De ongelijke strijd tussen feiten en overtuiging

 Leestijd: 5 minuten0

“Wanneer de feiten veranderen, dan verander ik van gedachten. En u, mijnheer?” Deze uitspraak wordt toegeschreven aan vele grote geesten – het vaakst aan de econoom John Maynard Keynes. Dat is waarschijnlijk onterecht, maar laten we ons niet afleiden door de vraag wie dan wel de bedenker was van zo’n kernachtig en krachtig symbool van een op feiten gebaseerde levenswijze.

Het zou mooi zijn mochten we zoiets over onszelf kunnen zeggen, en misschien geloven we wel dat we dat sowieso al met recht en rede mogen doen. Want wie wil immers koppig blijven vasthouden aan een overtuiging wanneer de feiten ze tegenspreken?

En – u ziet wellicht al welke richting we uitgaan – toch, wat mensen denken dat ze doen, en wat ze werkelijk doen zijn wel eens twee verschillende zaken. In een recente editie van het BBC- radioprogramma More or Less was een van de thema’s de overconsumptie van suiker als een zorgpunt in de volksgezondheid. Eten en drinken de Britten werkelijk veel te veel van het zoete goedje? En billijkt dat de introductie van nieuwe belastingen en taksen? De suikerconsumptie wordt op meer dan een manier berekend, maar hoe je ze ook benadert, de trend schijnt duidelijk neerwaarts te zijn. Volgens de Family Food Survey is het verbruik per persoon gedaald van 92 naar 71 g/dag sedert 2001, terwijl het voedsel- en landbouwagentschap van de VN berekend dat het terugliep van 45kg jaarlijks per persoon in de vroege jaren 1960 tot minder dan 35 nu.

Lastige feiten

In de volksgezondheid wordt vaak het percentage van onze energieopname dat uit suiker komt als maatstaf gebruikt (omdat men denkt dat er een verband bestaat met overgewicht). Ook deze maat is gestaag afgenomen – de National Diet and Nutrition Survey stelt dat dit bij volwassenen iets meer dan 11% is, komende van bijna 15%, maar wel nog flink boven de richtlijn van 5%. Die werd echter gehalveerd van 10% in 2015 – een danige verschuiving van de doelpalen, zouden cynici kunnen opmerken. De rechtvaardiging is best wel opmerkelijk, want het verantwoordelijke comité vond onvoldoende bewijs voor een link tussen suikerverbruik en gezondheidsproblemen als hart- en vaatziekten, colorectale kanker en type-2-diabetes. De hoofdreden blijkt te zijn geweest dat we, wanneer we minder suiker eten, de ‘verloren’ calorieën niet compenseren door er meer van te consumeren in een andere vorm. Door dat mechanisme zou het beperken van suikerverbruik ook leiden tot het consumeren van minder energie, en dus tot minder overgewicht.

 

Blijft u met dat extra klontje wel onder de richtlijn? (foto: rawpixels)

Interessante feiten allemaal. Maar de redenering van het Hoofd Voedingsleer van de dienst volksgezondheid, de instelling die de richtlijn halveerde, blijkt toch eerder op overtuiging dan op feiten te rusten. (Luistert u even naar het stukje in kwestie – een viertal minuten, vanaf ongeveer 7:20). Ondanks zijn veelvuldige dappere pogingen om feiten in de discussie te brengen, stoot gastheer Tim Harford steeds weer op de ondoordringbare koppigheid van diegenen die ervan overtuigd zijn dat ze gelijk hebben.

Een ander voorbeeld vinden we in een recente column van Rory Sutherland in het weekblad The Spectator. Misschien zijn de gele hesjes, de Italiaanse vijfsterrenbeweging, en zelfs de Brexit- en Trumpsupporters wel helemaal geen bewijs – zoals de media blijven volhouden –van een opnieuw opkomend nationalisme en populisme, stelt hij. Misschien vertegenwoordigen ze een zinnige, zij het laattijdige reactie op de talrijke veranderingen die de elites met hun ideologische motieven de wereld hebben opgelegd: economische globalisering, vrij verkeer van personen, de euro, immigratie op grote schaal – te veel, en te snel. En de economen, die doorgaans zulke beslissingen nemen, met weinig aandacht voor schaal en snelheid, zijn de kop van jut.

Een kwestie van identiteit

Het kernprobleem van de economen is blijkbaar dat ze het begrip identiteit over het hoofd zien. Ze schenken te veel aandacht aan materiële welstand, en te weinig aan het feit dat mensen instinctief net zoveel waarde hechten aan hun collectieve identiteit, hun verwantschap met groepen (nationaliteit, ras, sociale klasse enz), als aan het verwerven van welstand. En terwijl dat laatste makkelijk kan worden opgeschaald, is dat niet het geval voor het eerste – “Er is geen logische reden waarom mensen niet kunnen zeggen ‘ik supporter voor alle voetbalploegen in het noordoosten van Engeland’, maar dat doet natuurlijk niemand.”

Dit is een interessant argument (ik heb er zelf dan ook al vaker over geschreven, zowel over het belang van identiteit, als over hoe ze ingrijpt op het stemgedrag). Een studie van bijna 30 jaar geleden door Charles Perdue en collega’s illustreert de kracht van de identiteit en groepsgevoel. De deelnemers in het experiment (aan wie werd verteld dat het om verbale vaardigheden ging) kregen een lijstje nonsens lettergrepen (zoals xeh en yof) die gepaard werden met ofwel ingroup-woorden (ons, wij), ofwel outgroup-woorden (hun, zij), ofwel neutrale woorden (hem, haar, zijn). De proefpersonen moesten dan de ‘aangenaamheid’ scoren van elke nonsenslettergreep. Het resultaat? Mensen voor wie een bepaalde lettergreep met een ingroup-woord was gepaard gaven het een veel hogere aangenaamheidsscore dan de met een neutraal woord gepaarde lettergrepen; en de lettergrepen die aan een outgroup-woord waren gekoppeld werden als de minst aangename gemarkeerd.

We gaan ervan uit dat ons eigen argument voor of tegen iets rationeel is, en we ondersteunen het dan ook selectief met feitelijke bewijzen

Hoe komt het dan dat we zo’n belangrijk begrip als identiteit over het hoofd zien? We gaan ervan uit dat ons eigen argument voor of tegen iets rationeel is, en we ondersteunen het dan ook selectief met feitelijke bewijzen. Wie het met ons oneens is verwerpt uiteraard onze rationele stelling, en moet dus noodzakelijk irrationeel zijn. Dit was (en is in zekere mate nog steeds) een courante Remainer-verhaallijn na het Brexitreferendum. Er was geen sterke pro-Europese identiteit aan die zijde, en de belangrijkste reden om in de EU te blijven rustte op materiële elementen: de economische voordelen van lidmaatschap waren overweldigend, en uittreden zou dramatische gevolgen hebben. Hoe kon een redelijk persoon voor Leave stemmen? En als ze dat toch deden, hoe kon dat anders verklaard worden dan door nationalisme en populisme, door een irrationele xenofobie en nostalgie naar de tijd toen Groot-Brittannië nog over de wereldzeeën heerste? Identiteit kwam hoegenaamd niet ter sprake als reden om de uitstap te verkiezen.

Juiste identiteit, maar een echt Brits paspoort moet toch blauw zijn! (foto: Holiday Gems CC BY)

Rory Sutherland stelt zelfs dat dit een principieel argument is voor een harde Brexit. Zo’n provocerende en tegendraadse bewering kan best nuttig zijn: om een langdurige en diepgewortelde overtuiging in vraag te stellen moet je ze flink dooreenschudden.

Maar wanneer we blindelingse partijdigheid, confirmation bias, selectiviteit, enzovoort op deze manier aan het licht willen brengen, moeten we voorzichtig zijn niet zelf het slachtoffer te worden van hetzelfde probleem als de mensen die we viseren. Wanneer we foutief redeneren waarnemen – vooral als het om iets gaat waarmee we intens zijn begaan – kunnen we wel eens gaan geloven dat onze eigen logica inherent en objectief correct is. En die overmoed riskeert de nauwkeurigheid van ons argument in het gedrang te brengen.

Er zijn ongetwijfeld economen die geen belangstelling hebben voor sociale voorkeuren als identiteit, maar wanneer het hele vakgebied als de slechteriken wordt afgeschilderd, is dat dan werkelijk waar, of gaat het om een overtuiging die we niet langer hoeven te toetsen? Het mocht niet verrassen dat een econoom aanstoot nam aan zo’n aantijgingen met de grove borstel:

Identiteit mag dan al geen hoofdthema zijn in de conventionele economie, door te overdrijven (door te beweren dat het helemaal niet aan bod komt) verzwakken we de geloofwaardigheid van onze stelling. En natuurlijk moet je, wanneer je aangeeft dat identiteit een rol speelt in het besluitvormingsproces, ook meegeven dat dit moet worden afgewogen tegen andere elementen, niet in het minst de economische consequenties. Identiteit is enkel een principieel argument als het sterker wordt gewaardeerd dan het overeenkomstige economische verlies. Zo’n afwegingen tussen het immateriële (sociale en emotionele voorkeuren) en het materiële (economische gevolgen) zijn zeer zeker het domein van de economie en van de economen. (En wellicht zijn niet alle voorstanders van de Brexit, wiens hoofdmotief hun groepsidentiteit is, tot hun besluit gekomen na een grondige evaluatie van alle feiten.)

We hebben dus de ambtenaar die de feiten wegwuift, wanneer ze de beweegredenen om suikerrichtlijn te halveren in vraag stellen, we hebben een simplistische Remainer verhaallijn die het feit negeert dat identiteit een belangrijke rol kan spelen in besluitvorming, we hebben een simplistische Leaver verhaallijn die economische feiten afwimpelt… En we hebben een kritiek van de Remainer verhaallijn die weliswaar in essentie geldig is, maar wel wat snel om een groep mensen te veroordelen, en die wat onkritisch klinkt over het simplistische Leaver verhaal.

Het is een beetje ironisch dat een doelmatige manier om eenzijdigheid te vermijden in zulke redeneringen een centraal element is in de gereedschapskist van de zo verguisde economen: de economische denkwijze – het goede oude ‘enerzijds’ en ‘anderzijds’. Als we willen vermijden een bevooroordeeld argument te weerleggen met ons eigen eenzijdige argument, dan is zelfkritiek aan de orde. Het is niet omdat iemand anders fout redeneert en we kunnen aantonen waarom, dat wat wij zeggen correct is enkel en alleen omdat wij het zeggen.

We moeten er nog steeds voor zorgen dat we niet in de val trappen te denken dat ons argument geheel rationeel is, wanneer het vooral gemotiveerd is door onze eigen voorkeuren en overtuigingen.

En misschien het allerbelangrijkste: we moeten onze eigen feiten checken. (Dat hoop ik hier natuurlijk ook gedaan te hebben.)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.