Welke cultuur verdedigen?

 Leestijd: 7 minuten1

Op 8 november werd de beleidsnota Cultuur van Vlaams minister-president Jan Jambon online geplaatst. De structureel gesubsidieerde organisaties moeten 6 procent inleveren, de projectsubsidies dalen met 60 procent. Het totale cultuurgeld zakt naar 508 miljoen euro, het kleinste aandeel in 20 jaar op de Vlaamse begroting.

Dat de recente besparing op cultuur door de Vlaamse regering een daad van politiek revanchisme is, hoeft vandaag nog weinig betoog. De vraag blijft echter hoe te reageren op zo’n wraaklust. Op korte termijn lijken vooral manifestaties, sociale media-acties, open brieven en petities de beste instrumenten om ongenoegen te communiceren.

Een oplossing op lange termijn zou zich ook een andere vraag moeten stellen – hoe we tot dit punt geraakt zijn. Zo’n analyse zou in de eerste plaats moeten vertrekken van een begrip van het “werkelijke” culturele én politieke landschap waar Vlaanderen zich in bevindt, het machtsveld waarin de cultuursector zich verstrikt weet. Wie heeft er macht over wie, en hoe wordt die macht gelegitimeerd? 

Marktlogica

De kunstensector is geobsedeerd door zijn eigen bestaansprincipes maar staat niet meer stil bij wat ze echt produceert. En als men niet meer stil staat bij wat men produceert, hoe kan men het dan verdedigen?

Cultuur kent in Vlaanderen een ambigu statuut. Zelfs met de beperkte middelen en de structurele onderbetaling van (jonge) kunstenaars, wordt er in onze contreien toch ontzettend veel geproduceerd. In de Vlaamse podiumkunsten gaan jaarlijks gemiddeld 400 nieuwe creaties in première. In de periode 2017-2019 waren er in België gemiddeld 438 audiovisuele releases per jaar. In 2014 telde Kunstenpunt 790 tentoonstellingen in Vlaanderen. De solidariteit die afgelopen weken op gang kwam, wijst op de grote veelheid én diversiteit aan makers, initiatieven, instellingen en instituten binnen de culturele sector.

Anderzijds opereert deze sector ook in een leemte. Cultuur kent – zowel door een doorgedreven marktlogica, alsook door een soms zelfgekozen isolatie – nauwelijks nog haar plaats in een publieke ruimte. Bibliotheken worden belevingsruimtes, theaters worden clubs, musea worden evenementenbureaus, verslaggeving wordt entertainment en stadscentra worden themaparken.

Op de openbare omroep is amper nog ruimte voor degelijke cultuurverslaggeving. De mainstreampers heeft kritiek verminkt tot een doorgeefluik van informatie. De “grote ruimtes” van kunst en cultuur – onderwijs, pers, openbare ruimte en de cultuurinstellingen zelf – worden zo gestaag uitgehold. Onder die notie van een “publieke ruimte” schuilt dus een door-en-door politieke vraag: hoe en door wie worden deze ruimtes ingevuld en vormgegeven?

Verweesd

Anderzijds lijken ook de kunsten zelf te worstelen met een zekere verweesdheid. Ze zijn angstig over hun eigen machtsverhoudingen, bezorgd om hun witheid en weten niet wat aan te vangen met haar overgedragen canon. Dat gewetensonderzoek leidt tot onzekerheid over het “domein” van de kunst.

In 2003 beschreef Frank Vande Veire hoe die verweesdheid ontstond toen de kunsten zich sinds midden jaren tachtig emancipeerden “van elk voordien als ‘artistiek’ beschouwd medium of materiaal, van elk specifiek savoir faire.” Zoals hij stelt: 

“Men bezingt graag de duizelingwekkende rijkdom aan mogelijkheden die dit opent, maar daarmee ontwijkt men de vraag die zich hier opdringt en die zich misschien nog nooit zo scherp heeft laten stellen, namelijk de vraag naar wat dan wel het domein van de kunst is. Dit domein lijkt nog nooit zo vervliedend te zijn geweest, zo moeilijk te benoemen, zo abstract.”

De kunstensector is geobsedeerd door zijn eigen bestaansprincipes maar staat niet meer stil bij wat ze echt produceert. En als men niet meer stil staat bij wat men produceert, hoe kan men het dan verdedigen? Die onachtzaamheid zorgt voor een onaangename vaststelling: iedereen gelooft vurig in “cultuur” maar weet amper in wat er wordt geloofd.

In een gesubsidieerd kunstenlandschap kan men die vraag amper negeren. Welke cultuur moet er verdedigd worden? Zoals Peter De Roover zei in De Afspraak: “Subsidiepolitiek is altijd een ideologische keuze geweest. Wij maken een politieke keuze.” Het is veelzeggend dat dit vandaag nog moest verduidelijkt worden. De Roover gaf een waarheid prijs die de cultuurwereld nooit ten volle heeft erkend.

Actie aan het Vlaams Parlement tegen besparingen op cultuur (Foto: © Laura Groesekens (State of the Arts))

Volksverheffend

De solidariteit van de afgelopen weken mag die algemene diagnose niet in de weg staan. Cultuur lijdt in Vlaanderen aan een gevoelige depreciatie. De Roover gaf toe dat het de N-VA ook om meer dan een begrotingsoefening ging. Hij viseerde de kunstensector eerder inhoudelijk en stelde dat “vroeger kunstenaars een beter oog hadden voor schoonheid”.

Deze uitspraak getuigt niet alleen van een bekrompen kunstvisie. Hij is vooral pijnlijk omdat, bij monde van de grootste partij van het land, een maatschappelijk gebrek aan cultuurbeleving en -begrip zichtbaar wordt. Zoals Marlies De Munck opmerkte in De Standaard is De Roovers “ergernis in de eerste plaats een politiek probleem”. Als parlementslid etaleert hij zijn eigen vervreemding, maar die vervreemding komt niet uit het niets. Hij is eerder zelf het slachtoffer van een al te broze publieke cultuur.

Zijn opmerking duidt ook op een specifiek begrip van cultuur. Voor de N-VA moet cultuur – om een oubollig woord te hanteren – “volksverheffend” zijn. Ze heeft een expliciet stichtende taak. Op eerste zicht lijkt de partij daarmee met de beschikking van de cultuursector zelf in te stemmen. Zoals Guy Cassiers het in 2008 uitdrukte:

“Ik vind dat het de taak is van de kunsten om het publiek op te voeden. Als je een kind laat kiezen wat het eet, dan kiest het alleen maar frieten met mayonaise en spaghetti bolognaise. Dan kun je zeggen: ik geef het kind wat het wil, maar levert dat een gezonde situatie op? De taak van de kunsten is juist om te zeggen: er bestaat iets anders, verrijk uw wereld.”

Wat die opdracht precies voorstelt is voor de kunstensector zelf zelden duidelijk. Wat geven we het kind dan wel te eten? Welke kunst verrijkt onze wereld, welke verarmt ze? Of preciezer: welke poëtica verdedigt een kunstenaar? 

Leeg containerbegrip

Het verval van de georganiseerde politiek werpt kunstenaars een vraag in de schoot en nodigt hen uit om zelf aan politiek te doen. Maar dat zet het domein van de kunst nog meer onder druk. Het zorgt ook voor een verdere vervaging van haar “domein”.

Door veel reacties en opiniestukken schemert een aanname die geen bespreking behoeft: cultuur is een verplichting, is altijd de moeite en moet reflexmatig verdedigd. Cultuur is hier een lege container, ontdaan van enige specifieke inhoud en vorm, die automatisch voor “verbinding” zorgt. Besparingen op deze sector zijn dus zonder meer barbaars. 

Door veel reacties en opiniestukken schemert een aanname die geen bespreking behoeft: cultuur is een verplichting, is altijd de moeite en moet reflexmatig verdedigd

Die leegte helpt ook de N-VA net haar vertoog zo handig in de wereld zetten. De partij herkent bij de Vlaamse kiezers een hardnekkige vervreemding tegenover de cultuurwereld en buit die electoraal uit. Maar de N-VA stelt daar geen diepgaande cultuurbeleving tegenover. In de plaats biedt ze een visie die de vraag naar een publieke sfeer opschort en de grote spelers op een markt als propaganda inzet.

Het huwelijk met Studio 100 verbeeldt die visie perfect: de private sector wordt bewierookt zolang er de vage garantie van een “wervend” verhaal is, conform met het eigen nationalistisch fabeltje. We zien ook bij De Roover gestes naar “normen” en “publieke” waarden, maar uiteindelijk delegeert men alles toch richting markt. De N-VA wil de publieke vraag naar kunst niet beantwoorden. Ze wil het huidige electorale deficit alleen maar uitbuiten.

Hier wordt ook de kloof tussen die Vlaamse lokaliteit en de cultuursector zelf zichtbaar. Men gunt de N-VA al te vaak het alleenrecht op het Vlaamse erfgoed en maakt geen alternatieve claim op het verleden. Waarom zouden Rubens of Bruegel alleen als Vlaams-nationalistische propaganda moeten dienen? Wie spreekt er in naam van Elsschot, Boon of Daens? In naam van Jeanne Brabants, Alice Nahon of Virginie Loveling?

Cultureel patrimonium gaat dan om meer dan een droge inventarisering van het verleden, maar om het vullen (of, meer en meer, doen ontstaan) van een gedeeld geheugen, een ruimte waarin burgers kunnen bewegen. Een gedeelde ruimte maakt nationalisme mogelijk. Maar ze nodigt ook uit tot kritiek. Zoals de Engelse historicus Edward Thompson stelt, is geschiedenis “niet dood, inert of beperkend, maar zit tjokvol met energieën die we terug aan onze kant kunnen krijgen.”

Terwijl de kunstensector zich verzet tegen het oude repertoiretheater en “canon”, maakt nota bene Studio 100 een sensationele musicalversie over Priester Daens. In zijn historische anekdotiek is die even melig als plat. Welke culturele inhoud de sector hier tegenover zet blijft eeuwig impliciet. Wat men vergeet is dat men met die retoriek net voortdurend het heden voor schut zet.

Democratisch deficit

Vanuit een marktlogica, verpakt in een nationalistisch kleedje, wordt binnenkort een eenheidscultuur aan Vlaanderen opgelegd

Dat die historische houding vandaag ontbreekt werd de afgelopen weken pijnlijk duidelijk. Ondanks alle vormen van inspraak, inclusiviteit en participatie waar de cultuursector zo voor gekend is, lijdt de sector overduidelijk aan een democratisch deficit – een onvermogen om de cultuur in haar geheel te willen omvatten. Men dient zich te verhouden tot het hele publiek, en dat in politieke zin. Men moet haar of zijn esthetiek niet schikken naar de algemene noemer van de markt of naar de wensen van een beperkt provincialisme.

De zogenaamde wereldvreemdheid is niet het resultaat van de cultuur zelf, maar hoe ze verwoord en uiteindelijk vermarkt wordt – of hoe ze uiteindelijk haar plaats (niet) kent in de publieke ruimte. 

De cultuursector ziet daarmee op tegen een verlammende paradox over haar eigen rol. Aan een zijde vinden we een visie op kunst die publieke ondersteuning wil. Ze wil die ondersteuning zonder een robuust publiek project, en vervalt uiteindelijk in moralisme. Aan de andere schuilt een kunstvisie die publieke ondersteuning afzweert, maar wel nog sterke publieke claims wil maken. De N-VA is de partij van de “volksverheffing”. De vraag rest: hoe bereiken we een cultuur met publieke ondersteuning en mét een publieke claim?

Historisch werk

Welke kunst verrijkt onze wereld, welke verarmt ze? Of preciezer: welke poëtica verdedigt een kunstenaar?

Als eerste zou men moeten kunnen toegeven dat cultuur om meer vraagt dan de sentimentele verdediging die ze nu krijgt. Lege stopwoorden als “hoop” of “schoonheid” dekken de lading niet. Cultuur is niet per definitie solidair of verbindend.

Het opbouwen van een cultuur vereist steeds een historisch werk. Kunstenaars zullen nooit voor de hele bevolking spelen. Maar ze ontlenen hun vrijheid wel aan een impliciet pact met die bevolking en moeten zo eens een bevrijdende afstand waarborgen. Sommigen doen dat door een financiële belofte: wij leveren fondsen en ervaringen. Maar kunstenaars willen meer doen met die vrijheid. Nieuwe lezers en toeschouwers kunnen hun hedendaagse gezichtspunten en gevoeligheden maar begrijpen als ze weten hoe die ingeschreven zijn in een geschiedenis van kijken en schrijven. 

Het idee van een canon biedt een beladen maar klare oefening daarvoor. Een canon stelt mensen in staat zich historisch te oriënteren, om gevechten over “een” verleden te winnen. Die kritische en historische opdracht geldt evengoed voor het heden.

Is er een verband tussen de inhoudelijke verarming bij de VRT als het om cultuur in Vlaanderen gaat en het volkomen onbegrip ervoor? In de jaren zeventig en tachtig konden televisiemakers als Jef Cornelis, Eric de Kuyper of Annie Declerck een publiek nog informeren over én confronteren met andere vormen van cultuur. Waarom zou dit vandaag niet meer mogelijk zijn? 

Vanuit een marktlogica, verpakt in een nationalistisch kleedje, wordt binnenkort een eenheidscultuur aan Vlaanderen opgelegd: de promotie van een reeks gecureerde producten met regionaal keurmerk. Zolang daar niet tegenin gegaan wordt, voert niet alleen de N-VA maar ook de cultuursector een schaduwgevecht. Uiteindelijk rest voor beiden een intimiderende vraag. Welke cultuur moet er eigenlijk verdedigd?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Anton Jäger

Anton Jäger (1994) is publicist en doctorandus aan de Universiteit van Cambridge.

Auteur: Gerard-Jan Claes

Gerard-Jan Claes (1987) is filmmaker en artistiek leider van Sabzian.be, een online platform voor filmkritiek.