Watou revisited

 Leestijd: 5 minuten0

Een goed verhaal moet je vooral niet kapotchecken, zo luidt een oude journalistengrap. Neem nu het verhaal dat Gwij Mandelinck, die van zichzelf Guido Haerynck heet, zijn pseudoniem aan Paul Snoek te danken heeft. Ik heb het altijd graag willen geloven. Toen de jonge, timide Haerynck voor het eerst zijn verzen aan de grote Paul Snoek durfde voorleggen, zou Snoek – die van huis uit domweg Edmond Schiettekat heette – hem gesommeerd hebben een pseudoniem te kiezen: ‘Eén grote vis in de vijver van de Vlaamse literatuur is al meer dan genoeg.’

Watou
Dat was Watou’ is het dagboek van Gwij Mandelinck over de poëziezomers van Watou. Piet Piryns leverde aan het boek deze bijdrage.

Gwij Mandelinck – hoe verzin je het. Vooral dat Gwij. Gwij, zoals Guido, maar ook zoals Gwijde van Dampierre, een van de protagonisten uit het romantisch-nationalistische epos van Hendrik Conscience De Leeuw van Vlaanderen. ‘Wat Walsch is, valsch is, sla dood!’

Laat ik het maar opbiechten: vanwege zijn nom de plume heb ik Gwij Mandelinck jarenlang in een hoek gesitueerd waar hij niet thuishoorde – en ik was helaas niet de enige die dat deed. Het moet hem destijds diep gegriefd hebben. Dat hij behalve dichter ook nog eens redacteur van Dietsche Warande en Belfort was, en aan de kost kwam als conservator van het Hoppemuseum in Poperinge, maakte het in onze ogen alleen maar erger. Wij, de kosmopolitische redacteuren van het Nieuw Wereldtijdschrift, voorheen het Nieuw Vlaams Tijdschrift, wisten genoeg. De gedichten van deze Gwijde konden we wel ongelezen laten.

Om maar te zeggen dat het niet zonder vooroordelen was dat ik in 1991 naar Watou afzakte voor de plechtige opening van de eerste Poëziezomer. Op de redactie van De Morgen had ik Jan Haerynck leren kennen – zoon-van –, die met zijn spitsbroeder, fotograaf Patrick De Spiegelaere, een uitermate getalenteerd, maar niet altijd even makkelijk in toom te houden duo vormde, waar ik als hoofdredacteur het nodige mee te stellen had.

Patrick was gevraagd ‘een beeld’ te bedenken bij Vasalis’ gedicht Aan een boom in het Vondelpark. Dat beeld wilde hij mij graag laten zien. Gemeentearbeiders van Poperinge had hij een flink uit de kluiten gewassen boom laten uitgraven, om die vervolgens ondersteboven in de tuin van het Douviehuis te planten, waarbij het kale, afgeschraapte wortelstelsel de kruin moest voorstellen. Het verband met Vasalis ontging me een beetje, maar dat gaf niet. ‘Er is een boom geveld met lange groene lokken./ Hij zuchtte ruisend als een kind/ terwijl hij viel, nog vol van zomerwind./ Ik heb de kar gezien die hem heeft weggetrokken.’ Dertien jaar later zou ik het gedicht voorlezen op de uitvaart van Patrick.

Dat eerste bezoek aan Watou was een openbaring. Terwijl de idealen van mei ’68 allang op de mestvaalt van de geschiedenis waren beland, was in dit onooglijke boerengat aan de Frans-Belgische grens – ‘het hol van Pluto’, zoals Patrick het liefdevol pleegde te noemen – de verbeelding wel degelijk aan de macht gekomen. De bijna achteloze manier waarop Mandelinck erin slaagde poëzie en beeldende kunst niet alleen met elkaar te verzoenen, maar op elkaar te laten inwerken, deed mijn mond openvallen.

Varkensstallen, hooizolders, graanschuren, een dorpsschooltje, schamele arbeiderswoninkjes met verschoten bloemetjesbehang, gebruikte Mandelinck niet zozeer als decor, maar als eyeopener: de context waarin hij gedichten en kunstwerken plaatste, dwong de toeschouwer tot een andere manier van kijken. Hij deed daarmee in feite iets gelijkaardigs als Marcel Duchamp, toen die de kunstwereld op zijn kop zette door een doodgewoon urinoir in te sturen voor een tentoonstelling. Alleen draaide hij de rollen nu om.

Het feit dat hij een aantal artiesten kon overtuigen hun kunstwerken ter plekke – in situ – te vervaardigen, leidde tot memorabele hoogtepunten, zoals de ingenieuze installatie die Jan Fabre in 1995 bedacht bij Het Schrijverke van Guido Gezelle. In de bedompte kelder van het Douviehuis had Fabre boven een met water gevuld bassin honderden uitgeknepen theezakjes opgehangen, waar hij een tochtstroom langs stuurde. De weerspiegeling van de om hun as tollende theezakjes in het stilstaande water, gecombineerd met het gestotter en gestamel van Jan Decleir en Josse De Pauw, dat uit listig gecamoufleerde boxen klonk – ‘Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,/gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg.’– het had iets magisch.

Terugspoelen naar 1991, en hoe ik van mijn parti pris werd genezen. Mijn kennismaking met het echtpaar Mandelinck, waarbij hun zoon Jan als trait-d’union fungeerde, laat zich nog het best omschrijven als een blij weerzien met mensen die ik nooit eerder had ontmoet. Vriendschap op het eerste gezicht. De hartverwarmende generositeit van Agnes. Het onstuitbare enthousiasme van Gwij, die ik leerde kennen als een man met een benijdenswaardige eruditie en een lenige geest, in wiens poëtisch universum niet alleen plaats was voor klassieke dichters als Christine D’haen of Jos De Haes, maar ook voor de postmodernistische generatie van Dirk Van Bastelaere en Peter Verhelst.

Omdat Gwij niet alleen gedichten, maar ook hun makers naar zijn dorp wilde halen, raakte ik bij de Poëziezomer betrokken als interviewer en spreekstalmeester – die laatste term mag hier voor één keer letterlijk worden genomen. Vanaf 1992 zou ik op verzoek van Gwij iedere zomer op diverse locaties in Watou publieke interviews houden met de dichters van wie hij een gedicht had geselecteerd voor de tentoonstelling. Dat werden vaak marathongesprekken, en ook hier speelde de omgeving een belangrijke rol: zelfs minder extroverte types als Eva Gerlach of Leonard Nolens, doorgaans toch niet zo geneigd om hun ziel te ontbloten, werden op zo’n zondagmiddag in Watou verrassend mededeelzaam. Het hielp ook wel als tijdens een interview in de stallingen van het Blauwhuys ineens een paard zijn hoofd door de klapdeur naar binnen stak en dan aandachtig, met gespitste oren, een tijdje mee bleef luisteren. Het gaf zo’n interview toch een wat apart cachet.

Voor veel dichters werd Watou een geliefde pleisterplaats – tot grote vreugde van Gwij, die zich in het gezelschap van collega-dichters nu eenmaal beter op zijn gemak voelde dan in dat van Koreaanse videasten, die door zijn medecurator Jan Hoet naar Watou werden genood. Dichters werden door Gwij en Agnes altijd in de watten gelegd.

Vooral als Rutger Kopland op de terugweg van zijn jaarlijkse zomervakantie in de Cévennes naar zijn woonplaats in Groningen halt hield in Watou, was het feest. Kopland kwam dan de betonnen kubus inspecteren die op het negentiende-eeuwse marktplein van Watou was neergepoot voor de editie van 2001, met als motto een vers van zijn hand: Een lege plek om te blijven. Die kubus – naar een ontwerp van architect Stéphane Beel – zou tien jaar lang het voorwerp van controverse zijn. Een kunstcriticus prees ‘de provocerende nutteloosheid van deze “tijdelijke” architecturale ingreep die de Watouse boeren- en middenstandersgemeenschap wijst op het feit dat er, behalve de logica van markt, kerk en neringdoenerij, nog een andere manier bestaat om tegen de wereld aan te kijken.’ De inwoners van Watou daarentegen hadden het over een vorm van dorpsvredebreuk en wilden de betonnen constructie zo gauw mogelijk zien verdwijnen. Ik was geneigd hen daarin bij te treden, wat tot nachtenlange verhitte discussies met Gwij leidde, die met veel Hommelbier moesten worden geblust. De kubus ging uiteindelijk in 2010 onder de sloophamer.

En dan waren er de codadagen, waarmee de Poëziezomer traditioneel werd afgesloten. In 1997 leek het wel of Herman de Coninck, die enige maanden tevoren in Lissabon aan een hartstilstand was bezweken, in Watou door zijn collega’s een tweede keer ter aarde werd besteld. In 2004 fêteerden we op drie opeenvolgende zondagen Gerrit Komrij, Rutger Kopland en Hugo Claus, ter gelegenheid van respectievelijk hun zestigste, zeventigste en vijfenzeventigste verjaardag.

Nostalgie is ook niet meer wat het geweest is. Tot op de dag van vandaag ondernemen mijn vriend Anton Korteweg en ik ieder jaar met onze geliefden de pelgrimage naar Watou. Geen kwaad woord over het Kunstenfestival dat er intussen voor de Poëziezomer in de plaats is gekomen, maar toch gaan we ook nu nog altijd op zoek naar de sporen die de Mandelincks (meervoud) in het dorp hebben achtergelaten. Naar het vele ook dat verdwenen is. De oude pastorie waar ze woonden, wordt tegenwoordig ‘het Huis van de Dichter’ genoemd en verhuurd als vakantieverblijf. De Kapelaanstraat, die door Gwij was omgedoopt tot de Anton van Wilderodestraat, heet nu weer gewoon de Kapelaanstraat; de Herman de Coninckweg is opnieuw de Trappistenweg geworden. Maar de sculptuur van Roger Raveel op het marktplein, met het markante silhouet van Claus, heeft men gelukkig vergeten af te breken. En het indrukwekkende memoriaal voor Eddy van Vliet, wiens laatste wens het was dat zijn as op het Grensland in Watou zou worden verstrooid, heeft eindelijk weer een plek gekregen, op de nieuwe begraafplaats, die onlangs in gebruik is genomen. Jarenlang heeft het in een depot van de gemeente Poperinge staan verkommeren nadat het door overijverige ambtenaren ‘zonevreemd’ was verklaard.

Onze pelgrimage eindigt doorgaans aan de Douviehoeve, waar op de zwartgeverfde zijgevel van een schuur in zwierig handschrift, als op een immens schoolbord, een gedicht van Claus is aangebracht. ‘Deze ezel heet Ambroos./ Hij drentelt langs hond en lam./ Tussen zijn saffraangele tanden/ zit een halve boterham, ambrosia.’ De verf bladdert af, en de tekst is daardoor jaar na jaar moeilijker te lezen. Maar soms hebben we geluk, en sjokt de intussen hoogbejaarde Ambroos er nog langs in levenden lijve. Als die dan ook nog eens mistroostig wil beginnen balken, valt alles toch weer op zijn plaats.

 

Uitgelichte foto: Andre Klimke

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Piet Piryns

Piet Piryns is journalist en auteur. Hij schreef onder meer voor Vrij Nederland, De Morgen en Knack.