Wanneer mag de wereld van de arbeid nog eens feest vieren?

 Leestijd: 10 minuten1

1 mei is het feest van de arbeid en dat is zowat hét rendez-vous voor al wie vlammende toespraken met een hoog socialistisch gehalte wil horen. Sociale bescherming herwaarderen, brugpensioenen (in de vorm van SWT stelsels) behouden en de laagste lonen optrekken zullen dit jaar met klem worden verdedigd.

Deze sociale eisen zijn wel degelijk van groot belang. Van zodra men die technocratische bril durft afzetten begrijpt men hoezeer talloze mensenlevens worden geslachtofferd door niet aflatende besparingen, duurdere facturen en stagnerende lonen. En dan zwijgen we nog over de sluipende huisvestingscrisis en de afbouw van de sociale bescherming in de gezondheidszorg. Op 10 jaar tijd is de situatie van velen erop achteruit gegaan, ook bij de zogenaamde ‘middenklasse’, een begrip dat volgens mij al te snel doet vergeten dat de sociale kwestie nog steeds rond arbeid draait.

Loonarbeid rijmt steeds meer met ongezonde werksituaties. Het recentste rapport van de Internationale Arbeidsorganisatie (april 2019) publiceert data die koude rillingen geven. Na een dubbele fact-check telt de IAO nagenoeg 3 miljoen mensen die jaarlijks sterven ten gevolge van arbeidsongevallen en werk-gerelateerde aandoeningen. Daar bovenop komen er jaarlijks nog eens 380 miljoen werknemers met niet-dodelijke arbeidsongevallen. De frequentie van dodelijke arbeidsongevallen is het laagste in de EU (3/100K), een pak minder dan Azië (13/100K) waar de goedkope fabricatie-ateliers voor heel wat van onze consumptiegoederen zijn gevestigd.

De studie van IAO werd uitgevoerd in samenwerking met de Wereld Gezondheidsorganisatie. Voor landen waarvan de data-collectie redelijk betrouwbaar is (grosso modo de OESO landen) stellen zij vast dat werk-gerelateerde aandoeningen voornamelijk hart- en bloedvaatziektes betreft (31%), of kanker (26%) en luchtwegen (17%). Samen nemen zij het leeuwenaandeel ofte 86% van het dodental voor zich.
De ergonomische factoren, kwetsuren, fijn stof, gas, rook en chemicaliën nemen op hun beurt ook 75% van de ziektes voor zich waarvan de prevalentie sinds 2000 met 15% is toegenomen, ook in Europa.

In onze kontrijen, de hoog-industrialiseerde landen, lijkt burn-out een epidemie te worden die men al te snel onder de mat veegt. Volgens de meeste enquêtes worden er ‘maar’ 5% van de actieven getroffen door deze werk-gerelateerde aandoening. Maar veel hangt ook af van de definitie van burn-out. Het begint bij overinvestering en overbelasting, geen afstand meer kunnen nemen en taken blijven opnemen met dezelfde perfectionistische ingesteldheid. Dit is het eerste stadium of zeg maar de stille opbouw van een burn-out. Na enige tijd beginnen symptomen zich te manifesteren: slapeloosheid, angstaanvallen, chronische vermoeidheid, etc. In dit tweede stadium zullen vele werknemers nog steeds het probleem ontkennen. Zich blijvend inzetten is de boodschap, tot op het punt dat elke elasticiteit verdwijnt.

Het beschikken over autonomie, – zeg maar beslissingsmacht inzake taakopname en functieomschrijving – kan een burn-out op afstand houden

Een recent onderzoek in Oostenrijk kwam, op basis van deze bredere kijk, tot alarmerende resultaten waarbij 19% en 17% zich het eerste en tweede stadium bevonden terwijl 8% in het derde stadium van een échte burn-out terecht kwamen. Wanneer men de drie stadia samenvoegt komen we tot het onthutsende cijfer dat ongeveer 44% van de actieve populatie ofwel een burn-out heeft ofwel volop bezig is er één te kweken. Overigens wijzen hun bevindingen erop dat zowel ‘kenniswerkers’ als productiearbeiders getroffen worden.

Natuurlijk spelen omgevingsfactoren ook een rol. Het vervagen van solidariteit en onderlinge steun onder collega’s is er één van. Het beschikken over autonomie, – zeg maar beslissingsmacht inzake taakopname en functieomschrijving – kan een burn-out op afstand houden. Maar die weerbaarheid wordt dan weer ondergraven door de toenemende werkdruk en de arbeidsintensivering.

Ziek gaan werken

De recentste Europese bevraging inzake werkomstandigheden (2015) is al even verontrustend. Wat België betreft lezen we dat ongeveer één derde van de respondenten nooit zelf kan bepalen wanneer ze een pauze nemen. In België wordt 28% van de respondenten geconfronteerd met twee factoren – meestal van mechanische en hiërarchische aard – die het arbeidsritme verhogen; 24% gaat gebukt onder drie en 18% onder vier factoren of meer. Al deze parameters stijgen sinds de voorgaande enquête van 2005-2010.

Daarenboven verklaart één op vijf continu blootgesteld te zijn aan een hoog arbeidsritme. Een tweede groep van 30 à 40% van de werknemers moeten tussen één vierde tot drie vierde van hun werktijd snel tot zeer snel werken. Indien we beide groepen samenvoegen kunnen we stellen dat ongeveer één op twee regelmatig of permanent aan een hoog werkritme wordt blootgesteld.

Tel daarbij evaluaties, het opleggen van verantwoordelijkheid en de performantie-logica die alomtegenwoordig is, en men ziet onmiddellijk in dat slijtage, uitputting alsook allerlei fysieke kwalen zoals rugklachten en gewrichtsaandoeningen hiervan een rechtstreeks gevolg zijn. Volgens het rapport van de IAO zijn zowat één derde van de rug-nek en gewrichtsaandoeningen in de EU het gevolg van de werksituatie.

Aanwezig zijn op het werk terwijl men in feite ziek is neemt in alle landen toe

Aanwezig zijn op het werk terwijl men in feite ziek is neemt in alle landen toe. In België zitten we aan één op twee; in Duitsland één op drie en in het VK of Frankrijk bijna zes op tien. Sinds 2008 is het aandeel van werknemers die elke maand minstens één maal in het weekend werken gestegen van 45% naar 65%. De trend is dezelfde voor landen zoals Duitsland, België, Frankrijk of Nederland.

Cubicles (Foto: Michael Lokner, cc, flickr)

Voor het uitbreken van de bankencrisis werkte ongeveer 25% van de actieve loontrekkende bevolking frequent lange dagen van 10 uur of meer; vandaag is dit een regelmatige ervaring voor zowat de helft. Op zich niet zo erg, indien men de langere werkdagen ook kan compenseren. Maar ook dat is steeds minder het geval.
Het flexwerken neemt toe en maakt dat ongeveer een kwart van de werknemers per jaar meer dan 150 extra uren hebben gepresteerd; goed voor een extra maand dus. Maar wanneer de regelgeving het toelaat deze uren over te hevelen naar het volgende jaar zal de tijdssoevereiniteit ook niet toenemen…

Wreedaardig optimisme

Onderzoek naar tevredenheid – jobsatisfactie in het jargon – wordt meestal ingezet om aan te geven dat alles snor draait. Arbeidspsychologen zwaaien met hun enquêtes waaruit blijkt dat 70 à 80% van de actieven tevreden zijn over hun baan. Maar van zodra men enkele extra vragen durft stellen, zoals ‘zou je van job willen veranderen moest dit mogelijk zijn?’ krijgt men een ander plaatje te zien! Stel mensen de vraag wat belangrijk is in hun werk zoals erkenning en verloning en vraag daarna of zijzelf hun eigen situatie zouden willen verbeterd zien, dan krijg je nog een scherper beeld.

De ganse werksfeer baadt de laatste jaren opnieuw in een top-down sfeer, met een sterke dosis autoritarisme. Natuurlijk heeft het management een ‘moderne aanpak’. Het hedendaagse werkethos gaat ervan uit dat iedereen dagelijks goed gehumeurd werkzaam moet zijn. Terwijl de omstandigheden om je werk goed te doen, technisch of sociaal, niet altijd aanwezig zijn. Lauren Berlant heeft er een boek over geschreven met als titel Cruel optimism.

De huidige arbeidscultuur is er één waarbij er een moreel gebod heerst om van zijn werk te blijven houden, ondanks ontgoocheling, frustraties of gebrek aan erkenning. Velen beginnen aan hun loopbaan met een ‘do what you love’-ingesteldheid maar komen uiteindelijk terecht in ‘love what you do’-situatie…

Jobs waarbij werknemers over weinig autonomie beschikken, aan het minimumloon worden betaald, weinig erkenning verkrijgen en nog steeds flexibel moeten zijn, komen steeds meer voor vooral in de dienstenindustrie. Op deze low road keldert de jobsatisfactie zoals Ambra Poggi en Claudio Villosio hebben aangetoond (Poggi, Ambra et Vilosio, Claudia, Subjective well-being at the workplace, in Holthgrewe, Ursula, Kirov, Vassil, Ramioul, Monique, Hard Work in New jobs, The quality of Work and Life in European Growth Sectors, 2015, pp.70-83) Om het uit te houden heeft men elkaar nodig, toffe collega’s en hechte banden. Maar de turnover is hoog en dat verzwakt onderlinge support.

Dankzij een constante selectiemachinerie wordt iedereen die niet meer mee kan, fysiek of psychisch, eruit gezwierd en zal na via de werkloosheid in de categorie van ziekte en invaliditeits-uitkeringstrekkers terecht komen. Onderzoek van de ULB heeft aangetoond dat niet zozeer de vergrijzing dan wel de afbouw van brugpensioneringsstelsels en de toenemende selectiviteit op de werkvloer ervoor gezorgd heeft dat het aantal langdurige ziekten en werkonbekwame personen tussen 1994 en 2017 gestegen is van 160.000 naar meer dan 400.000.

Er zijn natuurlijk nog steeds heel wat functies die wél positieve zingeving bevatten, omdat ze creativiteit toelaten, vakkundigheid vereisen of omdat ze van maatschappelijk nut zijn. Maar ook in deze situaties wordt de arbeidsprestatie steeds meer overwoekerd door kwaliteitsnormen, evaluaties en procedures. Zowel ingenieurs als leerkrachten worden met een digitale bureaucratisering geconfronteerd waarbij de controle toeneemt en de taakdiscretie afneemt…

Dit alles veroorzaakt een toenemend gevoel van vervreemding waardoor de motivatie verdwijnt en de kwaliteit van de geleverde arbeidsprestatie vermindert. De publicatiedruk in academische middens illustreert dit perfect: talloze collega’s plagiëren zichzelf opdat de milestones, deliverables en targets gehaald worden zodat hun werkonzekerheid verdwijnt. Intussen weten we dat de wetenschap het kind van de rekening is geworden.

Statistieken over jobsatisfactie die zich baseren op gemiddelden en bijvoorbeeld deeltijds en voltijds werkers of verschillende leeftijdsgroepen door elkaar mixen vervalsen het beeld. Men werkt vandaag steeds intensiever, sneller, en harder.
De oorzaken zijn bekend: de economische concurrentieoorlog, de chantage van sociale declassering en de vrees voor bestaansonzekerheid sleuren velen mee in dezelfde ratrace. Al te dikwijls steken we zelf ook een tandje bij. Men mikt op promotie of wil niet in het vizier lopen van de supervisor. Dwarsliggers worden gesanctioneerd of vliegen eruit. Een extraatje verdienen is welkom, vooral nu de koopkracht achteruit boert. De proef op de som geeft echter weer dat werksituaties erop achteruit gaan.

Werkbaar werk, ook buiten het werk

Het wordt tijd dat men op politiek vlak opnieuw de arbeidsverhoudingen kritisch durft te bekijken. Werkbaar werk is een eerste poging om deze kwestie opnieuw op de agenda te plaatsen. Toch spreek ik liever over leefbaar werk. Het is immers belangrijk in te zien dat de arbeidsprestatie al te dikwijls volgens ergonomische en sociaalpsychologische normen in een gevarenzone is terecht gekomen. Toch oogt alles nog steeds ‘werkbaar’ want de negatieve gevolgen laten zich pas (veel) later voelen. Zware beroepen worden vandaag besproken maar als we naar de échte werkbelasting durven kijken riskeert de lijst redelijk lang te worden.

Nog steeds leven productiearbeiders gemiddeld 10 jaar minder lang dan kaderleden

Bovendien vernauwt het begrip ‘werkbaar werk’ de analyse tot de onmiddellijke werksfeer terwijl men ook moet kijken naar wat er gebeurt voor en na de werkuren (nachtrust, gezinssituatie, sociaal leven, etc.) of tijdens de pensioenjaren. Spreken over ‘leefbaar werk’ richt onze aandacht op het ganse leven, op het feit dat we werken om te leven en niet omgekeerd. Arbeidsintensivering versnelt veroudering en zorgt ervoor dat velen versleten, ziek of ongezond hun laatste levensjaren tegemoet gaan. En dan hebben we het niet enkel over wie 10 jaar baggage-handling in Zaventem achter de rug heeft. Nog steeds leven productiearbeiders gemiddeld 10 jaar minder lang dan kaderleden…

De Notre Dame van de socialistische strijd

Eind 19de eeuw is de syndicale beweging ontstaan als verzetsbeweging tegen de rauwe uitbuiting en de onmenselijke werkomstandigheden: het verbieden van kinderarbeid, begrenzen van de arbeidstijd, het invoeren van een arbeidscontract, het terugdringen van patronale willekeur of het erkennen van professionalisme vormden de eerste streefdoelen.

Ondanks alles heeft de syndicale en politieke strijd heel wat opgeleverd. De sociale bescherming is de voornaamste verworvenheid. Het is zowat de ‘Notre Dame’-kathedraal van 150 jaar socialistische strijd. Sinds eind vorige eeuw tracht het neoliberalisme deze kathedraal steen per steen te ontmantelen en uit te verkopen aan private sector (denken we maar aan de bijkomende verzekeringsstelsels inzake pensioenen en ziekte of de subsidiëring van de farmaceutische sector). De kathedraal staat er nog steeds maar intussen is arbeid wel danig veranderd.

Workplace (Foto: Christian, cc, flickr)

Ook op dit terrein mag er opnieuw actie gevoerd worden opdat de sociale achteruitgang een halt wordt geroepen en 1 mei opnieuw een feestdag kan worden. Om deze doelstelling te bereiken is het nodig out of the box na te denken en te handelen opdat arbeid niet meer met ongezonde verknechting rijmt

Vakbonden zijn nodig wil men niet in situaties terecht komen waarbij willekeur, gevaarlijk en ongezond werk verder de pan uit swingen

  1. Stop the race to the bottom. Loonarbeid mag niet met armoede en bestaansonzekerheid rijmen. De arbeidsprestatie financiert de verloning en deze moet een waardig leven toestaan. Daarom zou het minimumloon bij het begin van de volgende legislatuur opgetrokken moeten worden naar 14 euro/uur bruto. Het aanwenden van werkgeversbijdragen om competitiviteit te verhogen kost de sociale zekerheid een bom geld – 13 miljard euro per jaar – die in de pockets van aandeelhouders en beleggers terecht komt. In feite gaat dit over rijkdom door arbeidsprestatie gegenereerd. Men zou deze fondsen beter aanwenden om werktijdverkorting met bijbehorende aanwervingen te financieren.
  2. Het huldigen van een arbeidsethos is onderhevig aan erkenning en zingeving. Nep-jobs, bullshit-jobs of slechte werk omstandigheden zijn geen bron van beroepsfierheid en dat mag het management ook eens beseffen. Managers halen voeldoening uit coördinatie en leidinggeven maar ook dat is niet altijd nodig. Geef mensen tijd en middelen om de arbeidsorganisatie mede in te richten en ervoor te zorgen dat het werk leefbaar blijft. Iedereen heeft recht op een kwaliteitsvolle job die de gezondheid niet aantast.
  3. We werken om te leven en niet omgekeerd. Flexibiliteit moet opnieuw begrensd worden. De arbeidstijd mag het leven niet overhoop halen. Vrouwen gaan al te dikwijls gebukt onder een dubbele dagtaak en het deeltijds werken heeft dit de facto versterkt. Daarom is het veel beter dat werktijd wordt ingekort met behoud van loon. Met de toenemende automatisering zullen heel wat arbeidsplaatsen verdwijnen en dat is goed nieuws. Wie kan er fier zijn dat hij/zij doet van een robot of machine kan doen? Laat robotten werken en zorg ervoor dat de jobs halftijds worden ingevuld. Op die manier werken we allemaal wat minder, beter en wordt het goede leven opnieuw mogelijk. Er is bovendien van alles te doen op maatschappelijk vlak… Erken vrijwilligerswerk als deel uit makend van de reguliere werktijd. Burgerparticipatie en participatieve democratie kost tijd. Kortom, laat ons tegen 2030 van een 20u-week de voltijdse norm maken.
  4. Elkeen heeft recht op zinvol werk. Lean management zorgt voor een hoog rendement van kapitaal maar is ook een eindeloze bron van verspilling van talenten, creativiteit, inzet en werkcapaciteit. Het afwentelen van saaie of minder leuke taken op de lagere echelons is geen oplossing; verdeel de corvées en zorg ervoor dat mensen onderaan de beroepsladder dankzij scholing en opleiding kunnen doorgroeien naar een rijkere functie en leuke werkinhoud. Niemand hoeft zijn hele leven lang de ganse week achter de vuilkar te lopen of zorghulp te leveren in rusthuizen.
  5. 5) Economische democratie mag geen droom blijven. Vakbonden zijn nodig wil men niet in situaties terecht komen waarbij willekeur, gevaarlijk en ongezond werk verder de pan uit swingen. Zowel werknemers als de samenleving heeft het recht de ‘vrijheid van ondernemen’ kritisch door te lichten. Werkomstandigheden die ongezond zijn voor het personeel zijn uit den boze. Activiteiten die het klimaat naar de vaantjes halen worden best afgebouwd of vervangen door klimaat-neutrale. Winstmaximalisatie en het bestaan van een solvabele afzetmarkt mag niet het enige criterium zijn om goederen of diensten te produceren. Sociaalecologische duurzaamheid en maatschappelijke behoeften zijn dé toetsstenen voor elke strategische beslissing inzake investeringen of productontwikkeling.

De natuur zit in ons

Sinds de klimaattop van 2015 in Parijs manifesteert zich her en der een radicalere ecologische beweging. Activisten dragen slogans mee zoals ‘Wij verdedigen niet de natuur – Wij zijn de natuur die zich verdedigt’. Het achterliggende idee is misschien niet vanzelfsprekend maar daarom niet minder juist. De mens is een levend organisme en maakt deel uit van de natuur.

Anders gezegd, de ‘natuur’ zit in ons en daarom is de tweespalt tussen mens en natuur meer dan problematisch. Ten eerste denken we verkeerdelijk het natuurlijk ecosysteem te kunnen temmen. Niet alleen ligt dit buiten bereik maar daarenboven onderwerpen we ook onze eigenste natuur aan een roofbouw die wezenlijk dezelfde is als degene die de biodiversiteit doet wegkwijnen, de oceanen verzuurt en voor klimaatopwarming zorgt.

Bij haar ontstaan was de arbeidersbeweging een emancipatiebeweging van ‘levende arbeid’ tegen de dwangmatige en blinde winstlogica van het kapitaal. Arbeid mocht geen koopwaar zijn. Opkomen voor een leefwaardig bestaan en voor gezonde werkomstandigheden, betekent dat men in se, de sociale strijd ook als een ecologische strijd benadert. De menselijke ecologie kan ook niet losgezien worden van haar ecologische bestaansvoorwaarden. Er kan op dit vlak veel gedaan worden, niet enkel op gemeentelijk, gewestelijk of federaal vlak maar ook in de alle ondernemingen, klein of groot kan men voor een andere aanpak kiezen en de constante verspilling en vergiftiging van human ressources achterwege laten.

Steeds harder en sneller…


Bron: EWCS (European Working Conditions Survey), 2015.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Stephen Bouquin

Stephen Bouquin is gewoon hoogleraar sociologie aan de
Universiteit Parijs-Saclay, syndicalist en auteur van het boek ‘Helemaal anders’ (Critica, 2015).