Etnocratie en revanchisme: de bouwstenen van het Vlaams regeerakkoord

 Leestijd: 11 minuten2

Het Vlaams regeerakkoord is opvallend titelloos. In tegenstelling tot de vorige regering, waar het regeerakkoord ‘Verbinden, vertrouwen, vooruitgaan’ kopte. Het huidige akkoord zou voor zichzelf spreken. Als dat zo is, lijkt ‘Back with a vengeance’ wel geschikt. Er is al heel wat inkt gevloeid over het Vlaams regeerakkoord. Maar weinig over de rode draad van het akkoord. Die is revanchisme: het uitbouwen van een wraaklustige politiek. De term ‘afreageerakkoord’ die op sociale media de revue passeert, is zo vreemd nog niet.

Dit is een door en door politiek akkoord. In de zin dat “het politieke” altijd gaat over “grenzen bepalen”: wie behoort tot de politieke gemeenschap en wie staat daarbuiten. In een gezonde democratie conflicteren tegenstanders met elkaar over de grenzen van de politieke gemeenschap en over de politieke keuzes die de grenzen bepalen. Met moeilijke woorden stelt politiek filosofe Chantal Mouffe dat het gaat om het ombuigen van “antagonisme” tot “agonisme”. Of “het georganiseerde meningsverschil” zoals Jos Geysels het noemt.

Maar deze Vlaamse regering kiest eerder voor de invulling van democratie op basis van de visie van de rechtsfilosoof Carl Schmitt. Het politieke gaat volgens Schmitt over een existentiële tegenstelling tussen vriend en vijand. Een ware democratische politiek kan alleen levensvatbaar zijn door de keuze van interne en externe vijanden. Het regeerakkoord leest dan ook meer als een oorlogsverklaring dan als samenlevingsproject. Carl Von Clausewitz’ boek ‘Vom Krieg’ indachtig lijkt het op “een samenlevingsproject als voortzetting van oorlog met andere middelen”.

Dit regeerakkoord gaat veel verder dan de grenzen herdefiniëren van een democratisch project en de bakens beleidsmatig verzetten. Het flirt met de grenzen van de democratie zélf, of toch zeker de liberale democratie. Het vriend/vijand-onderscheid is terug absoluut.

Revanchisme en revanchisme is drie

Dit revanchistische project ontvouwt zich op drie niveaus.

  1. Minderheden worden behandeld als tweederangsburgers die onderhevig zijn aan de politieke volatiliteit van de interpretatie over de boze stem van de blanke “werkende klasse”. Een democratie die uit meer bestaat dan brute machtsopbouw vertrekt vanuit rechten die het uitgangspunt vormen in een streven naar gelijkheid en bepaald door gelijkwaardigheid. Hier streeft men naar een etnocratie, een staatsvorm waarbij de rechten van burgers bepaald worden op basis van wie tot de Vlaamse natie behoort. Met A-burgers die de facto behoren op basis van een ingebeelde set aan identiteitskenmerken en een bundel van normen en waarden die “volkseigen” zijn. En met B-burgers voor wie het toetreden steeds moeilijker wordt gemaakt of zelfs onmogelijk. Rechten zijn ondergeschikt en worden zo ingeschakeld in het natiestaatproject dat zich ontvouwt door cultuurstrijd en identiteitspolitiek.
  2. Tegenstanders en kritische stemmen worden uitgeschakeld, het zwijgen opgelegd of in hervormingsprocessen gedrukt die depolitiserend zullen werken, met de dreiging van verstaatsing die je tussen de regels leest. Het middenveld moet “aanpassen of opkrassen”.
  3. De liberale democratie zélf wordt onder druk gezet. De grenzen van de rechtstaat en de rule of law worden, samen met grondwettelijke rechten en mensenrechtenconventies, uitgedaagd of overschreden.
Met gelijkheid en solidariteit heeft dit regeerakkoord weinig tot niks te zien

Journalistieke commentatoren en enkele publieke academici verwijzen nogal vlug naar de rode draad in het regeerakkoord van ‘voor wat, hoort wat’. Om toegang te krijgen tot een sociale woning moet je eerst de taal verwerven via een inburgeringscursus. Maar dit staat erg ver van het ‘voor wat, hoort wat’-principe dat we kennen uit de sociale zekerheid. ‘Voor wat, hoort wat’ gaat oorspronkelijk terug op het solidariteitsprincipe van ‘wederzijdse afhankelijkheid’ (of interdependentie met een moeilijker woord). Net omdat we allen gelijk zijn in wederzijdse afhankelijkheid, maken we deel uit van eenzelfde lotsgemeenschap. Daarom zijn we solidair met elkaar, en doen we via de sociale zekerheid aan risicospreiding met mensen die allen bijdragen: “voor wat, hoort wat”.

Met solidariteit heeft dit regeerakkoord weinig tot niks te zien. Nieuwkomers worden allerlei drempels opgelegd die ze moeten overgeraken. Er worden struikelstenen ingebouwd, omdat nieuwkomers worden gezien als bedreigend voor het gezonde lichaam van de Vlaamse natie in wording. Het is niet verwonderlijk dat het regeerakkoord bulkt van de sociale hypochondrie, het obsessief bezig zijn met de (mogelijke) kwaal die nieuwkomers zijn, zoals de socioloog Willem Schinkel stelt.

Over verbinden en verdelen

Waar het Vlaams regeerakkoord wil verbinden in woorden, met het streven naar een inclusieve samenleving, verdeelt ze in daden. Dat is de ironie van een Vlaams-nationalistische identiteitspolitiek. In het streven naar verbinding wordt een identitair project van een Vlaamse gemeenschap in een Vlaamse natie uitgebouwd.

Op bladzijde 14 klinkt het “een natie met een eigen taal en cultuur”; “een natie” die tot vijfmaal toe de revue passeert. De cultuurstrijd is essentieel en staat ten dienste van een etnocratisch identiteitsproject. Niet vreemd dat Cultuur onder minister-president Jambon valt. Het Vlaams museum, de Vlaamse Canon binnen onderwijs en inburgering tot en met de Vlaamse burgemeestersjaals, het zijn maar enkele voorbeelden die de Vlaamse natie moeten verbeelden en belichamen. Marc Reynebeau spreekt terecht over “een cultuuroorlog die begint”. De Vlaamse natie verenigt niet, maar verdeelt. Refererend aan de filosoof Gramsci kunnen we spreken van een loopgravenoorlog. Loopgraven van waaruit de geesten moeten rijpen en een identitaire keurslijf aanmeten van wie weigerachtig staat. Het Vlaams regeerakkoord verdiept en verbreedt bestaande breuklijnen tussen het ‘wij’ en ‘zij’ op identitair vlak. Er ligt een Vlaams regeerakkoord dat een onbestaand verleden wil reconstrueren, voor het superdiverse Vlaanderen van vandaag en de verdere toekomst.

De Vlaamse natie verenigt niet, maar verdeelt.

Rechten van minderheden en nieuwkomers zijn onderhevig aan dat etnocratische streefdoel. Het is opvallend hoe de woorden ‘symbolisch’ en ‘tonaliteit’ voortdurend de revue passeren bij allerlei commentatoren, wanneer het over diversiteit en migratie gaat. Terwijl het in de feiten niet over symboliek maar over beleid gaat: een beleid dat ongelijkheid en ongelijkwaardigheid van minderheden (nieuwkomers en diverse generaties burgers met migratieroots) betonneert in een bestuursakkoord dat zal leiden tot meer etnische stratificatie.

Het reële beleid spreekt boekdelen: de Vlaamse regering stapt uit Unia (programmapunt 1 van het 70-puntenprogramma), het Minderhedenforum moet op de schop (beter: hervormd tot een algemeen participatieorgaan) samen met etnisch-culturele organisaties en categoriale werkingen (programmapunt 2 van het 70-puntenprogramma). Er wordt 360 euro aan individuen gevraagd voor de inburgeringscursus en asielzoekers krijgen geen kindergeld voor ze erkend zijn als “vluchteling” of “subsidiair beschermd” zijn. De toegang tot de zorgverzekering is er maar voor mensen met vijf jaar ononderbroken wettig verblijfsrecht.

Rechten zullen ook moeilijker verstrekt en opgenomen worden, gezien de juridische dienstverlening van het Agentschap Inburgering en Integratie enkel nog mag werken voor Vlaamse diensten en voorzieningen en lokale besturen; dus niet meer voor ‘vreemdelingen’ zelf, of voor vrijwillige ondersteuners en advocaten. Onderbescherming is geen kwestie om te bestrijden, maar maakt deel uit van de politieke strijd zelf. De begrotingscijfers duiden op een afrekening met minderheden via het verminderen van kindergeld, wat zal wegen op grotere gezinnen. En het (verder) afschaffen van het doelgroepenbeleid op ‘werk’. Allemaal deel van de twee miljard euro besparingen die eraan komen.

Gij zult zwijgen

Het revanchisme keert zich ook tegen het middenveld. Diegenen die het sociaal beleid uitvoeren worden aan banden gelegd. In een recente bijdrage met Jan Naert in Knack, waar we een pleidooi voor een Staten-Generaal van het Vlaamse middenveld houden, was onze analyse dat een revanchistische politiek zou domineren ten aanzien van het kritische middenveld en autonome stemmen.

We zien een totaliserend staatsproject, dat vooral de politieke en kritische functie uitschakelt van het sociaal-cultureel werk. Het doet denken aan de vrees van de filosoof Alexis De Tocqueville, die het had over de Amerikaanse staat als herder, die burgers zou benaderen als “a flock of timid and hardworking animals”. De macht van de burger tegenover de staat wordt afgebouwd. Omdat het maatschappelijk middenveld dat een buffer vormt tussen ‘de politiek’ en ‘de burger’ wordt afgebouwd.

Bij het sociaal-cultureel werk worden de subsidieregels aangescherpt. Organisaties moeten “bijdragen aan de emancipatie van mensen en groepen en aan de versterking van een democratische, inclusieve en duurzame samenleving”, aldus het regeerakkoord.

“Initiatieven die zich terugplooien op ethnisch-culturele afkomst worden daarbij niet meer gesubsidieerd”: die gaan dus op de schop. Het middenveld en tussenstructuren moeten bovendien efficiënter werken volgens de regering, verwijzend naar alle actoren die zich organiseren rond armoedebeleid “We zorgen voor minder versnippering en een rationalisatie van het werkveld”, klinkt het. Wetende dat de boodschap is dat er een nieuw Agentschap -een zogenaamde EVA- kan komen voor armoedebestrijdingsactoren, naar het voorbeeld van het Agentschap Inburgering en Integratie. Verstaatsing dus van het hele armoedebeleid. Terwijl cultuur, sport en media 2,5% van de Vlaamse begroting vormen, moeten ze nu 17% van de besparingen dragen. Pure afrekening gestuwd door wraakpolitiek.

Maar ook de zuilen worden niet gespaard. Voor de kinderbijslag zijn er nu bijvoorbeeld vijf uitbetalingsinstellingen, die één speler moeten worden. In eenzelfde pennentrek wordt het vaste statuut van ambtenaren onderuitgehaald en krijgt de Vlaamse Bouwmeester een waarschuwingsschot om zich terug te plooien op het beoordelen van architectuurkwaliteit. In diezelfde trend wordt de Vlaamse woonraad gefnuikt voor haar al te kritische rol. “Gij zult zwijgen”, lijkt de regering te willen zeggen.

Ook de klimaatspijbelaars worden gefnuikt met de vermelding dat men spijbelen hard zal aanpakken en de klimaatjongeren op de schoolbanken moeten blijven in plaats van doemdenkend op straat lopen. “Ik vind de straatprotesten welletjes. We hebben het nu wel begrepen.”, stelt Zuhal Demir in De Zondag. Al lijkt dat sterk, gezien de ondermaatse voorstellen over de bestrijding van klimaatverandering en het beschermen van de biodiversiteit.

De studentenbetoging op de Place Denfert Rochereau in Parijs op 7 mei 1968 (Foto: AFP)

Brute soevereine machtsopbouw

Het revanchisme gaat verder dan een afrekening met minderheden en het fnuiken van kritische stemmen in het Vlaamse middenveld. Er is revanchisme naar de liberale democratie zelf. Op diverse vlakken worden grenzen van de ‘rule of law’ en de rechtstaat getart of overschreden. De reacties vanuit N-VA zijn dan ook logisch. Francken tweette dat “het standstill-beginsel in de grondwet een antidemocratische grendel is”. Standstill betekent dat de wetgever geen aanzienlijke achteruitgang van sociale rechten, die in de Grondwet of internationale verdragen zijn opgenomen, mag invoeren. Of kijk naar Peter de Roover, die voor de achterban luidop stelt: “We gaan de Belgische grondwet even goed gaan naleven als de rest: niet dus. Ik vrees het oordeel van de Vlamingen veel meer dan de grondwet.”

Het is democratie als brute soevereine machtspolitiek. Vandaar dat we in een liberale democratie leven binnen het kader van een rechtstaat, waar de rule of law heerst. Wat inderdaad voor N-VA op uiterstrechtse koers een probleem is, vooral voor hoe zij “democratie” invullen.

Al voor het uiteindelijke bestuursakkoord uitgebracht werd, waren er kritische stemmen te horen die de wettelijkheid betwijfelden van onderdelen van de Startnota-De Wever alsook van de nota over inburgering en integratie. Zowel Celia Ledoux van Groen als Ivo Flachet van PVDA reageerden met een reeks bedenkingen op juridisch vlak waar de beleidsnota’s de rode lijn overtraden. Op diverse niveaus komen de nota’s in conflict met nationale, Europese en internationale wetgeving. De Liga voor de Mensenrechten formuleerde bij monde van Kati Verstrepen een reeks bedenkingen over grondrechten en mensenrechten waar de voorlopige beleidsnota’s mee conflicteerden.

Enkele voorbeelden die het uiteindelijke regeerakkoord haalden, en nog steeds juridische vragen oproepen? De participatieverklaring voor inburgeraars, die net zoals de ‘nieuwkomersverklaring’, hoogstwaarschijnlijk door de Raad van State (RvS) zal worden uitgekleed tot er niks van overblijft. Laat staan dat je een actieplan mag vragen, dat nieuwkomers verplicht normen en waarden in actie om te zetten. Mensen dwingen waarden en normen te onderschrijven en in actie om te zetten als een bewijs van integratie, is onwettelijk: grondwettelijk maar ook volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Die kritiek had de RvS reeds geuit op de nieuwkomersverklaring.

Het enige dat de RvS heeft toegestaan is een handtekening dat mensen doet beloven de grondwet na te leven. En hoe gaat men vijf jaar duurzaam verblijfsrecht van vluchtelingen vasthangen aan de gelijke toegang tot rechten? Dat lijkt een flagrante schending van artikel 24 van de Conventie van Genève, maar ook van artikel 23 van de grondwet zelf.

Het inburgering- en integratiebeleid is een instrument voor migratiebeheer geworden, dat wordt aangepast aan de politiek-volatiele wensen en strategische doeleinden van partijen

Het integratie- en inburgeringsbeleid overschrijdt nieuwe grenzen. De resultaatsverplichting op het vlak van taalverwerving en het slagen voor het inburgeringsexamen wordt opgetrokken. Al mag dat net als de boetes niet disproportioneel zijn volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie. Los van het feit nog dat dit gewoon wanbeleid is, waar men nog meer drempels opwerpt voor de integratie, in plaats van sporten bij te steken op de ladder om vooruit te komen.

Elke ernstige onderzoeker ziet dat het niet meer gaat over een voortschrijdend proces van behoren tot de gemeenschap. Wanneer nieuwkomers falen of onvoldoende “blijk van integratie” geven, kan dat leiden tot een melding bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Integratie en inburgering worden deel van een breder migratiebeheer en asielbeleid gericht op controle, tegen de achtergrond van een etnocratisch politiek project.

Geprangd tussen continuïteit en voorwaardelijkheid

Dat wil niet zeggen dat er op het vlak van sociaal beleid geen continuïteit is. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het welzijnsbeleid. Men werkt door naar twee agentschappen ‘Opgroeien’ en ‘Zorg’ en er komt een verdere hervorming van welzijn op basis van het principe van ‘lokale autonomie’, gevolgd door meer vermarkting en marktgericht management. Er is zelfs een lichtpunt. Sociale voordelen voor mensen met een leefloon hangen niet meer af van het statuut (‘uitkeringsgerechtigde’) maar van het inkomen, wat veel mensen terug wat adem zal bieden wanneer ze uitstromen uit het leefloon en op de arbeidsmarkt terechtkomen, vaak in te laag betaalde jobs. En er komt ondanks de bovengrens van 15% sociale woningen, ook een sterkere verplichting voor gemeentes die het Sociaal Bindend Objectief van 9% sociale woningen niet halen. Het woonbeleid blijft echter wel ondermaats tot zorgwekkend. Het is alsof er geen 154.000 gezinnen op de wachtlijst staan in Vlaanderen: het broodnodige groeipad voor sociale woningen op maat van de reële noden, komt er niet.

Meer voorwaardelijkheid steekt de kop op. Inactieve sociale huurders moeten zich verplicht inschrijven bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB). Het recht op wonen is echter een grondwettelijk recht. Afwijken daarvan moet proportioneel zijn. Wat tot de vraag leidt of dit als proportioneel gezien zal worden. Er komt ondanks verwijzigingen naar Housing First meer voorwaardelijkheid voor bewoners – zoals het aanvaarden van begeleiding – wat haaks staat op dat model zelf. Maar de toenemende voorwaardelijkheid is er in de eerste plaats voor nieuwkomers. Het recht op kindergeld beperken voor kwetsbare groepen als asielzoekers is zo’n voorbeeld van meer voorwaardelijkheid. De toegang tot sociale rechten wordt ook moeilijker voor erkende vluchtelingen. De toegang tot sociale woningen was in de praktijk sowieso al quasi onmogelijk voor nieuwkomers in verschillende gemeentes, door een doorgedreven toepassing van “lokale binding” als voorrangscriterium voor de toegang tot een sociale woning. Ook het schrappen van het criterium ‘woonnood’ bij de toegang tot SVK-woningen is desastreus. Woonnood wordt ingewisseld voor “lokale binding” als absolute voorrangsregel. Andere groepen zoals dak- en thuislozen zijn daarbij collateral damage.

Een situatie met mensen zonder wettig verblijf zoals aan het Noordstation en het Maximiliaanpark levert politieke winst op

De Vlaamse regering besliste bovendien om woonwagenbewoners en mensen zonder wettig verblijf te schrappen als doelgroep van het integratie- en inburgeringsbeleid. Men kon evengoed “een aankomstinfrastructuur voor permanente tijdelijkheid” uitbouwen. Zoals INLIA doet in het Nederlandse Groningen, waar men op basis van toekomstoriëntatie een enorme doorstroom naar duurzaam verblijf bereikt. Maar net als bij de politiek voor het Agentschap Integratie en Inburgering is dat niet de eerste zorg of doelstelling. Een situatie met mensen zonder wettig verblijf zoals aan het Noordstation en het Maximiliaanpark levert politieke winst op.

De taak van een overheid die de verzorgingsstaat uitdraagt – en binnen het kader van een liberale democratie functioneert- is nochtans mensen zo vlug mogelijk zelfredzaam maken, zodat ze mee de schouders zetten onder de bredere solidariteit. Deze regering bouwt bewust drempels in. Wat leidt tot een self-fulfilling prophecy dat nieuwkomers een belasting zijn, zullen struikelen en falen. Een bewijs voor “de kwaal” dus. Het is een voortzetting van het integratie- en inburgeringsbeleid dat vanaf 2013 werd uitgebouwd via het Agentschap Inburgering en Integratie. Het is een instrument voor migratiebeheer geworden, dat wordt aangepast aan de politiek-volatiele wensen en strategische doeleinden van partijen. Hoeveel dát de gemeenschap ook mag kosten, en vandaag al kost. Want lokale OCMW’s en vrijwilligers zullen de kost van dit beleid betalen. Het streefdoel om meer buddies in te zetten, als een gunst voor nieuwkomers in het integratieproces, leest tegen die achtergrond behoorlijk cynisch.

Dat mensen onder het regime van de naoorlogse verzorgingsstaat moeten bijdragen klopt, maar in superdiverse tijden werkt de sociale zekerheid en zeker de sociale bijstand anders. De vraag is hoe je daar in tijden van migratie mee omgaat. Hoe kunnen nieuwkomers zo vlug mogelijk bijdragen? De activering en sociale mobiliteit van nieuwkomers verloopt anders dan langdurige werkeloze autochtonen. Het verwerven van kindergeld en een leefloon bij de bijstand vormen voor veel nieuwkomers eerder een springplank, ondanks de tijd die men nodig heeft om de volgende sport van de ladder op te klimmen. Wat een feitelijke hefboom is om net wél meteen sociale rechten te verstrekken aan nieuwkomers. Sociale rechten verstrekken zorgt voor een vluggere emancipatie en dus voor bredere schouders omdat nieuwkomers vlugger kunnen bijdragen. Maar dat verdraagt een revanchistisch politiek project niet.

Revanchisme 2.0

De harde waarheid is dat het Vlaams Belang heeft gewonnen, door mensen die onder andere raciaal discriminerend stemmen. En deze stem krijgt nu gelijk. “Het is ons niet ontgaan dat 26 mei een uiting is geweest van heel wat gevoel van onbehagen.” sprak Vlaams minister-president Jan Jambon (N-VA) uit bij de voorstelling van het Vlaams regeerakkoord. Deze hysterie wordt gehoord terwijl de klimaatjeugd tot een bende doemdenkende hysterici worden gereduceerd. Kortom: dit is een politieke keuze en geen objectieve conditie. De nieuwkomer moet daarvoor de prijs betalen, samen met alle burgers met migratieroots, van de eerste tot de derde generatie. Dit akkoord stapt niet mee in “voor wat, hoort wat”, zoals men beweert, maar in een etnocratie. In een situatie waarin geen enkele Vlaamse regering er in de praktijk in slaagde om haar eigen doelstellingen te halen om de zogenaamde “herkomstkloof” te dichten. Daar ligt trouwens de échte oorzaak van de ‘etnische stratificatie’ die vandaag in Vlaanderen en België enorm groot blijft.

De finale afrekening gaat verder. Er wordt afgerekend met mei ‘68. De Vlaams-nationalisten voeren sowieso een strijd om een deel van die ontvoogdingsstrijd van ‘68 om te buigen en te timmeren op een Vlaams-nationalistische leest. In een afrekening met wat N-VA ziet als de nihilistische identitaire ontvoogding van toen, zei De Wever: “En de N-VA zal complexloos de Vlaamse identiteit vooropstellen als instrument om iedereen die tot onze gemeenschap wil behoren alle kansen te geven op ontplooiing als mens en burger.” De complexloosheid van een etnocratie dus, die het Vlaams regeerakkoord belichaam, dat minderheden tot B-burgers bombardeert.

Dat er nu al stemmen de uitkomst hiervan voorspellen, zoals Van Cauwelaert en Zinzen, maar ook Cas Mudde en Bart Eeckhout van De Morgen, is niet vreemd: een volgende Vlaamse regering met N-VA en het Vlaams Belang. Het is de logische uitkomst van de vierde golf van uiterst- en radicaalrechts, waarover Mudde spreekt in zijn boek ‘The far Right Today’.

Mainstreampartijen die in de touwen hangen, stappen mee in de totale mainstreaming van uiterst, en dan vooral van radicaal rechts gedachtegoed en dito beleid. Dit revanchistisch Vlaams regeerakkoord belichaamt die trend. Het autoritair staatsproject is terug, met een wraakpolitiek die afrekenent met de opgebouwde rechten, denkkaders en sociale praktijken van de voorbije decennia: “back with a vengeance”.

 

Pascal Debruyne schreef deze bijdrage voor Denktank Minerva.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Pascal Debruyne

Pascal Debruyne is dr. in de Politieke Wetenschappen en werkt als onderzoeker bij Odisee Hogeschool. Hij is voorzitter van Samenlevingsopbouw Gent en Uit De Marge vzw.