Internationale politiesamenwerking: hoe het parlement bedrogen wordt

 Leestijd: 5 minuten4

Op 1 oktober 2019 om 6u30 voeren twee Belgische politieambtenaren een huiszoeking uit in de woonst van Botagoz Jardemalie. Wellicht maken zij gebruik van een bijzondere sleutel want het slot werd niet geforceerd. Botagoz is op dat ogenblik niet thuis. Zij was te Straatsburg op de Raad van Europa in het kader van haar activiteiten als militante voor de Mensenrechten. De Belgische politieambtenaren waren niet alleen: twee Russisch sprekende personen deden mee aan de huiszoeking.

Wat is nog de bescherming van een militante die hier als politiek vluchteling opkomt tegen de schendingen van de Mensenrechten in haar land? Bestaat er een politiesamenwerkingsakkoord tussen dat land en België? Wat staat er in, wie gaf daartoe toestemming en wie heeft er toezicht op? Het zijn oude vragen die meermaals werden onderzocht en waarbij ernstige ‘disfuncties’ werden aangetoond.

Samenwerkingsakkoord

Toen bekend raakte dat de rijkswacht in 1994 met de operatie Rebel een uitgebreid onderzoek had gedaan waarbij al de in ons land verblijvende Turken werden gescreend, leidde dat in het parlement tot een stevige rel. Op 21 mei 1996 besliste het Comité P een onderzoek te openen.

Uit het onderzoek over de screening van alle Turken in ons land volgde een andere dossier: het Comité had ontdekt dat Rijkswacht-generaal De Ridder een geheim samenwerkingsakkoord had gemaakt met de Turkse politie. Dat bleek uit een op 9 juli 1996 door de directeur-generaal van de Nationale Turkse politie Alaaddin Yüksel ondertekende ‘Compte Rendu de la Réunion’.

Daarin werd voorzien in de ruimste politiesamenwerking, en o.m. in de uitwisseling van inlichtingen en “dans le respect des législations nationales et internationales, les parties s’engagent à échanger des vues sur les actes criminels de droits commun issus d’activités terroristes afin de permettre une meilleure coopération policière” (in overeenstemming met de nationale en internationale wetgeving verbinden de partijen zich ertoe hun inzichten uit te wisselen over strafbare feiten volgens het gemeen recht, met het oog op een betere politiesamenwerking). Deze verklaring was een herhaling van wat reeds een jaar voordien was opgenomen in een memorandum met de directeur-generaal van de Turkse politie Mehmet Agar, en was een bevestiging van de informatie uitwisseling die reeds, feitelijk, door toedoen van de Franse verbindingsofficier was uitgevoerd.

Informatie-uitwisseling België-Turkije

Welke informatie werd er tussen de Belgische rijkswacht en de Turkse politie uitgewisseld? Zoals uit de documenten blijkt stond één project daarin centraal: het project Rebelle. In een werkfiche opgesteld op 2 juli 1996 als voorbereiding van de reis van generaal De Ridder naar Ankara werd opgesomd welke contacten er in het project Rebelle met de Turkse overheden plaats hadden: op 29 april 1995 werd het project Rebelle voortgesteld aan Mehmet Agar, toen directeur-generaal van de Turkse Nationale Politie en gouverneur van Ankara, op dat ogenblik minister van binnenlandse zaken; op 28 april was er een vergadering met Atilla Talas, hoofdcommissaris van de politie Aéro van Istanbul; op 29 april 1995 was er een vergadering met Alat Muzafer, directeur-generaal van het Turkse Centraal Bureau voor Opsporingen; tussen 12 en 14 juni 1995 waren er vergaderingen met Yilmaz, hoofd van de Nationale Turkse Politie te Istanbul, daarna prefect.

Het Susurluk incident

De inzittenden van de auto waren een maffiabaas, een gewezen politieofficier, een rechtse politicus en een schoonheidskoningin

Op 3 november 1996 greep in Susurluk (Turkije) een auto ongeval plaats. De inzittenden van de auto waren een maffiabaas, een gewezen politieofficier, een rechtse politicus en een schoonheidskoningin. De maffiabaas, Abdullah Catli, een extreemrechtse Grijze Wolf stond gesignaleerd als organisator van een grootschalige drughandel. Het incident gaf aanleiding tot de oprichting van een parlementair onderzoek. Volgens een rapport van de Turkse geheime dienst (MIT) werd door Mehmet Agar, de directeur-generaal van de politie, een misdaadorganisatie opgezet die grotendeels bestond uit Grijze Wolven,  en maakte deze organisatie zich schuldig aan afpersing, drughandel en andere misdaadvormen. Deze groep zou zich ook bezighouden met het elimineren van de Koerdische Maffia.

In het parlementair onderzoek werd bevestigd dat onder de leiding van Mehmet Agar, zowel in de speciale terreurbestrijdingseenheid en in de MIT als in de inlichtingendienst van de Gendarmerie (JITEM), een groep gevormd werd waarin veel Grijze Wolven zaten, dewelke deel uitmaakten van GLADIO (omschreven als een geheime internationale antiterroristische organisatie). In het verslag van de parlementaire commissie leest men daarover: “Er zijn ongecontroleerde groeperingen die het hele staatsapparaat beheersen. Deze groepen staan niet onder parlementaire controle en zijn ook onbereikbaar voor rechters en officieren van justitie. Deze groeperingen hebben ook geprobeerd onze werkzaamheden te belemmeren”.

Johan Vande Lanotte in 1996, toen hij minister van Binnenlandse Zaken was (Foto © Olivier Matthys, Belga)

Een nieuw akkoord

Volgens wat binnenlandminister Milquet op 22 mei 2013 aan Belga liet weten is haar reis naar Turkije geen toeristische aangelegenheid.

”De Belgische en Turkse politie- en inlichtingendiensten zullen voor de zomer tweemaal samen rond de tafel zitten. Een eerste keer in Turkije rond de Belgen in Syrië en de versterkte opvolging van de dossiers en een tweede keer in Brussel rond de uitwisseling van informatie en expertise in verband met andere vormen van terrorisme. De ministers zijn overeen gekomen hun nieuw samenwerkingsakkoord in de dagelijkse praktijk om te zetten en hun samenwerkingsverband te versterken door middel van een permanente uitwisseling van informatie, praktijken, en wederzijdse, gerechtelijke en politionele ondersteuning. Er zullen tevens regelmatig ontmoetingen en directe contacten plaatsvinden tussen medewerkers van de bevoegde Belgische en Turkse diensten”, luidt het (bron Belga 22/05/13, 11u01).

Deze reis werd voorbereid met de Belgische verbindingsofficier in Turkijë. Zijn naam is Charles De Winter, in 1995 majoor van de rijkswacht en directeur van het programma drugs van het Centraal Bureau voor Opsporingen, toen voorstander van ‘La nouvelle approche proactive et multidisciplinaire (en différents stades)’ (de nieuwe proactieve, multidisciplinaire aanpak (in verschillende stadia)) zoals die in de operatie Rebelle en het te Ankara afgesloten akkoord werd opgevolgd. Wat is het verschil met het door minister Milquet afgesloten akkoord?

Rapportering

Op 21 mei 1996 besliste het Comité P het onderzoek te openen. Omdat er geen schot in de zaak kwam, stuurde Senaatsvoorzitter Swaelen op 17 maart 1998, toch zowat twee jaar later, een boze brief naar comitévoorzitter Troch. Troch beloofde over de operatie Rebel een ontwerpverslag tegen uiterlijk 14 mei 1998 maar voegde er aan toe dat diende opgemerkt dat het toezichtsonderzoek in verband zou kunnen staan met een ander onderzoek en er desgevallend naar gestreefd werd om beide onderzoeken tegen eind juni 1998 aan het parlement over te maken.

Het ander onderzoek was dat naar het samenwerkingsakkoord dat op 9 mei 1996 door rijkswachtgeneraal De Ridder te Ankara met de Turkse overheid was afgesloten en waarover het Comité op 11 december 1997 een onderzoek had geopend. Voorzitter Troch maakte zijn beloften aan de Senaatsvoorzitter niet waar. Voor het comitéverslag over de operatie Rebel diende gewacht tot de benoeming van nieuwe comitéleden. Het nieuwe Comité rapporteerde wél over het onderzoek Rebelle en stelde daarbij geen enkele disfunctie vast. Over het door generaal De Ridder te Ankara ondertekende samenwerkingsakkoord rapporteerde het nieuwe Comité P niet.

Het nieuwe Comité P was als volgt samengesteld: voorzitter werd de heer André Van Dooren, die als Nationaal magistraat de gerechtelijke verantwoordelijkheid had gehad over de operatie Rebelle. Hoofd van de dienst enquêtes van het comité werd kolonel Berkmoes die voordien als hoofd van het CBO van de rijkswacht de operationele verantwoordelijkheid had over zowel de operatie Rebelle als de voorbereiding van het te Ankara ondertekende document.

Herhaling

Is de huiszoeking in de woonst van een Kazachse militante het gevolg van een samenwerkingsakkoord tussen ons land en de Kazachse politie, of is het zoals bij de zaak Rebelle uit de jaren ’90 een reeds in de praktijk uitgevoerde feitelijke samenwerking?Is de huiszoeking in de woonst van een Kazachse militante het gevolg van een samenwerkingsakkoord tussen ons land en de Kazachse politie, of is het zoals bij de zaak Rebelle uit de jaren ’90 een reeds in de praktijk uitgevoerde feitelijke samenwerking?

Hoe is het mogelijk dat, gezien onderzoek de gevaren van dergelijke eigenrichting heeft aangetoond, zulke praktijken worden voortgezet? Het antwoord ligt in de toenmalige door de binnenlandminister Vande Lanotte ingevoerde werkwijze. De toenmalige minister vond, net zoals de korpsoverste van de Rijkswacht, de grondwettelijke en reglementaire beletsels overbodig. Hij voerde een nieuwe werkwijze door waarbij de politiediensten onder elkaar vertrouwelijke akkoorden konden afsluiten. Dat daarop geen parlementair toezicht meer mogelijk was, ook de gerechtelijke overheden er amper het bestaan van kenden, en rapportering van de disfuncties werd belet, was voor de minister geen hinderpaal om zijn zienwijze door te zetten.

Gaat het parlement, zoals het bij het onderzoek over de Kazachgate tweemaal bij de neus werd genomen -eenmaal bij de wordingsgeschiedenis van de afkoopwet en een tweede maal bij de rapportering van de aangetoonde disfuncties- zich voor een derde maal buitenspel laten zetten?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Er is geen biografische informatie beschikbaar voor deze auteur.