Omarm uw onwetendheid

 Leestijd: 5 minuten4

Er was eens een kat. Het was een hypothetische kat, eigendom van (en verzonnen door) Erwin Schrödinger, een 20ste-eeuwse kwantumfysicus. Dr. Schrödinger had zijn kat in een doos gestopt, samen met een flesje cyanide, een hamer die verbonden was met een geigerteller (een instrument dat radioactiviteit meet), en een hoeveelheid radioactief materiaal. Hij had vervolgens de doos gesloten, en een uur gewacht. De geigerteller in de doos was in staat de radioactiviteit vast te stellen, maar de hoeveelheid materiaal was zo klein dat de kans hierop exact 50/50 was. Mocht het gebeuren, dan zou hij de hamer activeren, die dan het flesje met het gif zou verbrijzelen, wat dan uiteindelijk tot de dood van de kat zou leiden. Nu, zouden we, zonder de doos te openen, kunnen zeggen of de kat levend was, of dood?

Neen. Zoals Schrödingers fameuze (en wat lugubere) gedachte-experiment illustreert (zie deze video voor meer achtergrond), zolang de doos ongeopend is, en we niet weten of het gif al dan niet is vrijgekomen, is de kat in een soort onbepaalde toestand – zowel levend als dood (of zelfs geen van beide).

Zo’n onbepaaldheden zijn niet ongewoon in de kwantumfysica, en natuurkundigen gaan er dan ook zonder problemen mee om. In onze gewone wereld, waar objecten veel groter zijn dan de minuscule deeltjes waarmee zij werken, hebben we echter ook te maken met situaties waarin we niet zeker weten of iets waar of onwaar is, of zelfs met zaken die noch waar, noch onwaar zijn – situaties waarin we onwetend zijn. En daarmee hebben we het lang niet makkelijk.

Een diepe afkeer van onzekerheid

We lijken te zijn behept met een diepe afkeer van het onzekere, en die ervaren we tegenwoordig extra intens in de gespannen COVID-19-crisis. De overgrote meerderheid van wat we te horen, te zien en te lezen krijgen in de media, van politieke leiders (en, op sociale media, van talloze zelfverklaarde deskundologen) druipt van de onwankelbare zekerheid. Het is alsof het enkel de echte experten zijn die erkennen dat ze het allemaal nog niet zo zeker weten, en wiens uitlatingen van enige nuance getuigen.

Maar wij hebben nood aan zekerheid, en velen zijn bereid ons op onze wenken te bedienen. U hebt misschien die YouTube video gezien (wanneer ik dit schrijf is hij al ruim 24 miljoen keer bekeken), waarin een huisdokter advies verstrekt over hoe we met onze kruidenierswaren moeten omgaan wanneer we thuiskomen met onze boodschappen. Een van zijn tips is dat we vers fruit moeten wassen met zeep gedurende 20 seconden. Dit is een slecht idee. (Blijkbaar heeft de goede dokter dat inmiddels ook toegegeven – maar intussen zijn er wel miljoenen mensen die zijn ‘deskundige’ advies ter harte hebben genomen). En toch, het lijkt zo logisch: als men ons aanbeveelt onze handen minstens gedurende 20 seconden met zeep te wassen, dan moet dat toch ook gelden voor wat we direct in onze mond stoppen, niet?

We zijn allemaal epidemiologen (Bron: IPSOS)

Het is overigens niet enkel de geruststelling en de zekerheid van anderen waar we naar snakken. We worden uitgenodigd om sterke meningen te uiten over complexe vraagstukken, en zo onze eigen zekerheden te uiten. Een recente opiniepeiling van marktonderzoeker IPSOS vroeg aan mensen in verschillende landen in welke mate ze het eens of oneens waren met de stelling “Beperkingen op verplaatsingen en zelf-isolement zullen de spreiding van het COVID-19 virus niet tegenhouden”. (Attente lezers hebben allicht gemerkt dat het virus verkeerd benoemd wordt – het heet Sars-Cov-2, en COVID-19 is de naam van de ziekte die het veroorzaakt).

Voor de meeste mensen, met inbegrip van uw correspondent, kan het enige oprechte antwoord enkel Weet niet zijn. Ik heb, net als het merendeel van mijn medeburgers, geen flauw idee wat de diverse besmettingsmechanismen zijn, welke proportie van alle besmettingen volgens elk mechanisme verloopt, hoe deze kunnen worden beïnvloed door zulke maatregelen op individueel en collectief vlak, in welke mate de genoemde maatregelen worden nageleefd, wanneer mensen besmettelijk zijn, enzoverder. Dat verhindert een grote meerderheid van de respondenten echter niet te antwoorden alsof ze het wel allemaal weten (het grootste percentage voor Weet niet is in Duitsland, 11%).

Wij mensen zijn een gesofisticeerde soort, uitgerust met een cognitieve capaciteit die ongeëvenaard is in het bekende heelal. Maar wanneer het erop aankomt, kunnen we niet omgaan met onzekerheid. We eisen klaarheid van het zwart-witte type.

Zo’n binair denken houdt ons echter een vervormd beeld voor van de wereld. Mensen zijn ofwel met ons, of tegen ons. In dit denkpatroon is er geen plaats voor het equivalent van de kat van Schrödinger: geen plaats voor noch eens, noch oneens, misschien omdat ze ons standpunt nog niet helemaal hebben bestudeerd, of omdat ze zowel argumenten pro als contra kunnen zien.

Niet comfortabel, maar OK

Soms weten we het ook gewoon niet. Dat is OK. In een paper met als titel “I don’t know” concluderen Matthew Backus en Andrew Little, twee academici aan respectievelijk de universiteiten van Columbia en Berkeley, dat het in het belang is van zowel goede als slechte experten om onzekerheid uit te drukken wanneer het onmogelijk is vooraf te weten wat de gevolgen van beleidsmaatregelen zullen zijn. Ik ben bereid hier mijn nek uit te steken en daaraan toe te voegen dat dit evenzeer goed advies is voor non-experten.

Niet-weten is echter oncomfortabel, vooral wanneer we ons genoodzaakt voelen om een keuze te maken. We willen niet dat het lijkt alsof we in een opwelling handelen, en dus moet het maken van de keuze zelf geïnspireerd zijn geweest door een of andere zekerheid – zelfs als dat een ingebeelde zekerheid is. Misschien rationaliseren we onze keuzes bij onzekerheid door een onderbouwing ervoor naar het verleden te projecteren? Als we niet beschikken over feiten, dan kunnen we altijd terecht bij onze priors, wat we al menen te weten, onze vooringenomenheden – net als de dokter die ons aanraadt onze appelen en tomaten met zeep te wassen.

Dat zien we ook rond het controversiële thema van de mondmaskers. Beeld u twee mensen in: Pat en Chris. Pat gelooft dat mondmaskers, omdat ze een fysische barrière vormen, daadwerkelijk een deel van de besmetting kunnen verhinderen die we riskeren wanneer we kort uit de lockdown komen en om noodzakelijke provisies gaan. Chris gelooft dat mondmaskers cruciaal zijn voor gezondheids- en zorgwerkers die van nabij werken met zeer zieke patiënten, maar dat onhandig geplaatste maskers weinig uithalen om de fijne aerosoldeeltjes die het virus overdragen van besmette personen tegen te houden, en integendeel een vals gevoel van veiligheid opwekken.

Waarom zouden we ophouden bij een mondmasker? (Foto: leo2014 (Pixabay))

Pat en Chris hebben allebei gelijk. Ze zullen beide bewijsmateriaal vinden dat hun standpunt steunt, en dat zal hun overtuiging sterken. Wanneer ze bewijsmateriaal zien dat hun positie aanvecht, zullen ze argwanend zijn ten opzichte van de bron, en het buiten beschouwing laten. Pat en Chris zullen wel, met groeiende stelligheid, hun standpunt verkondigen. Net zoals wij allemaal vertonen ze immers niet enkel een sterke neiging hun eigen vooringenomenheid te bevestigen (u herkent wellicht al de confirmation bias), maar ook een neiging om anderen te overtuigen van hun gelijk, en zich achter hen te scharen. Je ziet meteen hoe dat aanleiding geeft tot een zelfversterkend proces, waarin ze echo’s van hun eigen pleidooien opvangen en dat als extra bewijs zien voor het feit dat zij, en enkel zij, het bij het rechte eind hebben.

Nochtans hebben Pat en Chris tezelfdertijd gelijk – net als de kat van Schrödinger tezelfdertijd dood en levend was. De vergissing die ze begaan is te geloven dat hun gelijk, hun waarheid, absoluut is – terwijl die slechts gedeeltelijk en voorwaardelijk is. Zelfs een geïmproviseerd, slecht zittend masker zal sommige druppeltjes opvangen wanneer de drager hoest, niest of spreekt, en verhinderen dat druppeltjes die worden geprojecteerd door anderen hun eigen mond of neus bereikt.

Maar welke proportie van deeltjes die werkelijk van belang zijn – druppeltjes en aerosols – worden werkelijk tegengehouden? Noch Pat noch Chris weten het echt. Ze weten niet of het dragen van een masker is als een motorrijder die een helm dracht, of een pinnenmuts. Ze weten evenmin hoe mensen zich zullen gaan gedragen wanneer ze een mondmasker dragen, hoe inadequaat ook.  Zullen ze zich netjes aan de geldende physical distancing maatregelen houden, of zullen ze – omdat ze zich beter beschermd voelen – vaker en langer naar buiten gaan, en minder nauwgezet 1,5 meter afstand houden?

Als we belang hechten aan de waarheid, dan moeten we bereid zijn onze vooringenomenheden op te geven, keer op keer. Zodra we een overtuiging omarmen neemt ze de controle over en zoekt ze bescherming bij ons. En dan gaan we op zoek naar bevestiging en proberen we anderen voor ons te winnen, in plaats van onze overtuiging op de proef te stellen en ze telkens weer bij te stellen.

Onze vooringenomenheden opgeven betekent echter wel dat we onze onwetendheid moeten erkennen. Dat is niet gemakkelijk voor ons, onzekerheidmijdend als we zijn. Maar toegeven dat we het eigenlijk niet zo zeker weten laat ons toe te aanvaarden dat er meerdere waarheden bestaan, en zorgt ervoor dat we niet begaan zijn met welke waarheid de ‘echte’ is.

Daarom is het goed onze onwetendheid te omarmen, want door dat te doen overwinnen we ze.


Uitgelichte foto: CC BY Robert Couse-Baker 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.