Je me révolte, donc nous sommes: revolutie in tijden van pandemie

 Leestijd: 4 minuten0

Geeft het coronavirus vooralsnog hoofdzakelijk aanleiding tot goedbedoeld escapisme? “De revolutie blijft voorlopig nog even in haar kot”, stelde Tom Naegels vast. Is dat zo? Er is ook andere lezing van de voorbije weken mogelijk, gestoeld op de lessen van Albert Camus’ voorspellende werk ‘La Peste’.

Sinds de uitbraak van het coronavirus worden we overspoeld door analyses van hoe deze crisis een aantal historische omwentelingen in beweging kan zetten. Iedereen geeft zijn eigen interpretatie aan deze onverwachte lockdown. De ene is ecologisch van inslag, de andere meer nationalistisch. Het lijkt wel eigen aan ‘la condition humaine’.

Tom Naegels maant in een opiniestuk in De Standaard dan ook terecht aan tot de nodige terughoudendheid. Pas wanneer er mensen massaal zouden overlijden, zou zich een fundamentele verandering kunnen aandienen.

Maar het relativisme over de terugtocht naar het authentieke leven lijkt misplaatst. Er is namelijk geen nood aan een overhaaste revolutie die zijn eigen kinderen opeet. De echte opstand begint bij een nieuw individualisme, een besef dat het ‘wij zijn’ tegenover de geschiedenis plaats.

La Peste

Het is misschien weinig verrassend dat de eerste aanzetten tot deze eigenzinnige vorm van opstandigheid terug te vinden zijn bij de Franse filosoof Albert Camus. Zijn meesterwerk ‘La Peste’ (1947) wordt nu en masse herlezen. En terecht.

Camus’ proza bevat een verrassend realistisch relaas van een samenleving die wordt getroffen door een pandemie. Wanneer hij de aanvang van de pestepidemie beschrijft, legt de Franse existentialist de nadruk op de aanvankelijke ontkenning bij de goegemeente.

Camus stelt dat de inwoners van Oran, het Algerijnse stadje, ‘vergaten bescheiden te zijn (…) en ervan uitgingen dat plagen onmogelijk waren’. Voor Camus’ staat zo’n vorm van humanisme gelijk aan hoogmoed. Deze hybris was er ook in Vlaanderen. Vooral niet panikeren, luidde het mantra enkele weken geleden nog. De economie moet immers blijven draaien. Anderen deden het ‘pandemietje’ af als paniekzaaierij en bleven gretig kussen uitdelen. Ondertussen heeft menig zelfverklaard ‘humanist’ zijn kar gekeerd en lijkt er wel een opbod te zijn ontstaan. Hoe strenger de maatregel, hoe beter.

Maar Camus’ werk legt ook een andere realiteit bloot. Die van de scheiding tegen wil en dank. De inwoners van Oran hadden het gevoel verbannen te zijn. De stad werd afgesloten. Hoe lang zou de scheiding duren? Hoelang eer zij hun geliefde zouden kunnen terug zien? Wanneer zouden de cafés weer opengaan?

“Die leegte die wij voortdurend in ons droegen, die speciale emotie, het zinloze verlangen de tijd terug te draaien of juist te versnellen, die brandende pijlen van de herinnering.” Het zijn emoties waar velen in onze samenleving-in-lockdown zich ook iets kunnen bij voorstellen. Zelfs in tijden van Skype en FaceTime. Schermen vervangen namelijk géén lichamelijk contact.

Opstand

Evenzeer aanwezig in La Peste is de belangeloze overgave in de strijd tegen de ongrijpbare ziekte. Het is hier waar de kiemen liggen van de individuele opstandigheid die Camus bepleit. En die ook in onze samenleving aanwezig lijkt. In La Peste komen sommigen bij de strijd tegen de ziekte ten val, de anderen slaan zich er doorheen, doch verliezen wat hun dierbaar was.

Albert Camus (Foto: CC BY-SA 3.0 Robert Edwards (Wikimedia))

Camus’ absurde hoofdpersonage, dokter Rieux, geeft de strijd tegen het virus niet op. Hij gaat frontaal in de aanval. Vanuit een houding van bescheidenheid. Géén morele superioriteit bij Rieux. Hij wil vooral niet aan de kant van de plagen staan. De journalist Rambert wou dan weer eerst ontsnappen uit de stad. Maar hij laat zijn geliefde toch achter: “Niets ter wereld is het waarde dat je het voorwerp van je liefde de rug toekeert. En toch doe ik dat ook zelf, zonder te weten waarom.” Rambert gaat zieken redden.

Camus lijkt wel uitdrukkelijk niet op zoek naar heiligen. Zijn personages grossieren in kleine kantjes. Camus verwerpt heldhaftigheid op radicale wijze. Omdat ze misleidt. Hij zaait zo de kiemen voor een ander soort revolte, die radicaal anders is dan die waarover we zo vaak lezen in de geschiedenisboeken.

Camus gaat ontwikkelt zijn ideeën over de individuele revolte verder in zijn filosofisch werk ‘l’Homme révolté’ (1951): hij plaatst er het opstandige individu uitdrukkelijk tegenover de hang naar een absolute revolutie. “De revolutionair is tegelijkertijd opstandige, of anders is hij geen revolutionair maar een politieman en ambtenaar die zich tegen de opstand keert.” Maar, zo gaat Camus verder, “als hij opstandig is, keert hij zich uiteindelijk tegen de revolutie.”

De absolute revolutie vooronderstelt namelijk de reductie van de mens tot een kneedbaar ding, een instrument. Hoeveel onschuldige slachtoffers zijn er niet gevallen bij menig goedbedoelde revolte? Het is nét datgene waartegen Camus zich hartstochtelijk verzet. Het is die valkuil die we vandaag ook lijken te vermijden.

Grenzen

Wij, als opstandige mensen, stellen elk een individuele grens aan de geschiedenis. Door zieke mensen te helpen. Door met de buren elke avond voor onze dokters en verplegers te klappen. Door mondmaskers te maken. Dit vormt de bevestiging van een grens, een waardigheid en schoonheid die wij allen gemeen hebben. Zelfs al wordt die grens in een isolement getrokken, op het persoonlijke niveau.

Voorbij de muren die ons scheiden lijkt op vandaag sprake van een gemeenschappelijk ‘neen’ en ‘ja’ tegelijk. Een ‘neen’ tegen een wereld waarin mensen louter economische assets zijn. Waarin de abstracte mens het haalt boven een mens van vlees en bloed. En een ‘ja’ tegen een wereld waarin de geschiedenis begrensd wordt door concrete menselijke handelingen. De radeloze mens wordt tot essentie verheven.

Net omdat die met zijn acties de loop van de geschiedenis kan veranderen. Een idee dat velen misschien de voorbije jaren hadden opgeven. Misschien omdat onze hang naar consumeren ons had verdoofd. Het had de illusie gecreëerd dat de wereld een speeltuin was, zonder begin- en eindpunt. Een luxe-variant op Nietzsches eeuwige terugkeer van hetzelfde. Het is deze paradox – die stelt dat ik de andere nodig heb, die mij en iedereen nodig hebben – die in deze tijden van pandemie ten volle ingang kan vinden.

“Je kunt niet genezen en weten tegelijk”, verzucht dokter Rieux in La Peste. “Dus laten we zo snel mogelijk genezen, dat heeft de meeste haast.”

Het zijn de concrete handelingen van de komende maanden die de toekomst vorm zullen geven. En dat die toekomst anders zal zijn dan we ons op vandaag kunnen inbeelden, is net dè kern van de revolutie die we op heden beleven. Dàt is het revolutionaire. Enkel het geloof in de menselijke scheppingskracht leidt namelijk tot een authentieke groepsopstand. En zo kan het de zaadjes planten voor een permanente opstandigheid, die durft te gokken op een nieuw begin waarvan de contouren nog niet volledig duidelijk zijn. Enkel dit soort revolutie heeft een echte slaagkans.

 

Uitgelichte foto: Juhani Pelli (Unsplash)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Hendrik Schoukens

Hendrik Schoukens is werkzaam als doctoraatsassistent aan de vakgroep Europees, Publiek en Internationaal recht van UGent. Hij is tevens advocaat in Gent.