Prijzen buiten de markt

 Leestijd: 5 minuten6

Cynici, zo stelde Oscar Wilde, kennen de prijs van alles, en de waarde van niets. Dat kan best zijn, maar weet u wat het verschil is? Een prijs is gemakkelijk: het is het bedrag dat een partij aan een andere betaalt in ruil voor een goed of een dienst. Helder, ondubbelzinnig, en gekwantificeerd.

De prijs voor hetzelfde item kan weliswaar verschillen tussen transacties: een biertje in een exclusieve bar zal wel wat meer kosten dan hetzelfde biertje bij een standje op het strand, en papier voor uw printer is wellicht goedkoper per pagina wanneer u het met een hele doos koopt, dan in individuele pakken. Maar na een voltooide transactie is er nooit discussie over wat de werkelijk betaalde prijs is.

Waarde capteren

Waarde is een ander verhaal. We kunnen ze ook proberen in geld uit te drukken, gebruik makend van de economische begrippen van betalingsbereidheid (‘willingness to pay of WTP) en acceptatiebereidheid (‘willingness to accept’ of WTA) als een benadering van de waarde in de ogen van respectievelijk de koper en de verkoper. De langlopende televisiereeks ‘Wheeler Dealers’ (perfect tijdverdrijf tijdens luie lockdownmomenten) illustreert hoe dat kan werken. 

In elke uitzending gaat autohandelaar Mike Brewer op zoek naar een oude auto om te renoveren, die zijn wondermecanicien (vroeger Edd China, nu Ant Anstead) dan opknapt. De bedoeling (en de hoop) is vervolgens de auto met winst weer door te verkopen. Aan het eind van het programma biedt de toekomstige koper typisch een bedrag onder de vraagprijs. Dan wordt er wat (geveinsd) gemarchandeerd, en tenslotte wordt de koop gesloten tegen een bedrag dat ergens tussenin ligt, al gebeurt het wel eens dat de uiteindelijke prijs het originele bod of de vraagprijs is. Leren we zo iets over de waarde in de ogen van beide partijen?

Voor de koper zal die waarde minstens zo hoog zijn als het eerste bod; het is vanzelfsprekend niet slim een hoger bedrag te bieden. Hoe dat bod dan wel wordt bepaald, daar hebben we het raden naar (maar loop nog niet weg, we komen hierop over enkele paragrafen terug). Voor de verkoper geldt eenzelfde logica: de waarde zal niet hoger zijn dan de vraagprijs (maar wel minstens de totale kost van de renovatie, want de verkoper wil natuurlijk geen verlies lijden).

Vitaal voor ons overleven. Hoe kan iets zo waardevols zo goedkoop zijn? (Foto: CC BY Steven Johnson (Flickr))

Beide partijen doen wel best eerst hun huiswerk: raadpleeg de markt. Wanneer je weet tegen welke prijs gelijkaardige transacties zijn voltooid, kun je je WTP of WTA daarnaar kalibreren, en zo dure vergissingen vermijden. Zelfs als je al een behoorlijke winst zou maken door te verkopen tegen 7000 euro, zou je wel gek moeten zijn om je WTA niet bij te stellen als je te weten komt dat dit soort auto gemakkelijk voor 10.000 euro van eigenaar verandert. En als je als koper een budget hebt van 10.000 euro voor een oldtimer, maar je verneemt dat je al een exemplaar in goede staat op de kop kunt tikken voor 7.000 euro, dan zou je niet blij zijn als je je aan je oorspronkelijke WTP had gehouden.

Zijn WTP en WTA dan goede benaderingen van de werkelijke waarde? Mogelijk wel voor verkopers. De WTA is als de reserveringsprijs in een veiling – als die niet wordt bereikt, behoudt de verkoper het item. Maar als die het alsnog tegen een lagere prijs verkoopt, dan wordt niet onder de waarde verkocht, maar ontdekt de verkoper dat de werkelijke waarde lager was dan hij zich eerst had verbeeld.

Voor de koper is het niet zo eenvoudig. Hoeveel zou u bereid zijn te betalen voor een liter water? Laat me u er even aan herinneren dat we zonder voldoende water (zo’n 2 liter per dag) wellicht binnen de week dood zouden zijn. En het is niet enkel vitaal voor ons lichaam – het is even essentieel voor het koken, en om ons huis, onze bezittingen en onszelf schoon te houden. Iets dat zo cruciaal is voor ons welzijn moet vast wel kostbaarder zijn dan diamanten (die we prima kunnen missen)? Een liter water, afgeleverd bij een kraan naar keuze, kost ongeveer 0,43 cent. Dat is een ongemeen bescheiden bedrag.

Laten we dat even vergelijken, niet met diamanten, maar met benzine. Zelfs tegen bodemprijzen voor olie kost een liter tegenwoordig ruim een euro – meer dan 250 keer de prijs van een liter water. Over honderden duizenden jaren is onze soort, dankzij water, succesvol geëvolueerd en heeft ze de wereld veroverd. Maar gedurende het grootste deel van die termijn hebben we nooit nood gehad aan benzine. Water is dus zonder meer de meest waardevolle van de twee. Zou dat worden weerspiegeld in de WTP – zouden we met plezier een euro betalen voor een liter kraantjeswater?

Gelukkig hoeven we geen rekening te houden met die mogelijkheid. In de meeste plaatsen waar mensen leven is water in overvloed aanwezig, zodat al onze vraag kan worden voldaan tegen de lage prijs die we betalen. Mocht een leverancier toch zijn kans wagen en testen hoe waardevol we water werkelijk vinden, dan zal de concurrentie in de markt hem algauw dwingen zijn prijzen aan te passen aan wat de markt bereid is te betalen. En dat geldt zelfs voor mineraalwater, dat 150 keer zoveel kost als een liter kraantjeswater – maar niet 1000 of 10.000 keer zoveel.

Loon naar bijdrage

Dit brengt ons naar een idee dat geregeld de kop opsteekt, ook nu, wanneer onze maatschappij, zullen we zeggen, een beetje verstoord wordt. De zogenaamde sleutelwerkers: verpleegkundigen, vuilnismannen, vakkenvullers en pakjesbezorgers – de mensen die ons helpen niet ziek, hongerig of knettergek te worden… dragen zij niet meer bij aan de maatschappij dan CEO’s, effectenhandelaars of voetbalsterren? Zouden, zoals een opinievideo op de BBC-webstek suggereert, “vuilnismannen (en -vrouwen) meer moeten verdienen dan bankiers”?

Er schuilt een aantrekkelijke logica achter dit voorstel. Zelfs als we even vergeten hoe moeilijk het is de werkelijke bijdrage te bepalen van een werknemer, onze intuïtie lijkt ons te vertellen dat vuilnisophalers meer waardevol zijn in ons leven dan bankiers. Maar is dat niet zoals water en diamant? Het is immers niet omdat iets waardevol is, dat we ook bereid zijn er veel voor te betalen.

Dit is de zogenaamde ‘waardenparadox’. Adam Smith, de geestelijke vader van de moderne economie, probeerde de paradox op te lossen door de gebruikswaarde (het inherente nut van een goed of dienst) te onderscheiden van de ruilwaarde (de prijs bij een transactie). Zoals we eerder zagen kunnen die elkaar beïnvloeden, maar ze kunnen dus ook danig verschillen. Het nut is meestal onafhankelijk van vraag en aanbod. De prijs is daarentegen wel degelijk een functie van relatieve vraag en aanbod – en daar ligt de kern van de paradox. We halen twee zaken door elkaar: zaken die waardevol zijn omdat ze inherent nuttig zijn, en zaken die duur zijn omdat ze zeldzaam zijn (en dus waardevol lijken).

Zou het voordelig zijn mocht de prijs van water of vuilnisophalen beter de waarde weerspiegelen die ze vertegenwoordigen? Beeld u in dat de regering accijnzen zou heffen op water zoals dat gebeurt met alcohol, en water – dat meer waardevol is – duurder zou maken dan whisky of gin. Je ziet niet meteen hoe iemand daar beter van zou worden. Huishoudens zouden elders geld moeten besparen om het duurdere water te kunnen betalen. Dat zou tot een welvaartsvermindering leiden, en je vraagt je af wat de regering zou moeten doen met die extra belastinginkomsten dat dit zou compenseren.

Een grotere bijdrage dan twee bankiers, dat is zeker. (Foto: CC BY Jonathan Davis (Flickr))

Wat als vuilnismannen een loonsverhoging zouden krijgen die hen het inkomen van een bankier geeft? De staat is de voornaamste koper van hun diensten (namens de belastingbetaler), en dat is dus technisch mogelijk. Maar hier is het evenzeer onduidelijk waar het netto voordeel vandaan zou komen. Net als huishoudens met het dure water, zou deze extra salariskost een vermindering van andere uitgaven noodzaken, en dus een vermindering in de totale baten.

Het zou ook de arbeidsmarkt verstoren. Iedereen met de gepaste kwalificaties zou immers vuilnisophaler willen worden: de verhoging in het salaris geeft aan dat arbeid schaars is. Maar dat is natuurlijk niet zo – integendeel, er zijn adequate kandidaten in overvloed, en het zijn net de banen die schaars zijn.

Grote aantallen perfect geschikte werknemers zouden proberen zo’n baantje te bemachtigen. Hoe zouden de gelukkigen worden geselecteerd? Je ziet meteen hoe de rekruteerders verleid kunnen worden tot corrupte praktijken. En de niet succesvolle kandidaten – zullen zij elders ook hogere lonen eisen? Als ze daarin zouden slagen, dan wordt het leven in het algemeen een stuk duurder (en uiteindelijk zullen ook de bankiers dan weer meer gaan verdienen). Zo niet dan mogen we ons verwachten aan toenemende sociale spanning.

Prijzen proberen te bepalen buiten de markt, zonder rekening te houden met relatieve vraag en aanbod – prijzencontrole, als u wil – brengt een boel ongewenste gevolgen met zich mee.

Maar misschien is het meest doorslaggevende argument tegen het in lijn brengen met de bijdrage die ze leveren van prijzen van goederen, diensten en arbeid niet dat het niet mogelijk is tegen de markt in te gaan. Dat argument zit in onze eigen keuzes en gedrag. Als we, als consumenten van water en afvalophalen, vinden dat we daar een hogere prijs voor moeten betalen die beter de werkelijke waarde ervan weergeeft, dan zijn we vrij dat te doen. Niets houdt ons tegen een extra overschrijving te doen naar de watermaatschappij, of geld uit te delen aan de vuilnismannen en -vrouwen.

Toch doen we het niet. Want we worden er niet beter van.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.