Niet objectief, vooringenomen en gebonden

 Leestijd: 5 minuten0

De Raad van State schiet voorakkoorden tussen lokale besturen en bouwpromotoren af. Volgens het hoogste administratief rechtscollege kunnen lokale besturen na het sluiten van zo’n voorakkoord achteraf niet meer onpartijdig oordelen over ruimtelijke plannen. Waarom hebben meerdere Vlaamse gemeentebesturen die onwettige werkwijze dan toch aangewend? Waarom hebben andere instanties er de illegaliteit niet van gemerkt?

Indien het waakzaam oog van het medium Apache de voorakkoorden tussen het Antwerps stadsbestuur en de bouwpromotoren had beschreven als “niet objectief, vooringenomen en gebonden” zou dat wellicht door de burgemeester als lasterlijk zijn omschreven en had dat misschien een nieuwe klacht wegens laster en eerroof opgeleverd.

De Raad van State omschreef het nu in de vernietiging van soortgelijk akkoord met de gemeente Boechout als “niet in te zien hoe binnen de reguliere planprocedure in alle objectiviteit, zonder vooringenomenheid en zonder gebonden te zijn door deze eerder aangegane overeenkomst, de verschillende op het spel staande belangen ‘gelijktijdig’ kunnen afgewogen worden”.

Hoewel de stijl verschilt, zijn beide formuleringen even klaar: het is in strijd met de Vlaamse wooncode. Buiten de vraag wat met de gestarte en nog te beginnen projecten moet gebeuren, zowel in Boechout als in Antwerpen en in vele Vlaamse gemeenten, zijn er ook twee andere vragen. Waarom hebben meerdere Vlaamse gemeentebesturen die onwettige werkwijze dan toch aangewend? Waarom hebben andere instanties er de illegaliteit niet van gemerkt?

Doelstelling

Het staat als doelstelling in het eerste hoofdstuk van de Vlaamse Wooncode:

De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.

Je hoeft toch geen jurist te zijn om deze doelstellingen te begrijpen en onder meer in te zien dat wanneer je op voorhand een overeenkomst maakt met een bouwpromotor, waarin beide partijen verbintenissen aangaan, niets meer gelijktijdig kan worden afgewogen. Veelal kan er zelfs niets meer worden afgewogen en is al wat nadien gebeurt windowdressing.

Andere kandidaten of andere projecten krijgen dan evenmin nog een kans. Het wordt helemaal verdacht als er bovendien een loopje wordt genomen met de regels van de openbaarheid van bestuur, er vertrouwelijke bedingen worden achtergehouden of de gemeente niet ingaat op de vraag tot transparantie.

Disfunctie

Indien de doelstellingen van de Vlaamse Wooncode van bij het begin door een innige samenwerking met één bouwpromotor worden opzijgeschoven hebben al de andere bepalingen van de uitgebreide code geen zin meer. Het is de meest brutale manier om er aan te ontsnappen.

Dat deze werkwijze vroeg of laat tot kritiek en afwijzing moest leiden was dan ook erg voorzienbaar. Het werd helemaal problematisch toen de onderzoeksjournalistiek van Apache er ook andere elementen aan toevoegde. Meerdere artikels wezen op andere ‘disfuncties’. In het beruchte ‘Fornuisfilmpje’ werd de vooringenomenheid voor iedereen zichtbaar.

Zoals je door dergelijke wantoestanden kan verwachten kwamen er ook processen van. In één ervan, een betwisting tussen tussen twee betrokken promotoren, werden voor de rechtbank van Koophandel alle registers open getrokken. In de pleidooien werden documenten overlegd en de kritiek niet gespaard. Er werd zelfs van corruptie gesproken. De rechtbank had daardoor voldoende elementen om de “knipperlichtprocedure” van de wet op de continuïteit der ondernemingen toe te passen en “ambtshalve” maatregelen te nemen om catastrofale gevolgen te vermijden.

Ook voor het parket waren er voldoende aanwijzingen om een opsporingsonderzoek te doen. Dat leek ook te gebeuren. Maar na een goede week werd de vraag van Apache tot nadere mededelingen over de intussen genomen seponering beantwoord met “no comment”.

In het arrest van de Raad van State wordt ook een andere element bevestigd: de bevoegdheid van de omwonenden om bij “potentiële” schade klacht te doen. Het is dan alweer erg voorzienbaar dat die klachten er ook gaan komen. En het is even voorzienbaar dat de Raad van State de rechtspraak van het huidig principe-arrest niet meer kan wijzigen.

Ongeacht wat er reeds in Antwerpen en in meerdere andere Vlaamse gemeenten met deze bewuste “vooringenomenheid” werd gebouwd is het de vraag wat er met de lopende projecten en de reeds overeengekomen, maar nog niet gestarte projecten gaat gebeuren. Als die ook door de Raad van State worden vernietigd wordt dat een drama voor wie er reeds in woont, er een aankoop op plan heeft voor ondertekend en reeds een aanbetaling heeft gedaan.

Ook voor de bouwpromotoren zou dat wel eens een ramp kunnen worden: de winst wordt veelal op het einde bereikt. Wanneer het dan over mogelijke schadevergoeding gaat worden vriendschappen of politieke akkoorden al snel vergeten en wordt de voornaamste vraag wie er verantwoordelijkheid in heeft en vooral wie het allemaal gaat betalen.

Verantwoordelijkheid

Wie de verantwoordelijkheid draagt voor deze niet objectieve, vooringenomen en gebonden wantoestanden is erg duidelijk: het politiek beleid. Wie uiteindelijk de te verwachten schadeclaims gaat betalen is evenmin een raadsel: de burger. Maar er zijn ook andere verantwoordelijkheden die niet mogen ontzien worden.

Ook de “pleinvrees” van de gerechtelijke instanties, de rechtbank van koophandel én het parket, mag hierin niet ontgaan. Deze gerechtelijke instanties hoefden immers niet te wachten op de uitspraak van het hoogste bestuurlijk rechtscollege om hun eigen opdrachten en bevoegdheden uit te oefenen.

Dat het niet gebeurde is vergelijkbaar met de wordingsgeschiedenis en de toepassing van de afkoopwet, de wet die toeliet dat verdachten hun schuld en boete konden afkopen door een enkele overeenkomst met het parket. Ook daar was een tussenkomst van het hoogste rechtcollege, het Grondwettelijk Hof, nodig om een eind te maken aan de wantoestanden. Het gaat hierin zelfs over een waar fenomeen: de institutionele pleinvrees om de grootste bedreiging van onze rechts- en welvaartsstaat aan te pakken: de diepgewortelde graaicultuur.

Dat het beleid hierin een algemene “pleinvrees” heeft is geen persoonlijke bewering. Voor de lakse aanpak van corruptie bij parlementsleden, rechters en procureurs, kreeg ons land een fameuze uitbrander van de GRECO, de groep van de Raad van Europa tegen corruptie. “Van de vijftien aanbevelingen die twee jaar geleden zijn gelanceerd, heeft België er geen enkele voldoende in de praktijk gebracht. Slechts vier keer is dat gedeeltelijk gebeurd, in de overige gevallen helemaal niet. In het evaluatieverslag van de GRECO van 28 maart 2014 wordt aangegeven waar de echte problemen zitten.“

Volgens verscheidene door het GRECO ontmoette gesprekspartners zou de strijd tegen corruptie in België niet meer de aandacht krijgen die hij verdient. De media zouden niet langer de rol spelen van tegengestelde macht, bij gebrek aan onafhankelijkheid, en zouden weinig bezig zijn met onderzoeksjournalistiek. Dat zou verklaren waarom de openbare controverses inzake integriteitskwesties vaak snel vergeten zijn.

De organisaties van het maatschappelijk middenveld die werken rond de thema’s transparantie, integriteit en de strijd tegen corruptie lijken thans kracht en steun te hebben verloren. Het gebrek aan middelen bij politie en justitie zou hen sterk beperken in de mogelijkheid om binnen de nodige termijnen te werken aan grote dossiers inzake economische en financiële delinquentie alsook inzake verborgen delinquentie zoals corruptie.

Dat de politiediensten niet de nodige middelen hebben om doelmatig werk te doen is echter geen toevalligheid. Eéns had ons land een gespecialiseerde dienst voor het onderzoek naar corruptie: het Hoog Comité van Toezicht. Deze in 1910 opgerichte anticorruptie-dienst werd tweemaal ‘geïntegreerd’: in 1998 in de Gerechtelijke Politie bij de Parketten, en in 2001 in de Federale Politie.

Waarom dat gebeurde en wat er het gevolg van was werd door Georges Timmerman kundig uiteengezet in zijn boek ‘De Doofpotten – De sabotage van het Hoog Comité van Toezicht’. Om in de ‘leemte’ te voorzien werd dan de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie (CDBC) opgericht. Maar ook deze dienst onderging hetzelfde lot. De federale dienst werd ontmanteld en de speurders verspreid. In De Tijd noemde Lars Bové het “een klein kiekenkot”: “Iedereen loopt er weg want ze zijn gedegouteerd. Nochtans liggen voldoende fraudedossiers klaar”.

Onwil

Er is een institutionele onwil om corruptie aan te pakken. Dat kwam nog maar eens duidelijk tot uiting in het parlementair onderzoek naar de afkoopwet, de wet op de uitgebreide minnelijke schikking. Hoewel daarin ernstige en samenlopende aanwijzingen van corruptie werden vastgesteld werd het fenomeen in het eindverslag onder de radar gehouden. Dezelfde vaststelling kan ook gedaan worden over een sector die in de litteratuur over corruptiebestrijding als één der meest kwetsbare wordt aangegeven: de sector van het onroerend goed.

Megaprojecten in welke stad ook geven wel aanleiding tot bestuurlijk onderzoek over de erin door de media gereveleerde wantoestanden, maar voor een actieve opsporing van mogelijke corruptie bestaat er een duidelijke pleinvrees. En als het dan toch tot een gerechtelijk dossier komt, zoals dat het geval is met de verbrandingsoven van Seraing (Uvelia/Intradel) weigert het parlement de onschendbaarheid van één zijn leden, in casu Alain Mathot die verdacht wordt 700.000 euro te hebben ontvangen, op te heffen.

Hoe moet je het anders noemen dan onwil? Voor al wie plannen heeft om de “graaicultuur” aan te pakken ligt de oplossing dus voor handen: maak een eind aan de onwil om corruptie te bestrijden. Er zit bovendien nog een bonus aan: het heeft ook een gunstige invloed op wat “ behoorlijk bestuur” wordt genoemd.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Walter De Smedt is gewezen raadslid van Comité I en Comité P.