Geld (uitgeven) maakt gelukkig

 Leestijd: 4 minuten4

Stel u voor dat u een bonus krijgt van 2.600 euro. Geen kattenpis – dat is ongeveer het mediane Britse besteedbare maandinkomen (in België ligt dat een stuk lager, dus zeker de moeite). Beeld u in hoe het bedrag naar uw bankrekening wordt overgeschreven, hoe u uw balans nagaat en ziet dat het er inderdaad is gecrediteerd. OK, beeld u nu in hoe het zou zijn dat bedrag uit te geven. U kunt het bijvoorbeeld in één keer op doen, aan een badkuip vol champagne misschien, of in kleinere stukjes – kleren of gadgets, een bezoek aan een sterrenrestaurant, uw huis of uw auto opknappen. Van welk van beide ingebeelde situaties wordt u gelukkiger?

Twee recente papers suggereren dat, voor de meeste mensen, consumptie eerder dan inkomen voorspellend is voor het welzijn. Thomas Carver en Arthur Grimes, twee economen aan Motu, een Nieuw-Zeelands onderzoeksinstituut, komen tot die conclusie in een studie die gebruik maakt van de gegevens van een regelmatig onderzoek bij de bevolking in hun land. Onafhankelijk daarvan gebruikten Gordon Brown en John Gathergood, psychologen aan de universiteiten van Warwick en Nottingham, longitudinale gegevens van een jaarlijkse enquête bij Amerikaanse huishoudens. Ook zij vonden dat veranderingen in levenstevredenheid geassocieerd zijn met veranderingen in consumptie, niet in inkomen.

“Slim hoor, Sherlock!”, denkt u misschien, of u vraagt zich op zijn minst af, “en dan?”

Er gaat in de meest prominente economische statistieken en commentaren inderdaad meer aandacht naar inkomen dan naar consumptie. We horen vooral over looninflatie en spaarquota, over het mediane inkomen van huishoudens, of over inkomens- en vermogensongelijkheid. We horen veel minder over het verbruik van huishoudens of over ongelijkheid in hoe we geld uitgeven.

Niet alle uitgaven worden gelijk geschapen

Nu is het zo dat inkomen gelijkstaat met ons potentieel om te consumeren, en dus kan het impliciet als representatief worden beschouwd voor wat we spenderen. Het is makkelijker te meten, en dus lijkt het best zinvol het verband tussen inkomen en geluk te bestuderen, terwijl er stilletjes vanuit wordt gegaan dat het eigenlijk de link is tussen consumptie en geluk die wordt onderzocht.

Inkomen / consumptie(Bron: Brown & Gathergood 2019)

Maar daarvoor zou de consumptie gelijk met het inkomen moeten stijgen, en dat is niet het geval. Onderaan de inkomensschaal geven mensen typisch meer uit dan ze verdienen (het gat wordt gevuld door de steun die ze ontvangen). Naarmate mensen meer verdienen sparen ze echter een toenemend gedeelte van hun inkomen. Een stuk daarvan gaat weliswaar naar het opbouwen van een appeltje voor de dorst, en het gevoel van veiligheid dat dit schept draagt vast ook bij tot het algemene welzijn. Maar verder consumeren we wel almaar minder naarmate ons inkomen toeneemt.

We putten natuurlijk ook niet evenveel genot uit het aankopen van toiletpapier of gas en elektriciteit, als uit vakanties of een restaurantbezoek. De analyse van Brown en Gathergood maakt een duidelijk onderscheid in de diverse categorieën van consumptie. Er is een beduidend verschil tussen opzichtige consumptie (relatieve luxegoederen en -diensten, die duidelijk zichtbaar zijn voor anderen en die status en economische slagkracht symboliseren), en meer onzichtbare consumptie. En het is vooral de eerste soort die ons gelukkig maakt.

Opzichtige consumptie wordt overigens vaak betaald met kredietkaarten. En al vereffenen velen die rekening aan het einde van de maand, vele anderen doen dat niet – de gemiddelde uitstaande schuld op kredietkaarten in het VK bedroeg per huishouden bijna 3.100 euro eind 2018. Dat kost geld (tegen een typische interestvoet zo’n 1000 euro per jaar) – en deze interest is waarlijk wat we bereid zijn te betalen om te consumeren.

Uitgeven om te kunnen uitgeven

Daar komt de fiscus

Het feit dat mensen er werkelijk geld voor over hebben om te kunnen consumeren is ook de fiscus niet ontgaan. Vele landen hebben een systeem van getrapte consumptietaks of BTW, die hoger is voor goederen en diensten die in de opzichtige categorie vallen. En dat is gauw verdiend: men is doorgaans minder prijsgevoelig wanneer het om luxegoederen gaat, en dus wat extra taks heeft nauwelijks invloed op de verkoop. Kassa voor de schatkist!

Sommige economen pleiten zelfs voor een volledige verschuiving van de belastingdruk van inkomen naar consumptie – een tax shift om U tegen te zeggen. Robert Frank, de meest bekende onder hen, is voorstander van een progressieve verbruiksbelasting, die werkt op dezelfde manier als een progressieve inkomstenbelasting. In plaats van een hoger percentage te betalen op de hogere schijven van je inkomen, betaal je een hogere consumptietaks naarmate je meer uitgeeft.

Het belangrijkste motief voor prof. Frank is sociaal van aard. Hij ziet inkomensongelijkheid als naast de kwestie: wat werkelijk telt is consumptieongelijkheid. De manier waarop de superrijken hun geld uitgeven – grotere huizen, meer opzichtige auto’s, duurdere vakanties, kleren en dergelijke – druppelt naar beneden en gaat invloed uitoefenen op het verbruik van minder vermogende mensen. Zij willen ook een almaar groter huis enz., en hun uitgaven worden steeds meer gedreven door de sociale druk om ervoor te zorgen dat hun consumptie adequaat is in de ogen van hun buren, collega’s en familie. Dat leidt tot een vicieuze cirkel, waarin zij die het zich maar moeilijk kunnen permitteren in financiële moeilijkheden terecht komen – niet omwille van inkomensongelijkheid, maar door de ongelijkheid in consumptie.

Een bewijs voor deze veronderstelling, of toch tenminste voor de negatieve externaliteit van de superrijken en hun opzichtige consumptie, vinden we in een studie van Rainer Winkelmann, een econoom aan de universiteit van Zurich. Prof. Winkelmann stelde vast dat mensen minder tevreden zijn met hun inkomen wanneer ze teveel luxeauto’s zien in hun omgeving. In gemeenten waar het aantal ingeschreven Porsche’s en Ferrari’s het dubbele is van het nationale gemiddelde, blijkt de reductie in tevredenheid met het inkomen equivalent te zijn met een 5% vermindering in dat inkomen.

Enkel voordelen?

Om dit soort probleem op te lossen heb je geen hoge inkomensbelasting nodig. Laat de rijken maar rijker worden, en laat ze met rust zolang ze hun geld op de bank laten. Maar wanneer ze het willen uitgeven aan een Ferrari of een villa aan de Azurenkust, bam! Het grote voordeel hiervan is dat je, doordat je het welvaartsverlies van inkomstenbelasting vermijdt, de mensen niet ontmoedigt om meer te verdienen (en meer te sparen en te investeren). Integendeel, door consumptie progressief te belasten moedig je de mensen precies aan om te sparen en te investeren.

Geen belasting zolang je het hier laat! (Foto: skeeze)

 

Het zou zelfs niet eens zo moeilijk zijn om zo’n taks praktisch in te voeren. Er zijn immers maar twee dingen die je kunt doen met je inkomen: uitgeven of sparen. Als burgers naast hun inkomen ook hun spaartegoeden aangeven, dan is het verschil tussen hun inkomen en de aangroei van hun spaargeld exact gelijk aan hoeveel ze hebben geconsumeerd. En dat belast je dan volgens een progressieve schaal.

Als die belastingvoeten zo worden gekozen dat het om een neutrale operatie gaat voor huishoudens met een gemiddeld inkomen en een typisch consumptiepatroon, dan kan de grote meerderheid van de bevolking blijven genieten van hun consumptie zonder veel belemmering. De consumptie van de superrijken kan dan worden belast aan het nodige percentage om werkelijk een effect te hebben op de al te opzichtige consumptie. Als, zeg maar, 50% belasting boven de 50 miljoen euro onvoldoende is om ze te laten overwegen of ze werkelijk die vijfde Porsche nodig hebben, dan zal 80% of 150% wellicht wel een effect hebben.

Uiteindelijk kan dit leiden tot een verschuiving van de productie van dure luxegoederen: minder Bentley’s en Lamborghini’s. Maar zou dat een slechte zaak zijn? De middelen die daarheen gingen kunnen dan worden gebruikt voor het ontwikkelen en produceren van minder dure waren, gericht op verbruikers met meer bescheiden koopkracht, waar de vraag groter is. Zelfs als dat lastig is voor de top-0,001%, het zal het welzijn van de onderste 99,999% ten goede komen.

We zien echter maar weinig tekenen van zo’n systeem. Hoe komt het dat blijkbaar niemand vooralsnog zo’n aanpak, die schijnbaar een soort economische mirakeloplossing is voor allerlei problemen, heeft geprobeerd?

Het antwoord op deze vraag ligt wellicht niet in het economische domein, maar in het politieke. En dat is een ander verhaal.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.