Corona: het virus en de kroon

 Leestijd: 10 minuten0

Het zit de Spaanse regering niet mee. De eerste coalitieregering sinds de Tweede Republiek (1931-1939) krijgt het op verschillende vlakken zwaar te verduren. Het land werd niet enkel enorm getroffen door het coronavirus, het kabinet heeft het namelijk moeilijk om de sociale beloften waar te maken. Onder Catalaanse nationalisten zet het ongeduld zich alweer om in oppositie.

De Catalaanse weerstand is slecht nieuws aangezien de coalitie niet zelf over een parlementaire meerderheid beschikt en aangewezen is op de gedoogsteun van de grootste Catalaanse formatie. Tot overmaat van de Spaans-nationale ramp komt de monarchie – net op het moment dat deze instelling geacht wordt de bevolking moed en vertrouwen in te spreken – door corruptieaffaires alweer in opspraak.

Toen het centrumlinkse kabinet van PSOE en Unidas Podemos onder leiding van Pedro Sánchez in januari op de been werd gebracht, wisten de betrokken partijen dat ze nog puin moesten ruimen na de bankencrisis en de blinde ‘austerity’-doortocht van de rechtsconservatieve Partido Popular. Wat ze ook wisten, was dat de Europese instellingen met argusogen en zelfs wantrouwen zouden toekijken en de regering in de budgettaire pas doen lopen.

De kersverse Spaanse regering had de EU-instellingen dan ook alle garanties geboden. Bij de achterban werd niettemin gerekend op de stopzetting van de eenzijdige bezuinigingsmaatregelen, het terugdraaien van de neoliberale arbeidsmarkthervorming en het optrekken van minima. Ook de afschaffing van wetten die de marges voor sociaal protest streng inperken (zoals de knevelwet) stond hoog op de agenda van de progressieve achterban.

Een valse start

Tijdens de wittebroodsweken van het kabinet werd in de beloofde richting vooruitgang geboekt. Begin februari trok de regering het interprofessionele minimumloon (SMI) op naar 950 euro per maand met de intentie om tegen het einde van de legislatuur tussen de 1000 en 1200 euro uit te komen. De ingevoerde verhoging, die neerkomt op 31,6 euro per dag, gebeurde met retroactieve kracht; vanaf 1 januari dus. Dit betekende een versterking van de koopkracht voor ongeveer twee miljoen mensen, een tiende van de actieve bevolking.

Wat ook deel uitmaakte van de goede start was dat het akkoord breed gedragen werd door vakbonden en werkgeversorganisaties. Die laatsten hadden in de aanloop naar de vorming van de coalitie de deelname van Unidas Podemos verketterd als een ware nachtmerrie voor de economische gezondheid van het land. Ook in die richting moest de regering aangeven dat de soep niet zo heet gegeten zou worden als ze electoraal werd opgediend.

Eveneens spraken Pedro Sánchez en Quim Torra, premier van de Catalaanse regioregering, in Barcelona begin februari anderhalf uur met elkaar. Het moest het begin worden van wat de ‘bilaterale onderhandelingstafel’ werd genoemd, een voorwaarde van de Catalaanse republikeinen van Esquerra Republicana de Catalunya (ERC) om de regering-Sánchez overeind te helpen.

Grote delen van de magistratuur stellen zich op als de laatste verdedigingslinie tegen links en tegen een appeasement met de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging

Het Engelstalige gebod van de independantisten dat de maanden voordien massaal in Catalonië weerklonk, ‘Spain, sit and talk!’, kreeg op die manier een begin van concretisering. Uiteraard bleef over deze bescheiden stapjes de schaduw hangen van de gevangen Catalaanse leiders en in het bijzonder van ERC-voorzitter Oriol Junqueras. Hij zit dertien jaar gevangenisstraf uit, maar gaf wel zijn partij groen licht voor de gedoogsteun aan het centrum-linkse kabinet.

Maar zoals meteen bleek, was de justitie onvermurwbaar. Integendeel, vanuit het justitieel apparaat – waar het rechtsconservatisme de plak zwaait – werd een procedurele guerrilla opgezet om elke politieke goodwill te dwarsbomen. De regering die de kritiek wilde weerleggen dat Spanje geen scheiding der machten respecteert en dus geen rechtstaat is, zat aldus – net als haar critici – verstrikt.

Je kan bezwaarlijk opperen dat Spanje geen scheiding der machten respecteert en dan van de regering eisen dat ze ingrijpt in justitiële procedures. Feit blijft dat grote delen van de magistratuur zich ingegraven hebben en zich opstellen als de laatste verdedigingslinie tegen links en tegen een appeasement met de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging.

Corona als druppel

Cijfers
Alle cijfers komen uit de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van 7 mei 2020

Toen sloeg het coronavirus toe. Sinds op 31 januari op het Canarische eiland La Gomera de eerste besmetting werd gedetecteerd en op 13 januari in Valencia de eerste dode viel te betreuren, zijn er intussen in heel het land officieel 26.070 mensen overleden. Qua aantal besmettingen prijkt het land op een trieste tweede plaats, na de Verenigde Staten.

Meer dan 26.000 bedraagt ook het aantal besmette gezondheidswerkers. De sterkst getroffen regio’s zijn de hoofdstedelijke regio Madrid (meer dan 63.000 besmettingen en 8504 doden) en Catalonië (meer dan 51.000 besmettingen en 5394 doden).

In Spanje ontsponnen zich herkenbare discussies over het nut en nadeel van de confinamiento (Spaans voor lockdown), de mondmaskers en beschermende kledij voor zorgpersoneel (waar een schreeuwend tekort aan was), de beddencapaciteit, de adviezen van virologen en de kwaliteit en inhoud van overheidsmededelingen. Er was een spanning tussen een overijverig patronaat, dat iedereen zo snel mogelijk aan het werk wilde, en wetenschappers en vakbonden die vreesden dat dit veel te voorbarig was, en, recenter, de ritmes en modaliteiten van de desescalada, zeg maar de exitstrategie.

Ook in Spanje verweet de oppositie de regering een ‘gebrek aan leiderschap’. Sommige strakke maatregelen werden gehekeld als het gevolg van ‘golpismo’ (de drang naar het plegen van een staatsgreep) door een ‘sociaalcommunistische’ regering. De rechtse partijen kregen hierin volop de steun van een aantal grote dagbladen met de krant ABC als illuster voorbeeld, dat kosten noch moeite spaarde om met spraakmakende voorpagina’s de bevolking voor te houden dat de communisten de teugels terug in handen hadden en stoemelings een dictatuur instelden.

Tabula rasa

In schrille tegenstelling tot wat tal van oppositiepartijen menen, en tel er de tienduizenden amateur-virologen en mondmasker-deskundigen op sociale media maar bij, zat Spanje in hetzelfde schuitje als alle andere getroffen landen: er bestond geen handleiding of draaiboek ‘Rimpelloos Afblokken van Mondiale Pandemie’.

Met vallen en opstaan, te traag en dan weer te ondoordacht snel, maar zeker ingrijpend voor het dagelijkse leven van de mensen, ontrolde de regering een hele reeks maatregelen. De meest impactvolle was zonder twijfel de afkondiging van de ‘estado de alarma’ op 14 maart met verplichte quarantaine waarvoor de regering een parlementaire meerderheid moest vinden, ook om die noodtoestand telkens te verlengen. Deze strenge lockdown die enkel een bezoek aan supermarkt of apotheek toeliet, ging gepaard met flankerende sociale maatregelen voor werknemers en wat hulp aan zelfstandigen en kleine ondernemers.

Het kabinet pakte bijvoorbeeld uit met de optimalisatie van een systeem van tijdelijke werkloosheid (ERTE). Het belette niet dat het inkomensverlies en de harde lockdown bij bescheiden verdienende en krap wonende burgers maakte dat de drang om naar buiten komen én te gaan werken enorm toenam, ook al moeten vele stedelingen daarvoor opeengepakt gebruikmaken van het openbaar vervoer.

Gezondheidszorg in chaos

Eén van de grootste problemen bij de uitbraak van het coronavirus was de staat van de gezondheidszorg in Spanje, een sector waar door vorige regeringen fel op bespaard werd. Er deed zich een nijpend tekort aan mensen en middelen voor. Binnen- en buitenlandse media maakten melding van ziekenhuizen waar zorgpersoneel met plastic vuilniszakken als beschermkledij levens trachtten te redden.

Terwijl Europese lidstaten de afgelopen jaren gemiddeld zo’n 7,5 procent van het bbp aan gezondheidszorg uitgaven, was dat voor Spanje slechts 5,9 procent. Gezondheidszorg is in Spanje – dat onderverdeeld is in 17 autonome gemeenschappen – een bevoegdheid die overgeheveld werd naar de gemeenschappen, maar dat veranderde niets aan de vandaag fataal gebleken tendens van onderinvestering in zorg.

Tal van ziekenhuizen en woonzorgcentra zijn in handen van wat men in Spanje ‘fondos buitre’ noemt, letterlijk aasgierfondsen

Er is een tekort aan dokters en verplegend personeel en deze laatste zitten teveel in tijdelijke contracten wat een te grote rotatie veroorzaakt, aldus een rapport van de Europese Commissie van vorig jaar over het profiel van de gezondheidszorg in Spanje. Toen was al een heuse privatiseringsgolf door de sector geraasd.

Tal van ziekenhuizen en woonzorgcentra zijn in handen van wat men in Spanje ‘fondos buitre’ noemt, letterlijk aasgierfondsen. Dat zijn private investeringsfondsen die overigens ook op de woonmarkt uiterst actief zijn. Hun werkwijze kan als volgt samengevat worden: ze kopen instellingen, ‘saneren’ die (lonen en andere kosten verlagen) om de instellingen daarna winstgevend te runnen of door te verkopen.

In de gemeenschappen waar de rechtse Partido Popular decennialang de plak zwaaide zoals Madrid, Galicië en tot voor kort ook Valencia kregen ze van de regionale overheid vrij baan.

In de regio Madrid – grootste broeihaard van Covid-19 – werden onder PP-regeringen 3000 ziekenhuisbedden afgeschaft – dat is één op vijf – en 3200 gezondheidswerkers ontslagen. Eén van de maatregelen die de regering-Sánchez nu trof, was het uit handen trekken van de privé van ouderenzorgcentra om tegemoet te komen aan het tekort aan ziekenhuisbedden en om er de zorgkwaliteit te verhogen. Zware herinvesteringen dringen zich op maar die kosten handenvol geld.

Nood aan Eurobonds

Inmiddels is het begrotingstekort – net als elders – groter geworden. Volgens de recentste raming (1 mei) zou het begrotingstekort 10,34 procent bedragen en de overheidsschuld oplopen tot 115,5 procent van het bbp. Bovendien zal de Spaanse economie het deze zomer zonder de massale inkomsten van het toerisme moeten stellen. Die cruciale sector was vorig jaar nog goed was voor 12 procent van het bbp en 13 procent van de tewerkstelling.

Zonder te weten wanneer de grenzen terug zullen opengaan en wanneer het internationale luchtverkeer weer zal functioneren, raamt de toeristische sector zelf het verlies voor 2020 op 81,4 procent. Zoals het er nu naar uitziet is wat rest vooral binnenlands toerisme.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Spanje deel uitmaakte van de negen landen die de EU om Eurobonds vroegen – ook België deed dat – om de financiële noden te kunnen lenigen. Binnen dat Europese spectrum maakt Spanje deel uit van de PIGS, de denigrerende verzamelnaam voor de Zuid-Europese lidstaten Portugal, Italië, Griekenland, Spanje die met een hoge staatsschuld kampen en botsen op de budgettaire hardvochtigheid van de fiscaal conservatieve ‘frugals’ in Noord-Europa.

De spanningen rond de Eurobonds, opgepookt door de ronduit kwetsende opmerkingen van de Nederlandse christendemocraat Wopke Hoekstra leek een remake van de EU-verscheurdheid tijdens de bankencrisis tussen een sterk noorden dat culpabiliserend neerkijkt op de zogenaamde laissez-aller van een als spilzuchtig voorgesteld zuiden, toen met de sociaaldemocraat Jeroen Dijsselbloem in de rol van budgettaire grootinquisiteur.

Koninklijke onheil

Wie al zeker geen geldproblemen kent, is de koning-emeritus van Spanje, Juan Carlos. Begin maart maakte het Zwitserse dagblad Tribune de Genève bekend dat Juan Carlos meer dan een decennium eerder honderd miljoen euro ontvangen had op een private bankrekening van de groep Mirabaud in Genève. Door een verstrenging van de Zwitserse wetgeving ter zake moest de koning zijn rekening sluiten, waarop hij de niet onaardige som – die hij van de Saoedische koning zou ontvangen hebben – overmaakte aan zijn maîtresse, de Duitse Corinna Larsen.

Deze in Monaco gedomicilieerde ‘filantroop’ laat zich – op basis van een vorig huwelijk – met haar adellijke titel als Corinna zu Sayn-Wittgenstein aanspreken en werd ook genoemd in de Panama Papers, het internationale onderzoek naar belastingontwijking.

Die transactie met haar minnaar gebeurde in 2008 toen Spanje in de bankencrisis door de knieën ging en de jeugdwerkloosheid, die toen de vijftig procent bereikte, de vorst naar eigen zeggen uit zijn slaap hield. Helaas voor hem werd de toen nog effectieve koning met zijn minnares gespot op olifantenjacht in Botswana.

Om de alweer in opspraak gebrachte Bourbon-monarchie niet te laten kapseizen werd in juni 2014 beslist dat Juan Carlos troonsafstand zou doen ten voordele van zijn zoon, de huidige koning Filips VI. Na de onthulling in het voorjaar van 2020 van de Saoedische miljoenen op de Zwitserse rekening, moesten de crisismanagers alweer aan het werk: Filips VI zag af van de erfenis van zijn vader – hij bleek ook erfgenaam van de in Zwitserland geparkeerde fondsen – en nam hem zijn jaarlijkse dotatie van ongeveer 200.000 euro af.

Het koninklijke onheil is daarmee nog niet van de baan. De Zwitserse fiscus lijkt zich vast te bijten in de onkiese praktijken van de monarch. Nog steeds in volle coronacrisis raakte op 1 mei bekend dat een dubieuze tussenpersoon, Arturo Fasana, die ook al in andere corruptieschandalen genoemd werd, op 7 april 2010 van de koning bezoek kreeg in zijn woning te Genève.

Het Spaanse staatshoofd overhandigde een dubieuze tussenpersoon een koffer met welgeteld 1.895.250 dollar, in cash

Het Spaanse staatshoofd overhandigde hem een koffer met welgeteld 1.895.250 dollar in cash. De vorst had, naar eigen zeggen, die som ontvangen van zijn goede vriend Hamad bin Isa Al Jalifa, de koning van Bahrein.

Het is nog niet geheel duidelijk waarom Juan Carlos de miljoenen van zijn ambtgenoten uit de golfstaten zomaar krijgt toegestopt. Zwitserse speurders en Spaanse onderzoeksjournalisten vermoeden dat het om smeergeld gaat voor het faciliteren van monstercontracten. Een koning die wat bijklust zoals ook zijn schoonzoon, de gewezen tophandballer Iñaki Urdangarín, deed met dit verschil dat de echtgenoot van de koningsdochter in 2018 tot meer dan vijf jaar cel veroordeeld werd wegens witwaspraktijken, machtsmisbruik, oplichting en fraude.

Intussen voelt Corinna zu Sayn-Wittgenstein de hete adem van de fiscus en de speurders van het kanton van Genève in de nek. Haar positie evolueerde van geliefde van de koning naar potentieel bezwarende getuige. Ze liet zich al bij wijze van waarschuwing ontvallen dat ze over “acht zwarte kisten” beschikt, gevuld met documenten over haar “commerciële relatie” met Juan Carlos.

De monarch als steunpilaar?

Net als in België en in het Verenigd Koninkrijk, worden vorsten precies op momenten van nationale crisis uitgespeeld om het volk, ‘hún volk’, een hart onder de riem te steken. Hoe symbolisch of protocollair een monarchie mag zijn, als ze moet uitgespeeld worden, dan wel tijdens een oorlog of een pandemie die beide tienduizenden levens kosten.

Anders dan de onverslijtbare Queen Elizabeth die in volle coronacrisis afsloot met het mythische “We’ll meet again”, dacht menig Spanjaard toen hij zoon Filips VI de natie hoorde toespreken: “En je vader?” Of zoals de Spaanse journalist Ignacio Escolar het formuleerde: “Er bestaat geen solidariteit die hypocrieter is of patriottisme dat cynischer is dan dat van degenen die hun liefde voor Spanje ophemelen terwijl ze hun fortuin in een fiscaal paradijs onderbrengen.”

De koning-emeritus geniet onschendbaarheid. Hoewel constitutionalisten vandaag openingen en mogelijkheden zien voor een gerechtelijke vervolging. Politiek rechts dekt de monarchie als letterlijk kroonstuk van haar Spaans-nationalistisch narratief en ook de PSOE – als fervent verdediger van de grondwet van 1978 – blokt elke roep naar een parlementaire onderzoekscommissie af.

Dat maakt het bijzonder lastig voor het in wezen republikeinsgezinde Podemos dat zich nu geroepen voelt om als regeringspartij een bocht van 180 graden te maken om maar geen regeringscrisis te veroorzaken.

Journalist Escolar: “Er bestaat geen solidariteit die hypocrieter is of patriottisme dat cynischer is dan dat van degenen die hun liefde voor Spanje ophemelen terwijl ze hun fortuin in een fiscaal paradijs onderbrengen”

Hachelijker voor deze minderheidsregering is het tandengeknars vanuit Catalonië waar men binnen de kernleiding van ERC van mening is dat de regering-Sánchez in de coronabestrijding te centralistisch te werk gaat en de autonome regio’s niet betrekt. Bij de laatste stemming in het Spaanse parlement over de verlenging van de noodtoestand ging ERC zoals aangekondigd dwarsliggen, waarop Sánchez te elfder ure een akkoord met het rechtse en fel gedecimeerde Ciudadanos moest improviseren.

Vanuit zijn cel in de gevangenis van Lledoners liet ERC-leider Junqueras inmiddels weten dat Sánchez moet kiezen tussen een samenwerking met zijn partij of een akkoord met rechts.

Een wankelend kabinet

De wankele positie van het kabinet laat een ontketende rechterzijde hopen op een overname. De Partido Popular blijft in de peilingen de tweede grootste partij van het land en hoewel het fascistoïde VOX er volgens de peilingen op achteruit boert, kan ze een blok vormen met de PP die net als Ciudadanos overigens geen enkele vorm van samenwerking met extreemrechts schuwt.

Op Catalaans centrumrechts, de stroming van regiominister Torra en zijn influisteraar Carles Puigdemont, moet links niet rekenen. Net als de linksradicale onafhankelijkheidsgezinde CUP maakt het ze niet uit of Spanje nu links of rechts geregeerd wordt. Dat maakten ze ook al duidelijk door tegen de investituur van de minderheidsregering te stemmen.

Dat kan vreemd klinken als men weet dat alle drie de rechtse partijen, eenmaal aan de macht, meteen terug de Catalaanse autonomie willen opheffen en de gevangenen hun volledige termijn in de gevangenis – zonder kans op strafvermindering – willen laten uitzitten.

Hoe harder Madrid zou toeslaan, hoe meer ze zich in hun slachtofferrol kunnen wentelen en de troepen rond hun martelaarschap verzamelen

Maar wat een kamikazehouding lijkt van Puigdemont en de CUP is al minder vreemd als men beseft dat deze groepen slechts in het spel kunnen blijven door een harde polarisering met Madrid, de confrontatie tussen twee als homogeen voorgestelde blokken, wat noch aan de Spaanse noch aan de Catalaanse realiteit beantwoordt.

Hoe harder Madrid zou toeslaan, hoe meer ze zich in hun slachtofferrol kunnen wentelen en de troepen rond hun martelaarschap verzamelen.

Zonder de steun van Baskische centrumrechtse en radicaal-linkse partijen (PNV en EH Bildu) en Catalaanse centrumlinkse nationalisten (ERC), kan Sánchez het schudden tenzij hijzelf het roer omgooit en het electoraal slabakkende Podemos dumpt voor een ‘grote coalitie’ met de PP. Maar alle beloften om de coronacrisis, in tegenstelling tot bankencrisis, ditmaal niet af te wentelen op de werknemers, kunnen dan ingeslikt worden. En die beloften werden al gemaakt.

Zo maakte de regering zich bijvoorbeeld al sterk dat na de crisis niet aan de ambtenarenlonen zal geraakt worden. Sánchez zit dus niet alleen met een linkse luis in zijn regeringspels; hij zal eveneens de Catalaanse ERC aan zijn zijde moeten houden.

Van Podemos is gebleken dat die – ontdaan van hun interne kritische stemmen – bereid zijn veel water in de wijn te doen om het regeerproject te doen slagen. Op de Catalaanse republikeinen van ERC – die trappelen van ongeduld om via vervroegde Catalaanse verkiezingen ook op het vlak van de regioregering de teugels in handen te nemen – heeft hij geen vat.

Ook de ERC ontsnapt echter niet aan de keuze: overeenkomen mét centrumlinks in Madrid of zich schrap zetten voor de radicaal-rechtse storm die komt.


Uitgelichte afbeelding: Pedro Sanchez (Foto: CC BY 2.0 Europees Parlement)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Vincent Scheltiens

Vincent Scheltiens is doctor in de geschiedenis, verbonden aan Power in History, het Centrum voor Politieke Geschiedenis van de Universiteit Antwerpen.