Een nieuwe dwazernij in De Wevers war on drugs

 Leestijd: 5 minuten2

Walter De Smedt legt uit waarom het idee van Bart De Wever om een Belgische variant van de Amerikaanse DEA op te richten die de war on drugs moet voeren, allesbehalve zaligmakend is.

‘Ik hoop dat de nieuwe regering een soort DEA start’, liet Bart De Wever zich recent ontvallen. De Antwerpse burgemeester wil een Belgische variant van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration, een dienst van het ministerie van Justitie die zich bezig houdt met de drugbestrijding. De geschiedenis van de Belgische justitie en politie leert echter wat er kan gebeuren met dergelijke dienst. De Wever vergeet dat wij al onze DEA hebben gehad: de fameuze zaak-François, de moeder van alle disfuncties in justitie en politie is blijkbaar al vergeten.

Op 12 juni 1971 richtte justitieminister Alphonse Vranckx binnen zijn departement een geheel nieuwe dienst op: het Bestuur van de Criminele Informatie, gekend als de BIC. Deze dienst paste volkomen in de door de Verenigde Staten gevoerde oorlog tegen de georganiseerde criminaliteit en voornamelijk de handel en het gebruik van drugs. In deze wereldomvattende oorlog waren de verschillende diensten in de VS samengebracht onder de Drug Enforcement Administration (DEA). De leden opereerden vanuit de ambassades en onder diplomatieke onschendbaarheid. Ze gebruikten daarbij bijzondere methoden als de observatie, het werken met informanten, en zetten operaties op met het gebruik van nepfirma’s, infiltratie en uitlokking door undercover agenten.

De Rijkswacht kon niet achterblijven en richtte daarom, eveneens eigenmachtig, een soortgelijke dienst op, het Nationaal Bureau voor Drugs (NBD). De twee, buiten de wet opgerichte diensten – het BCI en het NBD – en de samenwerking van beiden met de Amerikaanse DEA mondde vervolgens uit in zowat alle mogelijke gebreken die bij de opsporing en het onderzoek denkbaar zijn. De zaak-François, genoemd naar de rijkswachtofficier die chef was van het NBD, mag daarom gerust omschreven worden als de moeder van alle mogelijke disfuncties bij politie en justitie.

Foto © U.S. Coast Guard

Leon François

Op 14 april 1982 werd commandant van de Rijkswacht Leon François veroordeeld tot één jaar gevangenis met uitstel voor zevenentwintig misdrijven waaronder handel in drugs en vernietiging van dossiers. In dezelfde zaak werden ook andere ambtenaren voor soortgelijke feiten veroordeeld tot drie en vier jaar gevangenisstraf, al dan niet met uitstel.

Het dossier leest als een politieroman met alle mogelijke fouten en gebreken die politieambtenaren bij de opsporing in het crimineel milieu kunnen maken. De meest frappante is de cocaïnezaak. Commandant François, hoofd van het Nationaal Bureau voor Drugs van de Rijkswacht, verspeelde 1.650.000 Belgische frank aan een burgerinfiltrant. Hij trachtte deze zaak te verdoezelen door enkele kilo’s in beslag genomen cocaïne te verkopen in Nederland. Het liep echter slecht af omdat de zaak verlinkt was en de daders werden opgepakt.

Zowel leden van het NBD als van het Bestuur voor Criminele informatie bleken zelf zware criminelen te zijn geworden en zaten diep in het milieu verweven

François ging dan te rade bij zijn vrienden van de Drug Enforcement Administration (DEA), de undercover agents op de Amerikaanse Ambassade. Zij brachten hem in contact met de Pakistaanse drugshandelaar Khan. Khan zou tegen betaling, een aantal valiezen hasj het land kunnen binnensmokkelen. Door de verkoop daarvan zou het NBD zijn schuld bij de generale staf kunnen betalen.

Het bleef evenwel niet bij enkele valiezen. In 1978 werd Khan gearresteerd in Karachi met 1200 kg hasj in zijn bezit. Toen ging de bal pas echt aan het rollen. Daarbij bleek dat zowel leden van het NBD als van het Bestuur voor Criminele informatie zelf zware criminelen waren geworden en zij diep in het milieu verweven zaten, niet alleen om te infiltreren en op te sporen, maar ook om er zelf profijt uit te halen.

Crimineel geld

Dat de wereldwijde oorlog tegen drugs is verloren weet intussen iedereen: het coke-gehalte in het Antwerps rioolwater is aan de hoge kant, het aantal schietpartijen in de stad ook. Dat die oorlog intussen steeds zichtbaarder woedt, komt omdat er slechts één kant van de trafiek wordt aangepakt. De handel in drugs is één zaak, wat er met het grote geld dat er mee wordt verdient gebeurt een heel andere. Als je het probleem ernstig wil aanpakken moeten ook de criminele geldstromen worden opgespoord, vervolgd en zwaar bestraft.

Met de talrijke meldingen door De Cel voor Financiële Informatieverwerking wordt nauwelijks iets gedaan

Voor de opsporing van crimineel geld hebben wij ook een gespecialiseerde, internationaal werkende, dienst: de CFI. De Cel voor Financiële Informatieverwerking, opgericht in 1993, is de centrale schakel binnen het stelsel ter bestrijding van het witwassen van geld van criminele oorsprong en de financiering van terrorisme. De CFI is een onafhankelijke administratieve overheid met rechtspersoonlijkheid en staat onder het toezicht van de Ministers van Justitie en van Financiën. Ze staat onder leiding van een magistraat en is samengesteld uit gerechtelijke en financiële deskundigen en een hoger officier van de federale politie.

Het CFI kan enkel onderzoeken doen: om de vastgestelde feiten of aanwijzingen te kunnen vervolgen worden verslagen gemaakt die vervolgens aan de parketten worden bezorgd. Uit het jaarverslag van het CFI van 2017 blijkt duidelijk wat er met die meldingen gebeurde. In 2017 waren er 3.285 meldingen die betrekking hadden op verrichtingen in verband met witwassen of financiering van terrorisme voor een totaalbedrag van 1.415,95 miljoen EUR.

Het verslag geeft statistieken over het aan de meldingen gegeven gevolg. Enkele voorbeelden: In Brussel leidde de 1.570 overgemaakte dossiers tot 18 veroordelingen, in Antwerpen van de 790 overgemaakte tot 14, het Federaal parket slaagde er in van de 423 dossiers 8 veroordelingen te maken, in Dendermonde kwam er van de 191 dossiers geen enkele veroordeling. Aan de cijfers van het CFI moeten ook de ontzettend hoge bedragen worden toegevoegd die uit de lekken over de verschillende belastingparadijzen, de Panama en andere Papers, blijken: ook daar zit heel wat crimineel geld bij.

Corruptie

Daarnaast is er de corruptie. GRECO, de “Groep van Staten tegen Corruptie”, wat een onderdeel van de Raad van Europa is, maakte in 2018 een tussentijds verslag over preventie van corruptie ten aanzien van parlementairen en rechters. Daarin stelde de groep vast dat van de vijftien aanbevelingen die twee jaar geleden zijn gelanceerd, België er geen enkel voldoende in de praktijk heeft gebracht. Slechts vier keer is dat gedeeltelijk gebeurd, in de overige gevallen helemaal niet.

Het verslag is duidelijk: “Wat de preventie van corruptie ten aanzien van parlementsleden betreft, verkeert het proces van reflectie en hervorming nog steeds in een stadium dat weinig vooruitgang laat zien, bijna vier jaar na de aanneming van het evaluatieverslag. Wat de rechters en procureurs betreft, wordt ook daar over het algemeen trage en geringe vooruitgang geboekt.”

Om onze nalatigheid in deze materie te kennen moet je niet eens het verslag lezen. Het staat ook in de media: Alain Mathot die mits de steun van de NV-A parlementaire onschendbaarheid genoot wordt nu toch vervolgd voor de 700.000 euro steekpenningen die hij verkreeg bij de bouw van de gigantische vuilverbrander in Herstal.

Verslag GRECO over België: “Wat de preventie van corruptie ten aanzien van parlementsleden betreft, verkeert het proces van reflectie en hervorming nog steeds in een stadium dat weinig vooruitgang laat zien.”

Alain Mathot

Als burgemeester De Wever echt iets wil doen aan de wantoestanden in zijn stad, waaronder het drugprobleem, kan hij alvast beginnen met de aanpak van de criminele gelden. Het Antwerps bouwdossier gekend als het Land Invest schandaal is er een schoolvoorbeeld van.

“De omstreden Antwerpse projectontwikkelaar Land Invest Group (LIG) van sterke man Erik Van der Paal was tot vorig jaar nog voor de helft eigendom van Ogeo Fund. Dat door de Luikse PS gedomineerde pensioenfonds trad ook op als financier van Land Invest Group en pompte tientallen miljoenen in het vastgoedbedrijf.”

In de media Apache en Le Vif werden de “disfuncties” binnen de Antwerpse bouwpromotor uit de doeken gedaan. Geen beweringen maar op interne documenten gesteunde aanwijzingen van misdrijven: o.a. buitensporige managementsvergoedingen, restaurantkosten voor gemiddeld 15.000 euro per maand, 906.367,62 euro aan facturen door een vriendin van de sterke man van Publifin, Stéphane Moreau, voor erg betwistbare prestaties, en ook het dor hemzelf bekende en wellicht door de firma betaalde druggebruik van Van Der Paal. Wat gebeurde er met deze aanwijzingen? De burgemeester weigert categoriek te antwoorden op de gestelde vragen.

De vraag van de burgemeester om een eigen DEA op te richten is intussen ook door andere elementen achterhaald: de destijds door het BIC en het NBD gebruikte methoden zijn intussen wettelijk voorziene “bijzondere opsporingsmethoden” geworden. Dat ook de inlichtingendiensten nu gebruik maken van de bijzondere “inlichtingenmethoden” gaf onlangs nog aanleiding tot terechte vragen.

Uit het jaarverslag van het Vast Comité I blijkt immers dat de Belgische inlichtingendiensten meer dan ooit bijzondere inlichtingenmethoden zoals telefoontaps, observaties en geheime huiszoekingen gebruiken: In 2018 hebben de Belgische inlichtingendiensten 2.445 keer bijzondere inlichtingenmethoden toegepast. Dat is een stijging met meer dan 25 procent tegenover 2017. Deze cijfers tonen aan dat de vraag van de burgemeester zonder voorwerp is geworden: ook al werden onze Drug Enforcement diensten, het BIC en het NBD, opgedoekt, dan nog worden de destijds van de DEA overgenomen methoden nu door alle federale diensten gebruikt.

Eerder dan de zwarte piet naar de federale diensten door te schuiven zou de burgemeester er beter aan doen zijn eigen beleid in vraag te stellen: wat kan hij zelf doen om de wantoestanden in zijn stad aan te pakken?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Walter De Smedt

Walter De Smedt is gewezen raadslid van Comité I en Comité P.