Memento mori

 Leestijd: 8 minuten1

Januari 1987. Mijn moeder sterft. Ze is net vijftig geworden. De kanker heeft haar opgevreten, letterlijk met huid en haar. Eerst haar borsten, dan alles wat zacht is in haar binnenkant, inmiddels heeft de ziekte zich vastgezet op haar huid. Elke dag verdwijnt er meer buitenkant, ze is inmiddels ook kaal en vel over been. Ze is zo licht om dragen, zwaarder om dragen is de voortdurende pijn, voor haar, maar ook voor mij. Dit is geen leven, zegt haar hele lijf, maar haar jonge hart geeft niet op. Zet dit bestaan stil, zeg ik, dat de pijn ophoudt, waarom is er niemand die helpt? Uiteindelijk sterft ze toch. Dag, dag, mijn lieve moeder.

Ze hield van ons. En wij van haar.

Januari 2017. Mijn vader sterft. Hij is de zeventig voorbij, maar na een heftig leven is zijn lijf op. Hart, nieren, longen. Hij heeft zijn best gedaan om nog een tijdje in leven te blijven, voor ons, de kinderen, maar het is genoeg geweest, meldt hij ons. Hij zou voor de eindejaarsperiode al gestorven zijn, maar uit consideratie heeft hij besloten om begin januari te gaan. Eerst de feesten, beslist hij, en vervolgens sterven. In zijn ziekenkamer toost hij nog op het nieuwe jaar met een oester en een slok champagne. Zet de machine stil, stop de medicatie, dank je wel genadige dokter. Dag, dag, mijn lieve vader.

Hij hield van ons. En wij van hem.

En ik mis hen nog, al is het intussen niet meer elke dag. Maar ik ben nog altijd dankbaar dat zij mochten sterven, en dat ik er bij was om hen innig uit te zwaaien. Dag, dag, het is goed, ga nu maar, leven en dood horen allebei bij de mens. En waar en wanneer het geen leven meer is, is de dood welkom. Leven en dood is geen kwestie van of/of maar van en/en.

Zo leerde ik van de filosofen uit het vroege Athene. De Griekse filosofische scholen verschilden soms erg, maar hun leerstellingen en oefeningen waren vaak op hetzelfde gericht: de mens zelfbewuster maken, zo zelfredzaam als mogelijk, en zelf beschikkend als het nodig was, in leven en in dood.

Het woord euthanasie komt trouwens uit het Oudgrieks. Het betekent εὖ (eu) = goede en θάνατος (thanatos) = dood. Een goede, milde of genadedood.

Ik herinner me een verhaal uit het oude Griekenland, mij verteld lang voor mijn eigen wijze vader doodging, maar toch gelijkaardig. Een oude filosoof had beslist dat zijn leven geleefd en voltooid was, het was tijd om naar de overkant te gaan. Hij stopte met eten, maar toen hij besefte dat hij zou sterven op het moment dat er feest was in de stad, vroeg hij de bakker nog enkele dagen versgebakken brood op zijn gezicht te leggen. Zo hield hij de dood nog even op afstand, uit consideratie met de burgers om hem heen, en als het gewone leven opnieuw haar gangetje ging, blies hij gelijkmoedig zijn laatste adem uit. Het kan samengaan, het uitoefenen van individuele vrijheid en verantwoordelijkheid nemen voor de groep waartoe je behoort.

De overgeleverde anekdote verhaalt niet of de oude filosoof fysieke of mentale pijnen leed. Wellicht niet, het was geen algemeen overtuiging bij de Griekse filosofen dat dit nodig zou zijn om het leven te beëindigen. Het leven mocht als een feest worden beschouwd, een banket waar je als mens mocht aanzitten, en als je het feest niet meer smaakte, kon je beter naar huis gaan. Als mens had je, wat wij nu noemen, zelfbeschikkingsrecht.

Bloemen (Foto: Gratisography)

Het Assisenproces dat vorige week in Gent liep was bijzonder. Voor de eerste keer moesten drie artsen zich voor een rechtbank verantwoorden voor een euthanasie-uitvoering. Na ongeveer twintig jaar euthanasiewet en meer dan twintigduizend toepassingen, is dat eveneens bijzonder. Het betekent ook, menen sommigen terecht, dat deze wet werkt, vrij goed in elkaar zit en door de meeste Belgen aanvaard wordt.

De wet is trouwens erg specifiek. Als iemand die ongeneeslijk ziek is of ondraaglijk lijdt, uitdrukking geeft aan zijn of haar wil om het leven op waardige en milde wijze te beëindigen, herhaaldelijk en bij vol bewustzijn, en hiervoor hulp vraagt van een arts, die bereid is deze beslissing in te willigen,… dan en slechts dan spreken we over euthanasie.

Ik herhaal. Het is nooit levensbeëindiging van wilsonbekwamen op verzoek van derden of vanuit een medische beslissing. Het is één persoon enkelvoud die beslist dat het niet meer gaat, één ‘ik’, niemand anders, geen familie, geen dokter, geen priester, geen drukkingsgroep of procureur. De legalisering van euthanasie vertrok en eindigt altijd bij het menselijk zelfbeschikkingsrecht, en dat is hoogst individueel. De evolutie van de laatste decades toonde ook dat meer en meer wilsbekwame mensen, bewust en geïnformeerd, bij vol verstand en beseffend wat ze kozen, met reden voor euthanasie gingen. De vraag naar wettelijke erkenning van euthanasie was bijna twintig jaar geleden al terecht en legitiem en is dat nog.

Maar nu was er dus dit proces. Tien jaar geleden werd euthanasie uitgevoerd bij een jonge vrouw omwille van psychisch lijden. Het is vooral haar familie die hier vragen bij stelde.

Dat roept echter andere vragen op. Waarom is de zaak eerder geseponeerd door het gerecht en werd ze nu voor Assisen gebracht? Was het de bedoeling de euthanasiewet vanuit bepaalde politieke of religieuze hoek zelf in proces te brengen. Nee toch? Hoopte men voor een volksjury iets te bereiken wat in het parlement niet lukt? Laat ons hopen van niet. Hoe komt dat dit geen zaak was van de Orde der geneesheren als het gaat over onbehoorlijke toepassing van voorwaarden? Waarom vroegen de familie-advocaten een principiële schuldverklaring en geen zware straffen? Waarom vroeg de openbare aanklager op het einde plotseling dan toch weer vrijspraak voor de huisarts?

Het leek inmiddels toch op slecht werkende justitie en bovenal ideologische strijd. Binnenshuis in de rechtbank en inmiddels ook buitenshuis in de media. In de marge hadden duizenden artsen steun betuigd, bij duizenden anderen sloeg de schrik om het hart, patiënten, artsen, medeburgers. Deze zaak een gifmoord? Komaan. Onze wet a license to kill? Komaan. Wat, Opus Dei, Grootloge? Zo kom je in een loopgraven-gesprek terecht, het echte gesprek vertroebeld door opgerakelde voor- en tegenstanders. Polarisering, alweer.

Iemand verzuchtte tijdens de zittingen: het proces van de nutteloze schade. Ach. Een jonge vrouw wiens bestaan bij leven al niet licht was, werd nu postuum bezwaard. Toegegeven. Wellicht ook omdat we meer tijd hadden moeten nemen voor het uitschrijven van de wet, ook omdat we in tussentijd zowel de wet als de wettelijke controle-commissie hadden moeten evalueren. Dat is zo.

De Raad van State waarschuwde het parlement al in 2001 dat de wet niet zei hoe artsen te bestraffen als ze de wettelijke voorwaarden schonden. Het verschil was groot: een arts die een patiënt bijstaat die er wettelijk geen mag krijgen of een arts die procedurefouten maakt. Zo konden artsen vervolgd worden voor het allerzwaarste strafmisdrijf. Dat kon de bedoeling toch niet zijn? Experten benadrukten dat de wetgever dit onderscheid aanvankelijk niet maakte, maar door oordeelsvermogen en de vele literatuur, het verschil zich niettemin stelde.

De Belgische euthanasie-wetgeving bestaat sinds 2002. We zijn nog altijd vrij uniek om deze thematiek die overal te wereld bestaat, te legaliseren. Ach, de wet was te laat voor mijn moeder, maar nog vroeg genoeg voor mijn vader. Voor beiden zou vandaag het fysieke leed doorslaggevend zijn en op weinig weerstand stuiten, maar er is altijd ook psychisch leed. Een ziek lichaam spaart de geest niet, en bij wie geestelijk ziek is, wordt ook het lijf aangetast. Bij de oude Grieken voerde men de latere moderne splitsing lichaam/geest nog niet tot het uiterste door.

Voor ons maakt het blijkbaar verschil. In 2015 drongen psychiaters, psychologen en proffen in een open krantenbrief er op aan het ‘louter’ psychisch lijden wettelijk te schrappen omdat de uitzichtloosheid van psychisch lijden onmogelijk viel te ‘objectiveren’. In de bestaande wet is het verschil terminaal en niet-terminaal crucialer dan het onderscheid psychisch en fysiek.

Ook fysiek leed valt trouwens moeilijk wetenschappelijk te objectiveren, denk ik dan, het gaat nog altijd om de subjectieve mens, maar de betekenis van een term als ‘uitzichtloos’ of ‘uitbehandeld’ is bij psychisch leed complexer, dat is zo. Toch is psychisch leed soms evengoed overduidelijk; de lange duur, herhaaldelijk hervallen, de oneindige pogingen… opnieuw recht krabbelen wordt op een bepaald moment erg onwaarschijnlijk. Bij terminaal fysiek leed kan je trouwens ook altijd nog op een wonder of medische vooruitgang hopen, maar of je hierdoor mensen redt? They shoot horses, don’t they?

Omdat men een uitzichtloze toestand bij psychisch lijden nooit medisch hard kan maken, kun je de wet hier eigenlijk niet letterlijk toepassen, zei klinisch psychologe Ariane Bazan tijdens de proces-week in een praatprogramma. Toch zou het volgens haar mogelijk zijn dat hulp of assistentie onder iets als ‘hulp bij zelfdoding’ zou vallen, wat binnen de Nederlandse wet kan.

De vraag is hoe we dit in de realiteit van ons land praktisch zouden realiseren, hoe de uitvoering dan moet gebeuren en of deze procedure binnen de medische sfeer moet blijven? De vraag is ook welke terminologie en argumenten we hier gebruiken en of we ons wel opnieuw in een zeer ideologisch gesprek willen bevinden?

Om te beginnen is het niet makkelijk een term te kiezen voor een vrijwillig en zelfgekozen levenseinde ‘omdat het genoeg is’. Waarover spreken we? Oud en levensmoe, geen nut of plezier, geen partner of generatiegenoten, al dan niet gepaard met fysieke aandoeningen, al dan niet tevreden over het voorbije leven? Het lijkt er op dat een term als ‘voltooid leven’ mogelijkheden biedt, maar dan nog.

We kunnen echter sowieso dit gesprek niet voeren zonder ons af te vragen of onze samenleving niet allereerst beter moet zorgen voor haar burgers, warmer en zorgzamer en aanweziger moet zijn, meer geld moet besteden aan ouderen, aan woon- en zorginstellingen, aan psychisch kwetsbaren en aan zelfmoordpreventie? Al die zaken die nu onderhevig zijn aan besparingen, volgens de politieke keuzes van dit moment. En sowieso moeten we ook in dit gesprek met palliatieve instellingen en verzorgers praten, net omdat zij medestanders zijn en geen tegenstanders.

Radiostem Lutgart Simoens vertelde enkele jaren geleden dat ze zou overwegen euthanasie te plegen omwille van een voltooid leven als onze wetgeving dit toeliet. Open Vld-voorzitster Gwendolyn Rutten trad haar onmiddellijk bij, maar het debat werd niet opgepikt. Misschien met reden, want een hulpvraag vanuit een voltooid leven zonder bijkomende pathologie is sowieso hoogst uitzonderlijk. Vaker, vooral de ouderen onder ons, lijdt men aan ongeneeslijke kwalen, die elk op zich niet voldoende voorwaarde zijn, maar als ‘polypathologie’ wel onder het wettelijk ondraaglijk lijden kunnen vallen.

Het is dringender de wet te herzien door de toenemende vraag voor euthanasie vanuit dementie, zo lijkt wel. De schrijver Hugo Claus lukte het, maar het blijft heikel. Men kan enkel levensbeëindiging vragen als de ziekte niet te ver is gevorderd. Begrijpelijk, want wilsbekwaamheid moet er zijn, maar op welk moment vinden wij mensen met dementie nog wilsbekwaam en niet meer?

We leven in een hedendaagse pluralistische maatschappij waar deze vragen kunnen worden gesteld en bijgesteld en democratisch beslist. Maar toch. De overwegende katholieke leer praatte ons eeuwenlang de Griekse gedachte uit het hoofd dat iemand zelf beslist over leven en dood, zonder verbod of gebod van welke god of groepering dan ook. We moeten er nog altijd aan wennen. En vanuit onze huidige jeugd-, gezondheids- en gelukscultuur, samen met de wetenschappelijke vooruitgang waaronder een immense medische progressie, houden wij de dood het liefst zo ver mogelijk van ons vandaan, en dus ook het denken eraan.

Het leven is niet anders dan een oefening in sterven, zei Plato, ook een Grieks filosoof, en de meeste filosofen vonden het samen met hem onverstandig pas aan de dood te denken als het moment daar was. Samen denken en samen spreken over ons sterven is nodig, zo bleek tijdens en na het proces.

Voor vrijzinnigen blijft het zelfbeschikkingsrecht fundamenteel. Volgens hen moet men, in de mate van het mogelijke, zelf kunnen beslissen hoe men wil leven en sterven, zonder druk van anderen. Een vrij Grieks filosofisch standpunt, zou je kunnen zeggen. Religieuzen hebben het er hier vaak moeilijker mee, noemen deze zelfkeuze toch vaak moreel verkeerd en egoïstisch.

Nog in 2008 vond Kardinaal Danneels de euthanasiewet en mogelijke uitbreiding een keuze tussen twee beschavingen; ‘een beschaving van mensen die van zichzelf helemaal meester (willen) zijn en een beschaving waar er voor een God en het bovenmenselijke nog plaats is.’ Het groeiende moderne bewustzijn sinds de renaissance, veroordeeld hij als ‘een uitwas’, met ‘bijna kankerachtige proporties’, dat ‘op hol’ sloeg. Vrijere geesten reageerden dan weer met te zeggen dat zij katholieke ziekenhuizen en dokters tot het barbarendom rekenden, een erg Griekse term, trouwens. Ook hier was nuance, voldoende inzicht of luisterbereidheid al eens zoek en wilde men niet zien dat, ondanks kwade wil hier en lobbywerk daar, er in deze instellingen en bij veel verzorgers evengoed veel zorg, humaniteit en medewerking was.

Gesprek is altijd weer nodig, maar ik bedoel dan een gesprek, geen beledigingen, vuilbekkerij of manipulatie. Want bijna iedereen beseft, dit proces had beter niet plaats gevonden. Maar het is er nu, en het is een kans om een beter maatschappelijk debat over de wet te voeren, onder meer over mogelijke uitbreidingen, en een verbeterde controle en uitvoering.

In plaats van het gesprek vast te zetten in voor- of tegenstanders, in religieuzen of niet-religieuzen, in termen van moord en doodslag moeten we het allemaal eens hebben over wettelijkheid, humaniteit, zorgvuldigheid en hoe we een euthanasiewet kunnen hebben die ons in de toekomst nog beter beschermd, bij leven en bij sterven. Wat met ouderen, kinderen, dementen, bijvoorbeeld? Is het in de toekomst denkbaar dat we een wettelijk kader creëren voor hulp bij zelfdoding? Wat betekent in diverse concrete gevallen een begrip als ‘binnen afzienbare tijd’? Wat is de functie van en waar is de controle bij de openbare aanklager als het tot een rechtszaak komt?

Het is niet omdat dit geen eenduidig gesprek is dat het uitgangspunt om erover te praten niet gerechtvaardigd blijft; hoe kunnen we lijden dat altijd diepmenselijk blijft en natuurlijk nooit uitgesloten kan worden, toch voor velen van ons in waardigheid verlichten?

De grote vragen keren altijd terug en moeten herhaaldelijk aan iedereen opnieuw worden gesteld, want daar gaat het om: wat willen wij als beschaafde maatschappij samen voor zoveel mogelijk van ons, nu en tot in het uur van onze dood, amen.

Deze tekst werd geschreven in het kader van het Mechelse stadsproject The Neverending Park (De Grond der Dingen). (Tot 15 maart.)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Ann Meskens

Ann Meskens is freelance auteur, en studeerde wijsbegeerte en toegepaste ethiek aan de KU Leuven en de Universiteit van Nice.