Eco-realisme: vooruitgang of stilstand?

 Leestijd: 8 minuten7

Tijdens een interview voor VRT beschuldigt N-VA voorzitter Bart De Wever de klimaatspijbelaars, bosbrossers en andere klimaatmarcheerders van paniekzaaierij en doemdenken. Betogers zouden beter “geloven in de kracht van innovatie in plaats van doemverhalen over apocalyps of het “toevluchten naar ecologische schuldgevoelens met een religieus karakter”. “De kracht van de mensheid ligt in de vooruitgang, innoveren en economisch groeien”, sprak Bart De Wever.

Op het eerste zicht lijkt De Wever daar al een vreemd redeneringssprongetje te maken: deze jongeren lijken juist te vragen om meer daadkracht, investeringen in nieuwe hernieuwbare productiecapaciteit, en meer middelen voor onderzoek, ontwikkeling & innovatie. Laat het nu net zijn dat Europa en de OECD de laatste decennia al helemaal niet meer investeren in vooruitgang en innovatie, en dan nog specifiek op het vlak van energie-gerelateerde technologie. Uit analyses van het IEA blijkt dat Westerse landen 5 tot 10 keer meer zouden moeten uitgeven aan energietechnologisch onderzoek dan ze momenteel doen. De klimaatjongeren protesteren dus net voor datgene waar De Wever zelf voor pleit.

Hoe Bart De Wever er opnieuw in slaagt om behoudsgezindheid en lethargie in de markt te zetten als een eigenzinnig soort progressiviteit blijft verbazen. Dat we het N-VA pleidooi voor nieuwe kerncentrales vooral moeten lezen als een vrijgeleide voor verlenging van onze oude nucleaire capaciteit en nog meer stilstand is nu al duidelijk. De zogenaamde veilige en duurzame (maar helaas nog onbestaande) ‘thoriumcentrales’ zijn een verhaaltje voor het slapengaan.

Als N-VA zich al zo druk maakt over de impact van de kosten voor hernieuwbare energie, wie zal dan de Bart-De-Wever-tax betalen voor 6 nieuwe kernreactoren?

Zelfs het internationale Nuclear Energy Agency ziet slechts nog een bescheiden rol voor nucleaire energie in de toekomstige energiemix en Europese landen die koppig vasthielden aan de introductie van nieuwe kerncentrales trekken schoorvoetend hun plannen terug (cynisch genoeg omdat de vrije markt de financiering van deze installaties niet meer ziet zitten). Als N-VA zich al zo druk maakt over de impact van de kosten voor hernieuwbare energie, wie zal dan de Bart-De-Wever-tax betalen voor 6 nieuwe kernreactoren?

Eco-modernisten

Maar laat ons toch nog eens terugkeren naar dat ‘eco-realisme’ waar de N-VA het de laatste maand zo vaak over heeft. Bij de jonge leeuwen (jong-N-VA) horen we al eens fluisteren dat het eigenlijk hun idee is. Tijdens hun jongerencongres van maart 2016 hielden ze een pleidooi om de oplossingen voor de milieuproblematiek volledig in handen te leggen van de ‘innovatie en de markt’. Nieuwe kerncentrales zorgen voor overvloedige energie. “Verstandig groen is rechts groen!”

De N-VA jongeren lijken hun kaas wel te hebben gehaald bij de ‘eco-modernisten’: een kritische wetenschappelijke groep die zich in hun manifest van april 2015 verzetten tegen vooruitgangspessimisme. “In this, we affirm one long-standing environmental ideal, that humanity must shrink its impacts on the environment to make more room for nature, while we reject another, that human societies must harmonize with nature to avoid economic and ecological collapse.” De mensheid moet dus vooral blijven doen wat ze altijd al deed, en dan komt het best wel goed.

De demografische tsunami waarvoor Etienne Vermeersch nog waarschuwde in ‘De ogen van de panda’ (1988) kan worden voorkomen door te investeren in welvaartsontwikkeling en onderwijs voor vrouwen. De toename van de menselijke consumptie en de milieu-impact van vervuiling en uitstoot kan worden bestreden met nieuwe efficiëntere en circulaire productie-technologieën die kunnen worden voorzien van overvloedig veel energie. Zelf onze ruimtelijke beperkingen zijn futiel ten opzichte van de mogelijkheden die ruimtevaart en het mogelijk terraformen van planeten in ons zonnestelsel, of ver daar buiten, mogelijk maakt.

Optimisme

En wie goed luistert, zal zien dat de eco-modernisten heel wat medestanders kunnen vinden. “So it is worth reminding ourselves of how lucky we are to be living in the most peaceful, most prosperous, most progressive era in human history”, zo probeerde de president van de Verenigde Staten, Barack Obama, op de Global Development summit van juli 2016 het vooruitgangspessimisme van het laatste decennium te counteren.

Ondanks de financieel-economische crisis en wereldwijde politieke onstabiliteit valt er ook heel wat goed nieuws te vertellen. Zo is extreme armoede, kindersterfte en ondervoeding meer dan gehalveerd sinds 1990, terwijl de wereldbevolking met 1,8 miljard mensen is toegenomen. Er zijn twee keer zoveel mensen met obesitas dan er ondervoed zijn!

De exponentiële groei van Youth for Climate (Foto: StampMedia, (CC BY-NC 2.0)

In dezelfde periode is de wereldeconomie bijna verviervoudigd. We kunnen ons deze enorme vooruitgang in welvaart en ontwikkeling moeilijk voorstellen. 91% van de kinderen wereldwijd heeft nu toegang tot lager schoolonderwijs. 43% van de wereldbevolking heeft toegang tot het internet (Millenial Development Goals 2015). De laatste decennia lijkt het alsof de mens voor elke ecologische uitdaging wel een technologische oplossing kan bedenken: via grootschalige implementatie van afvalwaterzuivering en controle over het gebruik van meststoffen op landbouwgronden kon de impact van eutroficatie en de vervuiling van waterlopen worden aangepakt. De grote problemen die werden vastgesteld bij het gebruik van CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen) en de aantasting van de arctische ozonlaag gedurende de jaren ’80 leidde tot een internationaal gecoördineerde actie die in een tijdspanne van 20 jaar heeft geleid tot een geleidelijke substitutie van CFK-koelmiddelen door duurzamere alternatieven.

Al sinds 1987 bracht de Noorse premier Gro Harlem Brundtland via zijn rapport ‘Our Common Future’ het concept van ‘duurzame ontwikkeling’ naar voor. Het zou de basis worden van de historische VN-conferentie van Rio de Janeiro in 1992. In het optimisme na het beëindigen van de koude oorlog besliste de internationale gemeenschap om de milieu-impact van de mensheid gemeenschappelijk aan te pakken. En de sleutel van deze duurzame ontwikkeling zouden we in handen leggen van het triple P principe (John Elkington, 1994): een wereldwijde vrije markt zorgt voor sociaal-economische welvaart en een verbetering van de milieu-impact door internalisatie van de milieukost (triple dividend). Ook bij sociaal-democratische partijen vond de theorie van de duurzame ontwikkeling lang steun, aangezien investeren in duurzame transitie volgens een ‘no-regret’-scenario (bv Green deal) nauwelijks moet leiden tot welvaart- of comfortverliezen. Wanneer linkse partijen zich inzetten om historische herverdelingsmechanismen te verdedigen heeft dit tot gevolg dat het kapitalistisch groeimodel en het sociaal-industrieel complex wel overeind moet blijven.

Figuur 1. Het triple P principe. In de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van 2015 voegde de VN ook de principes van ‘samenwerking’ en ‘vrede’ aan het triple-P diagramma toe. Daartegenover staat het ‘sterke duurzaamheidsmodel’ dat alle menselijke doelstellingen uitsluitend plaatst binnen de planetaire ecologische grenzen.

 

Tabel 1. Vergelijking volgens het model van sterke en zwakke duurzaamheid (naar Pelenc et al. (2015)).

Al sinds zijn ontstaan ligt het Triple P- model onder vuur. Waar de hypothese van Simon Kuznets aanvankelijk kon aantonen dat de marginale bereidheid tot het inruilen van materiële welvaart tegenover meer milieuschade steeds verder is afgenomen gedurende de lange periode van economische ontwikkeling in de Westerse wereld na de Tweede Wereldoorlog, worden in de laatste decennia ook ‘rebound’-effecten vastgesteld. Ecologische efficiëntie en een lager verbruik gaan vaak ook gepaard met lagere kostprijzen, waardoor consumenten opnieuw meer verbruiken. Een gelijkaardige relatie die door Kuznets werd vastgelegd tussen dalende inkomensongelijkheid en welvaartstoename werd in 2014 ontkracht door de Franse economist Thomas Piketty (2014).

Figuur 2. De theorie van Simon Kuznets , die aanvankelijk empirisch aantoonde dat economische ontwikkeling aanleiding gaf tot een afname van de inkomensongelijkheid werd later ook verklaard om een afname van milieudruk bij toenemende welvaart te verklaren [Gross & Krueger (1991)) en Panayotou (1993)]

Verder speelt ook perceptie van milieuproblemen een grote rol bij het sturen van consumentengedrag of politieke standpuntbepaling: onder druk van de publieke opinie verplaatst vervuilende productie (of afvalverwerking) naar nieuwe ontwikkelende economieën waardoor milieuproblemen voor de Westerse consument onzichtbaar worden gemaakt.

Effecten van milieuproblemen zijn soms slechts zichtbaar op langere termijn (zoals het broeikaseffect, de uitputting van fossiele grondstoffen, overbevissing) zodat een ‘sense of urgency’ ontbreekt. Het aanpakken van zeer visibele problemen zoals extreme watervervuiling of industriële smog lijkt veel acuter dan stille doders zoals de vervuiling door micropolluenten of de uitstoot van zeer fijn stof (<10 PM) door het moderne autoverkeer in stedelijke gebieden. Geen enkele westerse consument ziet de impact van zijn consumptie op de vorming van afvalstorten (bv. e-waste belts) in buitenlandse ecosystemen, of de vorming van plastic-soups of plastic gyres midden in de oceanen.

In haar boek ‘Doughnut Economics’ (2016) maakte de Engelse milieu-economiste Kate Raworth de afrekening met het zwakke duurzaamheidsmodel. De kern van haar betoog is dat markten inefficiënt zijn en groei niet ongestraft kan blijven doorgaan. Zij plaatst hier tegenover een model van ‘sterke duurzaamheid’, waarbij de draagkracht van de aarde zal moeten worden gerespecteerd en de economie alle mensen een waardig bestaan biedt.

Economische logica in de weg

Ten opzichte van het wetenschappelijke optimisme kunnen we ons dus heel wat vragen stellen of de mensheid en het vrije-marktsysteem zijn eigen impact op het natuurlijke ecosysteem gedurende de 21ste eeuw voldoende zal kunnen corrigeren. De toenemende demografische druk en het steeds grotere beslag van menselijke bebouwing en de ontginning van natuurlijke grondstoffen lijkt daarbij steeds dieper door te dringen in de –voorheen onaangeraakte- natuurlijke reserves.

Volgens het Living Planet Report van WWF is de biocapaciteit van de planeet in 2012 reeds met 160% overschreden. De (in)directe impact van de mens op de leefwereld van dieren en planten is zo groot dat het extinctie-event van de mens (holocene extinction) wordt vergeleken met uitroeiingen op de geologische tijdschaal. Bovendien lijkt vrijwillige actie tegen milieuvervuiling slechts tot beperkte resultaten te leiden. Gemakkelijke milieumaatregelen worden snel doorgevoerd, wanneer de terugverdientijd langer is dan verwacht of het consumptiecomfort teveel inboet is de economische ratio echter onverbiddelijk. Een vrijwillige transitie naar een drastische inperking van de menselijke impact op het klimaat lijkt dan ook nauwelijks te verwachten.

Wie opkomt voor het klimaat moet verder durven gaan dan een optimistisch droombeeld in een snelle technofix

Onze economische logica, die kwantitatieve consumptie steeds blijft plaatsen boven invulling van onze werkelijke behoeften, belemmert ons om het probleem bij de wortel aan te pakken en de mens aan te zetten tot een duurzame correctie van zijn gedrag. Tegelijk lijken ook overheden nog niet opgewassen om consumenten en producenten op hun verantwoordelijkheden te wijzen ten opzichte van de milieukosten van hun economische activiteiten.

Neo-liberalisme in een nieuw jasje

Wie opkomt voor het klimaat moet dus verder durven gaan dan een optimistisch droombeeld in een snelle technofix. Dit is ook de invalshoek op duurzaamheid die Paus Franciscus benadert in zijn encycliek ‘Laudato Si’: “Dit paradigma doet alle mensen geloven dat zij vrij zijn, …, terwijl degenen die werkelijk de vrijheid bezitten zij zijn die deel uitmaken van de minderheid die economische en financiële macht bezitten. In deze verwarring heeft de postmoderne mensheid geen nieuw richtinggevend zelfbegrip gevonden, en dit gebrek aan identiteit verwekt angst. We bezitten te veel middelen en slechts schamele doeleinden.”

Deze stelling toont ook de fundamentele misvatting aan wanneer we de duurzaamheidsproblematiek cynisch vernoemen als ‘de crisis van de rijken’: “Zij die niks tekort komen denken aan het milieu”. Het klonk bijna als een logische verklaring wanneer Trump- en Brexit-stemmers zich zouden verzetten tegen klimaat-hipsters. Ook wie buiten het Westen woont zou lak hebben aan al die milieupraatjes. Wie belangt het voortbestaan van de Siberische tijger als je moet overleven in Aleppo?

Toch zijn heel wat wereldwijde politieke crisissen en conflicten werkelijk te wijten aan duurzaamheidscrisissen, want in se zijn dit onthemingscrisissen. De welvaart mag dan wereldwijd toegenomen zijn, met meer toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en telecommunicatie; toch voelen mensen zich onthecht. De globalisering heeft lokale economische verbanden ontwricht. De bulldozers van de beschavingsmachine walsen landschappen, dorpsgemeenschappen en culturele tradities aan een recordtempo.

Ondanks zoveel vooruitgang blijven vele mensen ontworteld achter. Het standaardiseringsproces dat de huidige geglobaliseerde industriële economie kenmerkt, laat werknemers en burgers achter in een gevoel van machteloosheid en negatieve vrijheid. In het vrije Westen heerst een epidemie van burnouts, depressies en zelfmoorden. Iedereen die buiten het systeem valt (migranten, werklozen, gepensioneerden, chronisch zieken, etc.) krijgt uitkeringen en hebben het recht om te consumeren, maar hebben het gevoel amper nog een rol te vervullen in de maatschappij.

Het eco-realisme van de N-VA blijkt hetzelfde verhaal te zijn in nieuwe verpakking. Het neo-liberale wondermodel levert ons alleen maar meer- en- meer consumptie op

Na het einde van de koude oorlog leek de finaliteit van de menselijke beschaving vastgelegd in de Westerse democratie en de vrije markt (‘The End of History and the Last Man’, Francis Fukuyama (1992). Via het principe van duurzame ontwikkeling (VN-Conferentie van Rio de Janeiro (1992), Millenniumdoelstellingen (2000), Sustainable Development Goals (2015)) zouden ook voor de verschillende milieu- en globaliseringsproblemen oplossingen worden gevonden. Vandaag worden deze beide pijlers echter steeds meer uitgedaagd.

Het eco-realisme van de N-VA blijkt hetzelfde verhaal te zijn in nieuwe verpakking. Het neo-liberale wondermodel levert ons alleen maar meer- en- meer consumptie op, zonder de fundamentele antwoorden op de alarmerende rapporten over klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en uitputting van grondstoffen.

In tijden van ‘de vrije markt’ ligt ons geloof in de toekomst en de innovatie stil. De Kernfusiecentrale van Cadarache staat al meer dan 10 jaar in de stijgers. We spenderen miljoenen aan bedrijfswagens maar er is nog steeds geen netwerk van hogesnelheidstreinen tussen de Europese centrumsteden. De raketten die ons 50 jaar geleden naar de maan brachten zijn museumartefacten geworden. Dat mag ons nauwelijks verwonderen, want de politicus die het ruimtevaartprogramma bezielde in zijn historische “We choose to go to the Moon” speech (1962) heeft ze ook helemaal niet gebouwd omwille van technocratische of economische ambities.

John F. Kennedy sprak “There are costs and risks to a program of action, but they are far less than the long range risks and costs of comfortable inaction.” Hij wist dat de kracht van de verandering niet ligt in het bedenken van ideeën om de oude wereld in stand te houden maar in de kracht om de wereld van de toekomst te verbeelden.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Lieven Demolder

Lieven Demolder studeerde Bio-ingenieurswetenschappen en Algemene economie aan de Universiteit Gent. Sindsdien werkte hij als projectingenieur en als adviseur voor sectorplatformen in de hernieuwbare energiesector en verschillende overheden.