De erfenis van Pinochets neoliberalisme voedt Chileens protest

 Leestijd: 6 minuten2

Massale protesten en sociale onrust zetten Chili al weken op stelten. Om het protest te begrijpen kan je niet om de neoliberale erfenis van de dictatuur van Augusto Pinochet heen. Chili is de plek waar de neoliberale recepten van Milton Friedman en co voor het eerst écht in de praktijk werden gebracht. De inkomensongelijkheid blijft ook dertig jaar na het einde van de dictatuur torenhoog. Ondertussen woedt een wooncrisis en is gezondheidszorg voor velen onbetaalbaar.

De balans van wekenlang massaal betogen in Chili is dramatisch. Ondertussen vielen al twintig doden en vele honderden gewonden. Voor de in Chili geplande klimaattop diende de VN op zoek te gaan naar een nieuwe locatie.

Om de oorzaken van dit hardnekkige en bittere protest te begrijpen, moeten we bijna vijftig jaar in de geschiedenis teruggaan. 

Neoliberale revolutie

Dé slogan van de protesten in Chili: ‘Het neoliberalisme werd geboren in Chili en zal sterven in Chili’ (Foto via Twitter)

Wie 9/11 hoort, denkt wellicht aan de terreuraanval op de Twin Towers in New York, in 2001. Veel minder mensen associëren die datum met een andere catastrofe, die 28 jaar eerder plaatsvond en die veel meer slachtoffers maakte. Op 11 september 1973 werd de democratisch verkozen president van Chili, Salvador Allende, afgezet en vermoord door een militaire junta onder leiding van generaal Augusto Pinochet. Die kon daarbij rekenen op de steun van de Verenigde Staten, die via de CIA de coup hebben bevorderd. 

Het parlementaire regime werd vervangen door een dictatuur die het land gedurende 17 jaar zou besturen. Binnen het eerste jaar werden 30.000 mensen vermoord. De arbeidersbeweging werd gekraakt. Arbitraire aanhoudingen en folteringen behoorden tot de courante instrumenten van de nieuwe machthebbers. Duizenden Chilenen vluchtten naar het buitenland. 

Dit gruwelijke “palmares” is vrij klassiek voor dergelijke dictaturen. Het regime van Pinochet onderscheidt zich echter vooral door zijn economische politiek. Terwijl het vorige bewind, onder Allende, zich presenteerde als een experiment in democratische overgang naar het socialisme, wilde het nieuwe militaire bestuur een maatschappelijke omwenteling in de tegenovergestelde richting realiseren. De kordate invoering van onversneden kapitalistische marktmechanismen moest de dictatuur immers mee legitimeren. 

De zogenaamde Chicago Boys namen het economische beleid in handen, meestal economisten van de Katholieke Universiteit van Santiago, die ook gevormd waren aan de universiteit van Chicago in de VS, waar de neoliberale opvattingen van onder meer Milton Friedman hoogtij vierden. Vooral vanaf 1975 voerden ze een reeks drastische hervormingen door op sociaaleconomisch vlak. 

Massale privatiseringen

Om komaf te maken met de zogenaamde “marxistische” aanpak van onder Allende, wilden de militairen en hun bondgenoten de staat zoveel als mogelijk afbouwen. De “vrije markt” moest overal triomferen. Ambtenaren werden ontslagen, lonen en wedden werden verminderd. Ettelijke overheidsbedrijven werden in snel tempo geprivatiseerd, en dus overgemaakt aan private aandeelhouders. 

In alle domeinen van het dagelijkse leven werd de gewone mens overgelaten aan de vrije marktwerking

Een nieuwe Arbeidscode, ingesteld in 1979 onder impuls van minister José Piñera, de broer van de huidige president, “liberaliseerde” de arbeidsmarkt. Het stakingsrecht werd ingeperkt en de bescherming van loontrekkers werd aangetast, met onder meer een stijging van de kwetsbare en informele jobs als gevolg. 

Het radicale karakter van de aanpak van de Chicago Boys blijkt echter vooral uit het feit dat de privatiseringen ook werden doorgevoerd in domeinen die elders doorgaans als overheidsbevoegdheden worden beschouwd. De sociale bescherming is daar één voorbeeld van. De pensioensector werd radicaal hervormd. Voortaan kwam het gros van de bevolking terecht in een kapitalisatiesysteem, waarbij ieder spaart voor zijn eigen pensioen onder het beheer van private pensioenfondsen. Private kassen namen ook het voortouw in de gezondheidszorg. 

Het onderwijs ontsnapte evenmin aan de privatisering. De overheidssubsidiëring van scholen werd sterk teruggeschroefd en op korte tijd kwamen de meeste leerlingen in private scholen terecht. Het hoger onderwijs onderging hetzelfde lot: voortstuderen vergde voortaan enorme financiële offers. Liberalisering was tenslotte ook de boodschap in de transportsector en in de grond- en woningmarkt. Kortom: in alle domeinen van het dagelijkse leven werd de gewone mens voortaan overgelaten aan de “vrije marktwerking”.

Economisch mirakel met menselijke tol

Volgens de neoliberale ideologie zou die schoktherapie op korte termijn heilzaam zijn voor iedereen. Het tegendeel bleek waar. Het paardenmiddel zorgde in eerste instantie voor een inkrimping van het BNP en een enorme stijging van de werkloosheid. De recessie van 1982 kwam daar nog bovenop. Bedrijven die in nood kwamen, moesten opnieuw gered worden door de overheid (om nadien weeral in private handen over te gaan). 

De sociale ongelijkheid, die al sterk was, nam nog scherpere vormen aan. Het aandeel in de totale inkomens van de hoogste 20% verdieners nam toe van 54,5% in 1969 naar 60,7% in 1987. Het aandeel van de laagste 40% nam daarentegen af van 12,1% naar 9,9%. 

Anderzijds evolueerden bepaalde indicatoren in de “goede” richting, onder meer de exportprestaties en de buitenlandse investeringen. Het overheidstekort en de prijsstijgingen werden teruggedrongen, en de economie groeide jaarlijks gemiddeld met 2,8% tussen 1973 en 1989. 

Daarom gewaagden sommigen van het “Chileense economische mirakel” dat te danken was aan de neoliberale hervormingen. In die evaluatie werd de sociale en menselijke kost aan de kant geschoven.

De militaire junta van Chili onder leiding van Augusto Pinochet in 1985 (Foto: CC BY 2.0 CL - Archief van het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken)

De militaire junta van Chili onder leiding van Augusto Pinochet in 1985 (Foto: CC BY 2.0 CL – Archief van het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken)

Bevoogde democratie

De dictatuur van Pinochet stopte dan wel in 1990, na een referendum dat twee jaar eerder werd gehouden. Het einde van de dictatuur betekende echter niet dat het regime als dusdanig helemaal werd omvergehaald. Integendeel. Pinochet zelf trad af, maar werd nooit berecht. Hij stierf in zijn bed op 91-jarige leeftijd in 2006. 

Die anekdote symboliseert het voortbestaan van de bakens die de junta had uitgezet. Om de vreedzame overgang naar het democratische regime mogelijk te maken, gingen alle politieke krachten (incluis de gematigde linkse partijen) akkoord met een trade-off: de politieke liberalisering zou er komen mits het behoud van het neoliberale systeem. De Grondwet die werd opgesteld in 1980, onder het dictatoriale regime werd wel geamendeerd maar bleef van kracht. 

Na de dictatuur bleef het neoliberale systeem in essentie bestaan, al werden de effecten ervan gemilderd door meer “sociaalvoelende” centrumlinkse regeringen

Al wie zich schuldig maakte aan schendingen van de mensenrechten, uiteraard vooral de militaire kliek, ging vrijuit. Vandaar de twee uitdrukkingen in onze subtitel. “Democracia tutelada” (term van Felipe Portales) wijst op het bevoogde karakter van de Chileense democratie, die geen nieuwe basiswet uitwerkte. De term “neoliberal trap” (een citaat van economist Andres Solimano) duidt op het feit dat de essentie van het werk van de Chicago Boys onaangeroerd bleef. 

Onaangeroerd in essentie, maar toch aangepast, of beter gezegd gemilderd door nieuwe vormen van (zachte) sociale staatsinterventie. In 1990 kwam de zogenaamde Concertación aan het roer, een centrumlinkse coalitie van socialisten, radicalen en christendemocraten. Ze bestuurde het land gedurende twintig jaar, tot 2010. 

De enorme ontwrichtingen die veroorzaakt waren door het onversneden neoliberale beleid moesten dringend aangepakt worden. Meer overheidsgeld ging dus opnieuw naar sociale programma’s, wat onder meer leidde tot een drastische vermindering van de armoede (van meer dan 40% van de bevolking in 1989, tot ca. 15% in 2009). 

De reële lonen gingen de hoogte in (met basis 1970=100 evolueerden ze als volgt: 128 in 1972, voor de coup; 62 in 1974, één jaar na de staatsgreep; 90 in 1990, het einde van de junta; 2008: 150). 

De inkomensongelijkheid werd licht verminderd: het aandeel van de 20% hoogste inkomensverdieners daalde van 59,3% in 1996 naar 56,8% in 2006; het aandeel van de 40% laagste steeg licht van 10,4% naar 11,8%. 

Maar in Chili bleef en blijft de inkomensongelijkheid bijzonder hoog. De Gini-coëfficiënt, een meetlat van die ongelijkheid (hoe hoger het cijfer, hoe meer de inkomens geconcentreerd zijn in weinige handen), bedroeg in 2011 0,54, terwijl het gemiddelde van de OESO-landen 0,38 was. 

Blijvende spanningen

Kortom: na de dictatuur bleef het neoliberale systeem in essentie bestaan, al werden de effecten ervan gemilderd door meer “sociaalvoelende” centrumlinkse regeringen. Onder meer de socialistische presidente Michelle Bachelet, verkozen in 2006, kon daarom bogen op een indrukwekkende populariteit. 

In 2010 werd het roer opnieuw omgegooid. De rechtse kandidaat, Sebastián Piñera, werd verkozen. Na een intermezzo van opnieuw Bachelet, tussen 2014 en 2018, mocht dezelfde Piñera recentelijk opnieuw zijn intrek nemen in het Palacio de La Moneda, het presidentiële paleis in Santiago.

De structurele gevolgen van de neoliberale reshuffle van de Chileense samenleving laten zich nog altijd gevoelen

De man is miljardair, bezit een tv-station en is aandeelhouder in tal van ondernemingen. Hij was niet zelf betrokken bij het militaire regime, maar zijn omgeving heeft daar wel banden mee. Zijn broer was als minister onder Pinochet de architect van de nog vigerende Arbeidscode. De huidige president is dus zeker geen tegenstander van de neoliberale lijn, en een aantal Chilenen ziet zijn herverkiezing dan ook als de terugkeer van het neoliberalisme pur et dur. 

Dit terwijl de structurele gevolgen van de neoliberale reshuffle van de Chileense samenleving zich nog altijd laten gevoelen. De universiteitsstudenten kampen met grote materiële moeilijkheden en moeten zich in de schulden steken, omdat de kosten van het geliberaliseerde hoger onderwijs zo hogen opliepen. Armen worden uit de stadscentra verdreven door de torenhoge prijzen van de vrije woningmarkt en komen terecht in armoedige wijken aan de rand van de stad. Stadsbewoners worden getergd door een slecht werkend systeem van publiek transport. Goede scholing en gezondheidszorg is er enkel voor wie de kosten kan betalen. 

Ondanks hervormingen onder Bachelet, blijft het geprivatiseerde pensioensysteem tal van ouderlingen parten spelen, omdat niet iedereen in staat is om voldoende eigen pensioenkapitaal op te bouwen. Vrouwen voelen zich achtergesteld in een nog sterk machistisch land. 

Al die problemen verklaren waarom de sociale onrust al jaren broedt in Chili. In 2011 haalden de sterke en langdurige studentenprotesten de wereldpers. In maart 2013 was er een belangrijke feministische staking die ook het neoliberalisme op de korrel nam. Nog in 2013 was er wijd protest tegen de gebrekkige situatie van de helemaal geprivatiseerde watervoorziening.  

De huidige protesten komen niet zomaar uit de lucht vallen. Ze zijn een uiting van de toenemende weerbaarheid van sociale organisaties en bewegingen die zich willen bevrijden van het structurele juk dat de militaire dictatuur aan de daaropvolgende democratie heeft opgelegd. 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Guy Vanthemsche

Guy Vanthemsche is emeritus historicus, en gaf meer dan dertig jaar les aan de VUB over onder meer thema’s als globalisering en geschiedenis van sociale bewegingen.