam er in de tweede helft van de jaren 1950 en het begin van de jaren 1960 met onder andere de grote staking tegen de Eenheidswet van de CVP-liberale regering-Eyskens in de winter van 1960-1961. Vooral onder impuls van de Waalse vakbondsleider André Renard groeide in de socialistische vakbond in de jaren 1950 de overtuiging dat de syndicale beweging zich niet mocht beperken tot sociale eisen en verbetering van de loon- en arbeidsvoorwaarden, maar ook de almacht van het kapitaal over de economie moest betwisten.

In 1954 keurde het ABVV-congres een programma van structuurhervormingen goed: een soepele planning waarbij de overheid zowel eigen economische initiatieven als privé-investeringen zou onderwerpen aan doelstellingen van algemeen belang, de nationalisatie van de kredietsector en een grotere greep van de overheid op de energiesector.

In 1956 werden deze punten verder uitgediept op het congres over ‘Holdings en economische democratie’. Om een einde te maken aan de greep van de financiële groepen op de Belgische economie werd voorgesteld ze onder controle te plaatsen van een orgaan, vergelijkbaar met de Bankcommissie, en een aantal sleutelsectoren te nationaliseren of minstens onder sterke overheidscontrole te plaatsen.

Ook het begrip ‘economische democratie’, de deelname van arbeidsvertegenwoordigers aan het beheer van de economie, werd uitgewerkt. Trapsgewijze uitbreiding van de controlemechanismen in de beheersorganen van de ondernemingen moesten ertoe leiden dat de productiemiddelen, -goederen en diensten uiteindelijk in gemeenschapshanden zouden komen.

Op haar congres in 1959 nam de BSP, de nieuwe naam van de socialistische partij, weliswaar eerder schoorvoetend, een economisch programma aan dat nauw aanleunde bij dat van het ABVV: omvorming van de energiesector tot openbare dienst, controle op de holdings, planning van de economie.

Ook in de christelijke arbeidersbeweging werden in die periode de eerste stappen gezet om heel voorzichtig en veel minder vergaand dan bij het ABVV, het thema van structuurhervormingen op de agenda te zetten met onder andere de eisen van een controle op de monopolies en de oprichting van een Nationale Investeringsmaatschappij.

Tijdens de staking tegen de Eenheidswet, die in eerste instantie uitgebroken was als verzet tegen een reeks antisociale regeringsmaatregelen, kwamen de eisen van structuurhervormingen sterk naar voren als alternatief voor het beleid. Het grotendeels mislukken van de staking, de verdeeldheid (ook communautair) bij de arbeidersbeweging die hierop volgde en vooral de ‘golden sixties’ –  de periode van sterke economische groei en materiële vooruitgang – die eraan kwam, maakten echter dat elke verwijzing naar structuurhervormingen gedurende een aantal jaren weer volledig van de maatschappelijke agenda verdween.

Het ideologisch manifest van 1974

Een nieuwe opflakkering kwam er op het einde van deze groeiperiode, op het einde van de jaren 1960 en in het begin van de jaren 1970. De contestatiebeweging, in de eerste plaats uitgaande van jongeren en studenten maar met ook belangrijke vertakkingen naar de arbeidersstrijd, stelde het ganse maatschappelijk gebeuren in vraag en gaf een nieuwe stimulans in de zoektocht naar een economisch alternatief voor het kapitalisme. De linkerzijde van de BSP, gegroepeerd rond het blad Links en de JongSocialisten, ontwikkelde een campagne rond drie centrale begrippen: planning, socialisatie en zelfbeheer.

In feite tegen de wil van de partijleiding in werden deze structuurhervormingen de basiselementen van het Manifest dat op het Ideologisch Congres van 1974 werd goedgekeurd. Hierin werd gesteld dat “het socialisme diepgaande structuurhervormingen eist waardoor de maatschappij op alle gebieden kan worden veranderd.”

De planning moest imperatief, democratisch en gedecentraliseerd zijn met deelneming van werknemers, verbruikers en lokale gemeenschappen. Sectoren of ondernemingen die de economie beheersen, onder meer de energie- en kredietsectoren, moesten gesocialiseerd worden, gemeenschaps- en coöperatieve structuren aangemoedigd en openbaar initiatief op gebied van de nijverheid aangemoedigd.

Arbeiderscontrole moest de weg openen voor zelfbeheer om aan iedereen een zo rechtstreeks en zo ruim mogelijke toegang te verschaffen tot de besluitvorming over problemen die hen aanbelangden

Arbeiderscontrole moest de weg openen voor zelfbeheer, een principe dat ook op andere gebieden dan het economische moest toegepast worden om aan iedereen een zo rechtstreeks en zo ruim mogelijke toegang te verschaffen tot de besluitvorming over problemen die hen aanbelangden. Opmerkelijk in het ganse manifest is het belang dat gehecht werd aan principes als inspraak, basisdemocratie en zelfbeheer, typisch voor de geest van mei 1968 die nog lang in de jaren 1970 mee het maatschappelijk klimaat zou bepalen.

Een gelijkaardige nadruk op deze principes van zelfbeheer en economische democratie was in deze periode ook terug te vinden in de ideologische standpunten van de christelijke arbeidersbeweging, weliswaar zonder dat duidelijk afstand werd genomen van het kapitalisme, alhoewel bijvoorbeeld de KAJ (de syndicale jeugdorganisatie) en het overkoepelende ACW (vandaag Beweging.net) op bepaalde tijden teksten hebben gepubliceerd die sterk in die richting gingen.

Ook vermeldenswaardig is dat op het Economisch Congres van Agalev, de voorloper van het huidige Groen, in 1985 een aantal structuurhervormingen werden goedgekeurd zoals het onder controle van de gemeenschap brengen van de grootschalige banken en energiebedrijven. Dit door een deel van de partij als al te ‘rood’ beschouwde economisch programma heeft niet lang stand gehouden en is in elk geval nooit het voorwerp van propaganda en popularisering geweest.

De donkere jaren van het neoliberalisme

Dat is trouwens al evenmin het geval geweest met de voorstellen voor structuurhervormingen die in de jaren 1970 dus meestal nog wel terug te vinden waren in de programma’s van de socialistische en delen van de christelijke arbeidersbeweging. In de crisisperiode vanaf 1973 werd de arbeidersbeweging immers steeds meer in het defensief gedwongen.

Voor offensieve eisen was er geen plaats meer. Alle aandacht en energie moest gaan naar het verdedigen van de bestaande verworvenheden. Met de doorbraak van de neoliberale ideologie in de jaren 1980 zorgde TINA (‘There Is No Alternative’) ervoor dat decennialang elk denken rond alternatieven voor het kapitalisme in de marginaliteit terechtkwam.

Typerend hiervoor was het Toekomstcongres’ in 1998 van de ondertussen van hun Franstalige denkgenoten afgescheurde Vlaamse socialisten. In het op dit congres goedgekeurde economisch contract was er geen enkele plaats meer voor om het even welke vorm van structuurhervormingen in de richting van een alternatief voor het economisch systeem.

Alhoewel het niet als zodanig erkend werd en de teksten heel wat dubbelzinnigheden en tegenspraken vertoonden, kan men dit congres in perspectief niet anders zien dan de overgave van ook de Vlaamse socialisten, in navolging van de Blairs, Koks en Schröders in de andere Europese sociaaldemocratische partijen, aan het neoliberale discours.

Post-corona: ‘The times, they are a-changin’?’

Dit discours heeft, zeker na de financiële crisis die alleen maar door massale kapitaalinjecties van de zo verfoeide overheid kon gekeerd worden, een deel van haar legitimiteit verloren. Deze 21ste eeuw heeft dan ook al een reeks bewegingen zien ontstaan die zich tot doel stelden te breken met het decennialang gevoerde neoliberale beleid: Occupy, Indignados, Syriza, Podemos, het Labour van Jeremy Corbyn en dergelijke. Een breuk met het neoliberalisme heeft dit nog nergens opgeleverd, als beleidskeuze is het nog altijd grotendeels intact gebleven. Zal dit in een post-coronatijd anders worden?

Uiteraard zijn er heel wat factoren die hierbij een rol zullen spelen, maar één daarvan is ongetwijfeld, zoals in de inleiding aangestipt, of de linkerzijde erin zal slagen een concreet alternatief aan te bieden. Voorstellen rond sociale zekerheid, sociale diensten en zorg, op herverdeling gerichte fiscaliteit, overheidsinvesteringen gericht op een Green New Deal, anti-armoedebeleid zijn hierbij van essentieel belang.

Zal er een concreet alternatief voor het neoliberalisme komen in de post-coronatijd? Kan de linkerzijde hierin slagen?

Maar dus ook: wat met de échte machthebbers in deze wereld? De grootbanken en multinationals, de commerciële en industriële wereldwijde netwerken? Met Goldman Sachs, BNP-Paribas, Exxon en co, Arcelor-Mittal, Volkswagen, Toyota, Unilever en dergelijke?

Wat met de Chinese financiële en industriële mastodonten die een steeds grotere rol in de mondiale economie beginnen te spelen? Wat in België met de miljardenbedrijven AB-InBev, Solvay, Colruyt, Bekaert, UCB, Besix, De Nul, Katoen-Natie en dergelijke?

Zoals in dit artikel geschetst heeft in het verleden het denken over een alternatieve samenleving ook altijd geleid tot voorstellen van structurele economische hervormingen in de eigendoms- en beheersstructuren. Hebben begrippen als planning, socialisatie, zelfbeheer en arbeiderscontrole vandaag nog enige betekenis en, zo ja, wat kunnen ze dan concreet inhouden in deze gemondialiseerde en gedigitaliseerde wereld? Of zijn dergelijke voorstellen een relikwie uit de vorige eeuw en zijn er alternatieve wegen mogelijk?

Kunnen bijvoorbeeld initiatieven als coöperatieven, deelsystemen, voedselteams, commons, repaircafés, prosumptietechnologie en dergelijke, zo mogelijk aangevuld met een overheidsbeleid gericht op het voorzien in sociale en ecologische behoeften, voldoende bouwstenen opleveren om tot een alternatieve economie te komen?

Duidelijk geen gemakkelijke discussie, maar één waaraan links mijns inziens niet kan voorbijgegaan, en die alleen maar resultaten kan opleveren als ze zonder het gewicht van de geschiedenis, met een open instelling, zonder vooroordelen, dogmatisme en sektarisme gevoerd kan worden.


Uitgelichte foto: Dan Gold (Unsplash)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Harry Dierckx

Harry Dierckx is historicus en schreef dit stuk als gastbijdrage voor denktank Minerva


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelStructuurhervormingen: relikwie, utopie of alternatief?
Auteur(s)Harry Dierckx
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=123145
Gepubliceerd 22 mei 2020 @ 07:40. Met update op 20 mei 2020 @ 19:49
Opgevraagd24 september 2020 @ 14:42
Klik hier om te printen