Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Brexit en het spook van de linkse onverkiesbaarheid

16 december 2019 Wouter Goedertier
49038735116_2dbae3de88_k
Jeremy Corbyn tijdens de verkiezingscampagne (Foto: CC BY 2.0 UK Labour/Jeremy Corbyn)

Zijn linkse tegenkandidaat Jeremy Corbyn leidde een smadelijke nederlaag en maakte al bekend dat hij binnenkort zal aftreden. De partijleden van Labour zullen zich nu moeten bezinnen over een nieuwe koers en een nieuwe leider. Een van de vraagstukken die daarbij opduikt betreft de erfenis van Corbyn. Moet de partij vasthouden aan diens consequent linkse opstelling of toch maar opteren voor een meer “gematigde” centrumkoers in de geest van oud-partijleider Tony Blair en zijn “derde weg”? 

Het antwoord op deze vraag zal sterk worden bepaald door hun interpretatie van de recente verkiezingsuitslag. Aangezien deze nieuwe tegenslag voor links ook op het Europese continent uitvoerig zal worden bediscussieerd, wil ik in dit stuk een aantal hypothesen aanhalen die de nederlaag van Corbyn in een breder perspectief plaatsen. Daarbij verdedig ik de stelling dat niet zozeer het linkse programma, maar de onduidelijke houding tegenover de Brexit Labour de das heeft omgedaan.

De eerste beschouwingen

Niet zozeer het linkse programma, maar de onduidelijke houding tegenover de Brexit heeft Labour de das omgedaan

De verleiding is groot om de nederlaag van Corbyn te wijten aan zijn “te linkse” economische programma. Je hoort deze geluiden vandaag zowel in de mainstream media als op de sociale media. Dit discours, dat ongetwijfeld in de kaart speelt van de “gematigde” (pro-kapitalistische) strekking binnen Labour zal ook een niet te verwaarlozen effect hebben op de houding van de democraten in de komende Amerikaanse presidentsverkiezingen. Qua analyse is deze interpretatie van de feiten echter eenzijdig gericht op het economische veld.

De vraag is of sociaaleconomische thema’s zoals de sociale ongelijkheid, de onderfinanciering van publieke diensten en de hoge prijzen van private nutsvoorzieningen wel voldoende centraal stonden in de Britse verkiezingsstrijd. Bovendien stemmen kiezers nooit louter op basis van hun sociaaleconomische belangen, hoe belangrijk deze ook mogen zijn. Ze laten zich doorgaans overtuigen door de kracht van een bepaald verkiezingsdiscours, waarvan ze vermoeden dat het hun belangen in brede zin zal dienen.

Van verkiezingskandidaten wordt dus verwacht dat ze een visie formuleren op de samenleving in haar geheel. Kiezers zijn op zoek naar economische zekerheid, maar ze kijken ook naar aspecten van politieke haalbaarheid, vragen erkenning voor hun culturele gevoeligheden, beschouwen de impact van het buitenland, enzovoort. Het is goed mogelijk dat ze in dit proces van belangenidentificatie misleid worden. De greep van de tabloids op de Britse publieke opinie is groot, maar ook deze factor is onvoldoende om het echec van Corbyn te verklaren.

De NHS als symbool van de Brexit

Boris Johnson heeft in deze verkiezingen zijn linkerflank afgedekt door de kaart te trekken van de versterking van de National Health Service (NHS), de Britse nationale gezondheidszorg. Johnson goochelde vaak met de cijfers, maar zijn investeringsretoriek legde hem electoraal alvast geen windeieren.

Het is nog onduidelijk in welke mate dit thema ook het speerpunt zal vormen van zijn toekomstig beleid. Je hoort ter rechterzijde ook een roep om kostenbesparing, wat kan leiden tot een (gedeeltelijke) liberalisering en privatisering van de Britse gezondheidszorg. Ook de handelsakkoorden die het VK nu gaat onderhandelen met de VS en de EU plaatsen het publieke karakter van de NHS onder druk.

De NHS valt ook niet te herleiden tot een sociaaleconomische kwestie. De NHS was in de campagne rond het Brexitreferendum al uitgegroeid tot een van dé symbolen van de Britse onafhankelijkheid, een bewijs dat Britten hun geld beter zelf kunnen besteden in plaats van bij te dragen aan de EU. In die zin heeft het een vaste plaats verworven in de retoriek van Johnson.

Op dat vlak vertoont het discours van Johnson overigens een opvallende parallel met het protectionistische vertoog van Donald Trump. Dit heeft niet geleid tot het terugtreden van de VS uit de wereldeconomie, maar tot een meer autonome opstelling tegenover supranationale instellingen zoals de VN en de WTO, waar het primaat van de Amerikaanse belangen niet altijd gegarandeerd is.

Kosmopolitisme en nationale identiteit in de Engelstalige wereld 

De verkiezing van Trump en Johnson is een onderdeel van een belangrijke verschuiving op het wereldtoneel. De financieel-economische crisis van 2007-2009 was een kantelmoment in de recente geschiedenis, die grote vraagtekens plaatste bij de vanzelfsprekendheid van de neoliberale globalisering. Tezelfdertijd liep de (door het VK gesteunde) unilaterale buitenlandse politiek van de VS op de klippen in Irak en Afghanistan. Een hele resem van grote (China, Rusland, India) en kleinere (Turkije, Syrië) mogendheden sprongen in het geopolitieke vacuüm.

Als antwoord daarop grijpen Engelssprekende landen terug naar hun historische tradities van nationaal exceptionalisme, waarbij ze zich losscheuren uit “onliberale” imperiale verbanden. Zo kwam Engeland pas tot volle wasdom na de breuk met “Rome” in de zestiende eeuw, wonnen de VS hun onafhankelijkheid tegenover “Londen” in de achttiende eeuw en stuurt het VK vandaag aan op een breuk met “Brussel”. Het momentum van deze verschuiving is geenszins uitgewerkt en vooralsnog speelt de linkerzijde in dit proces niet de eerste viool. 

Vanwege haar universalistische focus op het welzijn van elke mens (in de praktijk vaak verengd tot economische behoeften) worstelt de linkerzijde met politiek-institutionele verschuivingen die het gevolg zijn van veranderende geopolitieke en etnisch-culturele verhoudingen. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste staat de internationalistisch georiënteerde linkerzijde eerder afkerig tegenover patriotisme en nationalisme, twee ideologische krachten die in zulke verschuivingen een prominente rol spelen. 

Ten tweede moet links strijd voeren op het politiek-institutionele terrein van haar historische tegenstander, de kapitalistische burgerij en haar politieke vertegenwoordigers. Het gekende verhaal van de democratisering van het vertegenwoordigende overheidsbestel (met de “liberale democratie” als vertrouwd, maar fragiel eindpunt) heeft geleid tot een verburgerlijking van de linkse leiding en haar achterban.

Het gedachtengoed van een groot deel van de hedendaagse linkerzijde vindt vandaag aansluiting bij het liberale kosmopolitisme van de middenklasse. Deze sociale groep was ook in het verleden al sterk betrokken bij de administratie van multinationale politieke verbanden zoals Oostenrijk-Hongarije en het Duitse Keizerrijk. 

Vandaag vertaalt deze mentaliteit zich in een verdediging van het “liberale imperium” van de EU. Onder druk van het liberaal-kosmopolitische deel van zijn achterban kon Corbyn zich in deze verkiezingen niet eenduidig uitspreken in het voordeel van de Brexit. Hij behield het perspectief van een tweede referendum, een nieuwe volksraadpleging om het proces van de Brexit terug te draaien.

De Brexit legde een hypotheek op de missie van Corbyn. De partijleider dankte zijn opkomst in Labour aan twee factoren: zijn overtuigd linkse economische oriëntatie en zijn pacifistische opstelling ten tijde van de oorlog tegen Irak. Een consequente houding doorheen zijn politieke loopbaan maakte hem tot een icoon van de hoger opgeleide jonge partijleden die een nieuwe wind wilden laten waaien nadat het tijdperk Blair was geëindigd in militarisme en financieel-economische crisis.

Toch kreeg Corbyn van critici het etiket van linkse nostalgicus opgeplakt. Hij zou teruggrijpen naar de gloriedagen van het welvaartskapitalisme uit de drie decennia na de Tweede Wereldoorlog. Hij werd vaak weggezet als een weinig charismatische “backbencher” die er niet zou in slagen om de dynamische middenklasse van het VK aan te spreken.

Aanvankelijk leek Corbyn nog een goede kans te maken om premier te worden. Hij verloor slechts nipt van Theresa May in de verkiezingen van 2017. In de daaropvolgende maanden kon hij echter geen vuist maken. Toen het aanslepende debat rond de Brexit een sterkte verdeeldheid binnen zijn partij blootlegde, begonnen steeds meer kiezers aan hem te twijfelen.

Tegenstellingen in het linkse kamp

De electorale kern van Labour bevindt zich vandaag in Londen, waar veel progressieve intellectuelen en etnische minderheden wonen. Onder de blanke arbeiders in het noorden van Engeland, generaties lang de vaste achterban van Labour, deed zich een opmerkelijke verschuiving voor. Velen onder hen hebben in deze verkiezingen voor Johnson gestemd. Het zou verkeerd zijn om hieruit overhaaste conclusies te trekken. Sommige noordelijke kiesdistricten zijn immers in het linkse kamp gebleven. Bovendien is het niet uitgesloten dat traditionele Labour stemmers die nu voor Johnson kozen in een volgende verkiezing naar de oude stal terugkeren.

Toch valt niet te ontkennen dat er structurele tegenstellingen bestaan tussen de blanke arbeiders enerzijds en de bonte coalitie van grootstedelijke intellectuelen en zichtbare minderheden anderzijds. Labour kan deze tegenstellingen niet gemakkelijk overbruggen.

Natuurlijk hebben voorgenoemde groepen ook samenvallende belangen. Het blijft echter de vraag of ze deze voldoende erkennen en of ze doorslaggevend zijn voor hun stemgedrag. Het is een grote uitdaging om mensen uit diverse gemeenschappen en sociale rangen te organiseren zodat ze hun belangen (als werknemers en als consumenten) collectief gaan verdedigen.

De vakbonden spelen hierin een historische rol, hoewel ze hun taak doorgaans verengen tot “business unionism”. De civiele samenleving telt nieuwe initiatieven zoals We Own It, een burgerbeweging die zich inzet voor de herwaardering van publieke diensten. In een electorale context wegen deze organisaties blijkbaar te licht. Ook de klimaatbeweging slaagt er onvoldoende in om haar eisen te koppelen aan de onmiddellijke bekommernissen van de doorsnee kiezer.

Bovendien lopen er markante scheidingslijnen doorheen de werkende klassen. De posities die mensen bekleden op de arbeidsmarkt en in het arbeidsproces verschillen sterk qua opleidingsniveau, arbeidsvoorwaarden en prestige. Het traditionele leiderschap van linkse intellectuelen over de subalterne klassen wordt door deze laatsten in vraag gesteld. De aanslag van het neoliberalisme op de cultuur van de arbeidersklasse heeft zijn tol geëist. Over welke sociaal-culturele structuren beschikt de linkerzijde vandaag nog in arbeidersmilieus? De toestand is niet uitzichtloos, maar de mainstream media en sociale media voeren duidelijk de boventoon.

Prominente vormen van activisme uit de middenklasse vertonen weinig affiniteit met de leefwereld van mensen uit de arbeidersklasse. Corbyn was verantwoordelijk voor de opwaardering van marxistische denkkaders, maar vele progressieve intellectuelen blijven zweren bij een esoterisch culturalisme dat afkerig staat tegenover begrippen zoals sociale klasse en nationale identiteit.

Leidende figuren van minderheidsgroepen richten hun pijlen vooral op de privileges van de blanke meerderheid en de geassocieerde praktijken van discriminatie, uitsluiting, stereotype beeldvorming en culturele toe-eigening. Aangemoedigd door het multiculturalisme uit de liberale mainstream lijken ze zich vooral te bekommeren om de sociale mobiliteit van de eigen groep. In de context van een doorgedreven commodificatie van de populaire cultuur is er een alomtegenwoordige strijd losgebarsten over het “ownership” van etnisch-culturele artefacten, praktijken en ideeën.

Praktijken van “virtue signalling” onder de intellectuelen gaan vaak gepaard met een stereotype voorstelling van blanke arbeiders als dom en racistisch. Gevoelens van onzekerheid onder deze laatsten worden ook versterkt door de snelheid waarmee zij gevraagd worden om hun gebruiken te veranderen. De linkse overdaad in de cultuurstrijd zorgt voor een “backlash” onder de historische achterban van Labour.

49038735116_2dbae3de88_k
Jeremy Corbyn tijdens de verkiezingscampagne (Foto: CC BY 2.0 UK Labour/Jeremy Corbyn)

Migratie en de angst van de blanke arbeidersklasse

Racisme onder de blanke arbeiders is ongetwijfeld een probleem. De werkende klasse wordt collectief verzwakt door het onvermogen van werknemers om hun culturele verschillen te overbruggen. Toch kan je goed begrijpen dat leden van de subalterne klassen zich in een neoliberale context verzetten tegen ongebreidelde migratie. Het momentum van de Brexit wordt mede gevoed door ongenoegen over de migratiegolven uit Centraal- en Oost-Europa en de overzeese gebieden.

De mentaliteit van blanke arbeiders inzake migratie wordt in deze geconstrueerd op het kruispunt van zowel productie- als gemeenschapsrelaties. Onder deze laatste noemer verstaan we zowel de traditionele geopolitieke betrekkingen tussen staten als de interculturele verhoudingen binnen een bepaalde sociale configuratie. Wie de economische gevolgen van migratie vreest, laat zich gemakkelijk verleiden tot nationalistische projecten zoals de “one-nation Tory democracy” van Johnson.

Transcontinentale migratie blijft vandaag de splijtzwam van links. Door hun associatie met het culturele establishment, waar hybridisering vaak als een verdienmodel wordt aangewend, zien linkse intellectuelen de cultuur van Europa, de Arabisch-Iraanse wereld en Afrika doorgaans als een continuüm. Als gevolg van hun negatieve ervaringen met economische competitie en grootstedelijke problemen zullen doorsnee leden van de blanke arbeidersklasse eerder de verschilpunten tussen Europese en niet-Europese culturen benadrukken.

In het huidige Europa vertaalt dit ongenoegen zich in een ontegensprekelijke electorale tendens die een politiek van open grenzen afwijst. Extreemrechts spint garen bij deze situatie, maar wanneer het aankomt op de politieke machtsuitoefening trekt de reguliere rechterzijde vooralsnog aan het langste eind. 

Antisemitisme als metafoor voor de islam 

Dit brengt ons bij een belangrijk punt die het falen van Corbyn kan verklaren. De standvastige partijleider leek de culturele spanningen in eigen land vooral te benaderen vanuit een multicultureel en islamvriendelijk perspectief. Zo zag hij er bijvoorbeeld geen graten in om Britse moslims publiekelijk een goede ramadan toe te wensen, een gebaar dat wrevel opwekte bij een deel van zijn blanke achterban.

Corbyn maakte ook ophef door zijn hevige oppositie tegenover de Israëlische bezettingspolitiek. De bijhorende kritiek op het zionisme was een oprechte uiting van anti-imperialisme, maar appelleerde evenzeer aan de gevoeligheden van het islamitische deel van zijn achterban. De goed georganiseerde pro-Israëlische lobbygroepen gingen vanzelfsprekend in de tegenaanval. Zij lazen Corbyns uitlatingen niet als een terechte kritiek op de politiek van Israël als Joodse staat, maar als een dreigement aan het adres van Joden als bevolkingsgroep. 

Corbyns tegenstanders hebben zijn zogenaamde antisemitische tendensen maximaal uitvergroot. Op de duur waren zelfs liberale multiculturalisten ervan overtuigd dat Labour een probleem had. Door zich bloot te stellen aan beschuldigingen van antisemitisme gaf Corbyn zijn opponenten ook een krachtig retorisch wapen: het vermogen om islamofobie te capteren (en te voeden) zonder zich rechtstreeks bloot te stellen aan beschuldigingen van racisme. Volgens de Tories was Corbyn een extremist en een haatzaaier die gemeenschappen tegen elkaar opzette en zo de levensomstandigheden van Joden in het VK bedreigde.

In dit vertoog worden blanke Britten en Joden verenigd in een gemeenschap van waarden als de vrije markt, de natiestaat en de “Joods-Christelijke beschaving”. De islam wordt hierdoor impliciet aangeduid als een bedreiging voor deze waarden, zowel in het VK als in de Levant. De recente aanslag door moslimextremisten heeft deze framing ongetwijfeld versterkt.

Besluit

Een centraal thema in deze verkiezingen was de plaats van het VK in Europa, het Westen en de wereld. Door zich halfslachtig op te stellen tegenover de Brexit, ondergroef Corbyn zijn vertrouwen bij een groot deel van de blanke arbeiders. Deze laatsten associëren de EU immers met ongecontroleerde migratie. Niet geheel onterecht zien zij Europa als een imperium dat er niet in slaagt om een duidelijke grens te trekken tussen zichzelf, de moslimwereld en Afrika.

Aangespoord door het kosmopolitische deel van zijn achterban weigerde Corbyn om de breuk met de EU als onomkeerbaar te beschouwen. Vele Britten zagen hierin een bedreiging van hun nationale identiteit. Hiermee heeft Corbyn het momentum van de Brexit onderschat en zijn afspraak met de geschiedenis gemist. In de huidige conjunctuur neemt het Engelstalige 'Westen’ steeds meer afstand van het Europese continent dat een onzekere toekomst tegemoet gaat. 

Samengevat kunnen we stellen dat de potentiële kiezersbasis van Labour verdeeld is door tegenstellingen op het vlak van de productieverhoudingen, maar vooral op het vlak van de gemeenschapsrelaties. In het linkse kamp telde de continentaal Europese variant van “global governance” zowel fervente voorstanders als hevige tegenstanders. Net als de VS grijpt het VK vandaag terug naar zijn historische traditie, dat van een onafhankelijke natiestaat die zijn maritieme positie uitspeelt op het wereldtoneel.

De “special relationship” tussen de Engelstalige landen zal in de komende jaren worden versterkt. Tegelijkertijd zullen de etnische spanningen in eigen land toenemen. Het oprukkende nationalisme in Schotland en de spanningen in Noord-Ierland zullen veel aandacht opeisen, maar op langere termijn hebben de tegenstellingen aan de onderkant van de samenleving het grootste crisispotentieel.

LEES OOK