De emotionele onderbouw van het rechts populisme


Het onderzoek van Alain Van Hiel (1) deed even stof opwaaien. Zijn studie vormt een belangrijke bijdrage tot het maatschappelijk debat over de oorzaken van het succes van uiterst rechts populisme. De recentste peiling waarbij het Vlaams Belang 25% van de kiesintenties voor zich neemt bevestigt nogmaals de omvang van het fenomeen.

Alain van Hiel doet ons inzien dat psychologische en mentale eigenschappen wel eens durven samenvallen met politieke maatschappijvisies. Natuurlijk drukt de correlatie tussen ‘weinig empathie’ en een ‘hoge bereidwilligheid tot het stemmen voor uiterst rechts’ daarom geen oorzakelijk verband uit. Maar dan neemt niet weg dat er wel degelijk verbanden kunnen bestaan tussen het onvermogen tot empathie, een autoritaire persoonlijkheid en het nastreven van een ‘natuurlijke’ ordening waarbij de sociale of raciale ongelijkheid wordt geprezen, met de bijbehorende stigmatisering van de ‘andere’.

Als socioloog volg ik met interesse de analyse van psychologen. Natuurlijk wil ik hierbij het ‘sociale’ niet opheffen… Vanuit sociologisch oogpunt verwijst dit naar alle sociale interacties waarbinnen zowel economische, culturele en specifiek politieke dimensies aanwezig zijn. Het is weliswaar zeer moeilijk om de verschillende determinanten te onderscheiden en hun respectievelijk ‘gewicht’ te meten. Hiervoor worden multivariate analyse-modellen gebruikt die soms belangrijke bevindingen voortbrengen. In mijn geval heb ik over deze problematiek enkele jaren geleden deelgenomen aan een omvangrijke studie waarover ook een weerslag werd gepubliceerd op Apache.

De sociale realiteit van emoties

De studie van Alain Van Hiel doet ons begrijpen dat een bepaalde mindset met emotionele capaciteiten congruent zijn met bepaalde overtuigingen. Deze emotionele eigenschappen zijn uiteraard niet onveranderlijk. Hetzelfde individu kan zich na een lange werkdag naar de buitenwereld anders opstellen dan na een lange vakantieperiode. Empathie is ook niet de enige mindset en de relatieve aan- of afwezigheid van andere emoties zoals frustratie, ressentiment of angst interageren met het vermogen tot empathie. Daarenboven zullen – tot op zekere hoogte – leeftijd, gender en positie op de sociale ladder ook een rol spelen. Het sociale of, zeg maar, collectieve is altijd aanwezigheid in het individuele.

Wat mij als socioloog in eerste instantie interesseert is te begrijpen waarom en wanneer mensen hun empathisch vermogen verliezen. In tweede instantie zou ik het onderzoek ook willen verfijnen naar een analyse van de remmingen (inhibities) die mensen verhinderen uiterst rechts te stemmen, ondanks het feit dat ze hun empathisch vermogen kwijt zijn. Dit lijkt me niet onbelangrijk. Hoe kan men immers verklaren waarom in Vlaanderen in grote getallen kiezers op rechtse of uiterst rechtse populisten stemmen – waarbij we ook de N-VA mogen rekenen – terwijl dit in Wallonië of Brussel bijna niet het geval is. Is empathie in Vlaanderen dan minder verspreid dan over de taalgrens?

Empathie vergt ruimte en zekerheid

Ik zet even een aantal zaken op een rijtje. Het zijn voorlopige werkhypothesen zoals dat in het jargon heet. Empathie is in eerste instantie een mentale ‘capacity’ die moeilijk kan losgekoppeld worden van de materiële (economische) situatie. Samengevat: mensen die maandelijks hun facturen amper kunnen betalen zullen weinig of geen mentale ruimte hebben voor empathie. Ze beperken deze tot de onmiddellijke kring van nauwe vrienden en naaste gezinsleden. Uitzonderingen op de regel vinden we bij mensen die overtuigd zijn dat solidariteit nodig is om door het leven te gaan. In commerciële transacties zal men ook vriendelijk en beleefd blijven, reputatie-schade is immers een dure grap. Dat scherpt soms een empathisch vermogen, al is dat utilitaristisch (of zeg maar berekend) ingegeven.

De ‘99%’ is heterogeen: ze omvat zowel de werkende klasse als de middenklasse wiens belangen niet altijd samenvallen

Dan is er nog een tweede groep mensen waar empathie naar alle waarschijnlijkheid dunner gezaaid is. Ik zal ze omschrijven als ‘de nieuwe rijken’; zeg maar parvenu’s of mensen die omhoog zijn gevallen. Aan fermettekes, nieuwe woningen met dubbele oprit of dure villa’s is er in Flanders’ fields geen gebrek. Lintbebouwing betekent ook dat heel wat akkers en weiland opeens bouwgrond zijn geworden. Verkopen als bouwgrond, kopen en verkopen heeft velen op twintig jaar veel rijker gemaakt. De grote crisis van 2008 en de daarop volgende economische stagnatie heeft deze sociale groep echter onder druk gezet: ‘We leven boven onze stand‘ en ‘het wordt tijd dat er orde op zaken wordt gesteld’ zijn voor hen common sense-opvattingen.

Sociale demotie loert om de hoek

In deze middens heerst er ook angst voor ‘sociale demotie’ (ofte sociale declassering). Leden van de middenklasse wier status moet geaffirmeerd worden en wier vermogen nog niet voldoende geconsolideerd is, zijn dikwijls onzeker en angstig. Angst is ook een belangrijke reductor van empathie. Het is pas wanneer men lotgenoten kent en de lotsverbondenheid weet in te schatten dat dit sentiment zich (opnieuw) zal manifesteren.

Solidariteit is voor de nieuwe rijken geen optie en empathie is veelal ‘nutteloos’. In de mate dat deze mensen overtuigd zijn dat ze hun positie enkel aan zichzelf hebben te danken, menen ze ook dat ze de maatschappij niets schuldig zijn. Bye bye fiscaal civisme! Bovendien zijn ze receptief voor het idee dat sociale ongelijkheid een soort natuurlijk fenomeen is waarbij de armen hun lot enkel aan zichzelf te danken hebben. De overheid wordt aanzien als een dure grap die ‘ons geld’ zomaar uitdeelt. En bijgevolg is ‘Gedaan met pamperen’ hun lijfkreet.

Deze twee groepen hebben verschillende behoeften: de eerst heeft nood aan bescherming en solidariteit. De tweede heeft nood aan zekerheid. Een tweede zware financiële crisis zou hen misschien tot betere inzichten aanzetten, weg van het individualistisch neoliberale model. Maar zover zijn we dus niet…

De eerste groep wordt politiek aangesproken met een vertoog dat solidariteit bevat, al wordt deze solidariteit op etnocentrische basis ingevuld, zoals de slogan ‘eigen volk eerst’ het perfect uitdrukt. Het begrip van ‘leitkultur’ doet hetzelfde maar in afgezwakte vorm: de ‘leitkultur’ is deze van ‘eigen bodem’ met een vleugje ‘verlichting’ en vooral de normatieve codificatie van de ‘Vlaamse identiteit’.

Vlaanderen als drager van een vals wij-gevoel

We hebben te maken met een ingebeelde community met volksleiders die het collectief narcisme van een belangrijk segment van de samenleving weten te strelen

Natuurlijk is de definitie de Vlaamse identiteit een ideologische constructie maar dat verklaart ook waarom dit vertoog zo efficiënt is. We hebben te maken met een ingebeelde community met volksleiders die het collectief narcisme van een belangrijk segment van de samenleving weten te strelen. Erich Fromm heeft hierover heel wat interessante zaken geschreven, waarbij de slachtoffer-symboliek een cruciale rol speelt.

Het identitair discours maakt het mogelijk een essentieel historisch feit te vergeten, met name dat sociale rechtvaardigheid werd opgebouwd dankzij een strijd die op landelijk of Belgisch niveau werd gevoerd

De Vlaams-nationalistische retoriek over het ‘Vlaamse volk’ staat nog steeds stokstijf van het onrecht dat ‘ons’ werd aangedaan – de taalonderdrukking – en alle rijkdom en welvaart die ‘ons’ wordt ontzegd. België of Wallonië is een blok aan ‘ons been’; de politieke kaste zit vol met parasieten; een klimaatbeleid gaat mijn bedrijfswagen afpakken en de betonstop gaat onze kinderen verhinderen hun eigen huis te bouwen. Als kers op de taart is er het idee dat ‘al die kleurlingen ons gaan ontvolken’ waarbij ‘wijzelf’ in ‘eigen land’ een minderheid worden.

(Kaart zoals gepubliceerd in het artikel ‘76 gemeenten stemden voor absolute Vlaams-nationalistische meerderheid‘ op 28 mei jl., 2 dagen na de regionale, nationale en Europese verkiezingen)

Waar is die gastvrije en solidaire gemeenschap?

Natuurlijk kan solidariteit ook op meer universele humanistische waarden gebaseerd zijn en een sociale inhoud hebben die het culturele homogeniteitsstreven tegenspreekt. De verwijzing naar de werkende klasse is hierbij essentieel, want het drukt ook een sociale tegenstelling uit, bakent een wij/zij kamp af en biedt tegelijkertijd een collectieve identiteit aan. De verwijzing van Occupy Wall Street met ‘we are the 99%’ was daarom zo effectief. Maar wie het over de 99% heeft, spreekt in feite over de ganse samenleving, met uitzondering van de superrijken. Dit heeft het voordeel dat er een vijandsbeeld kan gehanteerd waardoor woede en ressentiment in de juiste richting kijken. Maar de 99% is ook heterogeen: ze omvat zowel de werkende klasse als de middenklasse, wier belangen niet altijd samenvallen. En natuurlijk is deze groep ook superdivers op cultureel vlak. Terwijl rechtse populisten de nood aan sociaaleconomische zekerheid weten om te zetten in een drang naar culturele homogeniteit.

De verwijzing naar de Vlaamse identiteit wordt bovendien tegen de sociale ontvoogdingsstrijd ingezet. Het maakt het mogelijk een essentieel historisch feit te vergeten, met name dat sociale rechtvaardigheid (of zeg maar de welfare state) werd opgebouwd dankzij een strijd die op landelijk of Belgisch niveau werd gevoerd. Sociale bescherming is niet uit de lucht gevallen maar werd afgedwongen door jarenlange sociale strijd. Het Vlaamse natiestreven maakt komaf met het feit dat deze strijd samen met arbeiders in Wallonië en Brussel werd gevoerd.

Al wie van mening is dan de Deense aanpak de sociaaldemocratie uit het moeras kan halen zal met rechts het idee moeten delen dat niet alleen migranten maar ook de Walen ‘onze welvaart’ ondermijnen. Welvaartschauvinisme is immers weinig selectief en bijgevolg zal men van bij de toepassing van het Deens model zowel de transferten naar Wallonië als de aanwezigheid van buitenlandse gelukzoekers moeten aanvechten. Van Grieken en De Wever zullen stralen van geluk…

Is er plaats voor redelijkheid?

Naast de materiële omstandigheden zal het vermogen tot empathie en solidariteit ook door de ratio bepaald worden. Het collectief geheugen speelt hierbij een belangrijke rol. Griekenland heeft nagenoeg 1 miljoen vluchtelingen zien passeren en toch is Gouden Dageraad uit het parlement verdwenen. De sterke aanwezigheid van christelijke naastenliefde verklaart niet alles. In het collectief geheugen van vele Grieken leeft nog steeds ook de gedwongen deportatie uit Turkije van 1 miljoen mensen in de jaren 1920. Hun kinderen en kleinkinderen dragen nog steeds de naam van bannelingen of verworpenen. Het collectief geheugen induceert een inlevingsvermogen voor de hedendaagse oorlogsvluchtelingen. In de ogen van de meeste Grieken, ook zij die zelf in de crisis het zeer moeilijk hebben, blijven vluchtelingen in de eerste plaats slachtoffers vooraleer als gelukszoekers gebrandmerkt te worden.

In Vlaanderen wordt het collectief geheugen met betrekking tot het oorlogsverleden herschreven. Men vergeet dat in mei 1940 meer dan honderdduizend Belgen gevlucht waren tot ver in Frankrijk. Naast de herdenking van de deportatie van joden of politieke activisten wordt collaboratie weggezet als een ‘vergissing van idealisten’. Terwijl het gewapend verzet amper een plaats krijgt in het collectief geheugen. Kortom, het oorlogsgebeuren wordt langzamerhand gedepolitiseerd. Mutatis mutandis maakt de beeldvorming rond gelukszoekers en economische vluchtelingen het mogelijk de oorlogen in Afghanistan, Irak, Yemen of Syrië te vergeten. Het wegdenken van ‘eigen verantwoordelijkheid’ faciliteert de weigering om empathisch om te gaan met anderen.

Een afbrokkelende parochiale cultuur

De verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië inzake stemgedrag kunnen ten dele ook worden verklaard vanuit de cultureel-demografische samenstelling van de bevolking. Het sociologisch onderzoek dat ik samen met collega Benoît Scheuer uitvoerde in opdracht van de Koning Boudewijnstichting bracht aan het licht dat de demografische aanwezigheid van migratie belangrijke regionale verschillen kent in België. Wanneer men teruggaat tot de grootouders telt Wallonië 37% mensen met minstens één familielid dat in het buitenland geboren is. In Brussel stijgt dit boven de 55%, terwijl men in Vlaanderen amper de 18% bereikt. Wallonië is een regio die sinds de 19de eeuw arbeidsmigraties heeft gehuisvest, komende uit Vlaanderen, Polen, Italië, Turkije of Marokko. Vlaanderen was in de 19de en 20ste eeuw gedurende lange tijd een land van emigratie en heeft pas veel recenter kennis gemaakt met immigratie. Men is met andere woorden al relatief snel ‘ne vreemdeling’. Bovendien werd de samenleving tot zeer recent rond de kerktoren georganiseerd. Vlaanderen is dus ook een lappendeken van sub-regionale en lokale (stedelijke) identiteiten, die in onze enquête in feite primeren op de identificatie met Vlaanderen. Het kan lachwekkend klinken maar hoeveel gemengde huwelijken zijn er overigens tussen West-Vlaamse jongens en Limburgse meisjes? Een Waaslander of iemand van de Kempen is nog altijd geen Sinjoor… De stad als smeltkroes van mensen van verschillende origine bleef in Vlaanderen tot voor kort een relatief marginaal gegeven. Daarom is xenofobie nog niet onvermijdelijk. Het is wél belangrijk in te zien dat deze xenofobie zich heeft ontwikkeld in een omgeving waar men weinig ervaring heeft met ‘alteriteit’.

Van solidariteit wordt iedereen beter

De geesten van vele mensen zijn ideologisch receptief voor het rechts verhaal, ondanks tien jaar besparingen, oplopende facturen en steeds slechter functionerende openbare diensten

Voeg daarbij de culturele hegemonie van het neoliberalisme waarbij individualisme en zelfredzaamheid de heersende normen zijn geworden en dan begrijpen we veel beter dat empathie en bereidwilligheid tot solidariteit als deviant worden aanzien. De geesten van vele mensen zijn ideologisch receptief voor het rechts verhaal, ondanks tien jaar besparingen, oplopende facturen en steeds slechter functionerende openbare diensten.

Tien jaar na de grote recessie voeren progressieve krachten hun strijd nog steeds bergopwaarts. Meer dan ooit is er behoefte aan een gedeeld verhaal waarbij een collectieve identiteit de drager is van gastvrijheid, solidariteit en ecologische rechtvaardigheid. Hoe dit tot stand kan komen is een vraagstuk op zich. In afwachting sluit ik af met een boutade: een tegen-hegemonisch verhaal draagt best gedeeld geluk, samenhorigheid en welvaart in haar vaandel zodat angst, frustratie en stress kunnen wegebben.

 

(1)Van Hiel A., De Keersmaecker J., Onraet E., Haesevoets T., Roets A. en Fontaine J., The relationship between emotional abilities and right-wing and prejudiced attitudes. https://biblio.ugent.be/publication/8601336
(2019) EMOTION

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Stephen Bouquin

Stephen Bouquin is gewoon hoogleraar sociologie aan de
Universiteit Parijs-Saclay, syndicalist en auteur van het boek ‘Helemaal anders’ (Critica, 2015).


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelDe emotionele onderbouw van het rechts populisme
Auteur(s)Stephen Bouquin
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=101630
Gepubliceerd 18 september 2019 @ 12:02
Opgevraagd15 december 2019 @ 14:59
Klik hier om te printen