‘Het heerlijkste sieraad’ van Gents Bijlokehospitaal verpatst voor 17,5 miljoen euro


Al tijdens de negentiende eeuw woedde er strijd om de Zeeuwse landbouwgrond die het Gentse OCMW nu verkoopt aan Fernand Huts. Historici Dieter Bruneel en Esther Beeckaert (UGent) hekelen vanuit langetermijnperspectief de lichtvaardigheid waarmee het OCMW vandaag overgaat tot de massale uitverkoop van dit ‘patrimonium van de armen’. Het Gentse stadsbestuur geeft volgens hen essentiële bouwstenen uit handen voor de transitie naar een participatieve, sociaal rechtvaardige en duurzame stadsgerichte voedselvoorziening.

“Indien de stad Gent met volle regt onder de voornaamste en aanzienlijkste steden wordt gerekend, dan brengen de vele en overschoone instellingen van Liefdadigheid in haar midden gevestigd niet weinig toe, om den hoogen roem te wettigen die haar alom wordt toegekend”, zo opent de Oostburgse advocaat Johannes Egberts Risseeuw een voorbereidende nota ter verdediging van het Gentse OCMW.

Het is anno 2017-2019 zeker niet de eerste keer dat de Zeeuwse gronden onderwerp vormen van een juridisch geschil.

Het is te zeggen: ter verdediging van de Gentse Commissie Burgerlijke Godshuizen, waarvan het OCMW vandaag de rechtsopvolger is. We schrijven begin jaren 1840. De Gentse Godshuizen waren in een juridisch geschil verwikkeld geraakt met de Nederlandse staat over het eigendomsrecht op honderden hectaren landbouwgrond die via inpoldering op het water waren herwonnen.

Diezelfde gronden (hoofdzakelijk gelegen op het grondgebied van de hedendaagse gemeenten Hontenisse en Terneuzen) vormen vandaag het grootste aandeel binnen de betwiste verkoop uit 2016 die het Gentse OCMW afsloot met de NV Bijloke, een dochteronderneming gelieerd aan de familie Huts.

De naam van het bedrijf is niet lukraak gekozen. De gronden zijn immers gelegen in een gebied waar de Bijloke, het bekende abdijhospitaal annex klooster in Gent, een aanzienlijk landelijk patrimonium had uitgebouwd vanaf de volle middeleeuwen. Een groot deel van die gronden in de Vier Ambachten (deel van het Graafschap Vlaanderen waar Oost-Zeeuws-Vlaanderen deel van uitmaakte) was overstroomd geraakt in de context van de Nederlandse Opstand aan het einde van de 16de eeuw.

Slechts een beperkt aandeel werd tijdens de vroegmoderne tijd opnieuw drooggemaakt, terwijl de grootste landherwinningen zich in de 19de eeuw situeerden. Doorheen die eeuwenlange periode bleven de gronden ten dienste staan van het Gentse sociaal beleid. Die eigendomsgeschiedenis zet aan tot een langetermijnperspectief op de uiteindelijke verkoop in 2016.

Le Patrimoine des Pauvres

De Zeeuwse gronden werden in 1840 beschreven als “het heerlijkste sieraad van het Hospitaal de Bijloke”.

Gezien de belangrijke publieke functie van het patrimonium voor het Gentse sociaal beleid werd het hospitaalbezit in het kader van Franse revolutie niet als nationaal domein aangeslagen of verkocht, zoals het de goederen van zuiver geestelijke instellingen verging.

Het beheer werd overgedragen aan een pas opgerichte stedelijke instelling, de Commissie van Burgerlijke Godshuizen. Die Commissie stond in voor het beheer van alle Gentse godshuizen, waar zorg werd verleend aan zieken, bejaarden, gebrekkigen, vondelingen, wezen en verlaten kinderen.

De instelling beschouwde de Bijloke bij monde van Risseeuw “van eenen zoo weldadigen invloed voor de nijvere mindere volksklasse, omdat die van eenen zoo hoogen ouderdom dagteekend en inzonderheid ook omdat de oude eigendommen van het Hospitaal almede verstrekken tot het onderhoud van de overige liefdadigheidsgestichten.” De Zeeuwse gronden werden beschreven als “het heerlijkste sieraad van het Hospitaal de Bijloke”.

De Zeeuws-Vlaamse Risseeuw was naast advocaat ook ‘oudheidkundige’. Hij onderhield goede contacten in Gentse kringen, onder meer via de Vlaamse letterkundige Jan Frans Willems. Zijn pleitredes ter verdediging van de Godshuizen staan vol verwijzingen naar historische opzoekingen. De procesvoering werd met iedere inpoldering verdergezet, wat ervoor zorgde dat de gronden decennialang onderwerp vormden van juridische geschillen tussen de Gentse Godshuizen en de Nederlandse staat.

De staat benadrukte ter verdediging dat de aanspraken die de Godshuizen meenden te kunnen maken op de opnieuw ingepolderde landen ongegrond waren. De verwijzing naar het patrimonium van de voormalige Bijloke was volgens de Nederlandse staat onterecht aangezien zij de Bijloke als een geestelijke instelling beschouwden. Volgens die redenering hoorden alle goederen van de abdij in uitvoering van de Frans-revolutionaire wetten aan de staat toe.

De Godshuizen konden echter terugvallen op een hele reeks documenten die hen als rechtmatige bezitter en eigenaar van die gronden erkenden, tot zelfs het eerste Nederlandse kadaster van 1832 toe.

In zijn huldeboek over het Gentse gemeenteraadslid Adolph Dubois gaat de Gentse liberaal Oswald de Kerchove de Denterghem uitvoerig in op de kwestie. Dubois zetelde tijdens de tweede helft van de 19de eeuw als bestuurslid in de Gentse Commissie Burgerlijke Godshuizen. De Kerchove beschrijft hoe Dubois zich stevig verzette telkens wanneer het ‘patrimonium van de armen’ op het spel stond :

“Chaque fois que le patrimoine des pauvres était en jeu, Du Bois consacrait à sa défense la même ardeur, le même désintéressement. L’administration des Hospices soutint en Hollande de longs procès qu’il dirigea et gagna, faisant ainsi rentrer dans le patrimoine des hospices d’excellentes terres arables reconquises sur la mer au lieu dit Hellegat en Zélande. Pendant six siècles, les flots avaient recouvert ces terrains jadis possédés par l’hôpital de Gand. Du Bois les revendique pour les hospices civils contre l’Etat néerlandais. Après d’interminables procédures, les tribunaux reconnurent le droit des hospices civils.” (Adolphe Dubois, Essais et Notices, Deel 1, 1902, p. 75)

Het is anno 2017-2019 dus allerminst de eerste keer dat de betreffende gronden onderwerp vormen van een juridisch geschil. En het valt nog te betwijfelen of daaraan met het eindvonnis in eerste aanleg, dat morgen, 8 januari 2019 wordt verwacht, snel een einde zal komen. Wat wel in schril contrast staat met de situatie anderhalve eeuw geleden is de lichtvaardigheid waarmee vandaag overgegaan wordt tot de massale uitverkoop van het landelijk patrimonium van openbare instellingen.

Overmatige dorst naar liquide middelen?

Waarom is het net aan het begin van de 21ste eeuw dat de openbare besturen, en de OCMW’s in het bijzonder, zo massaal tot de uitverkoop van hun onroerend patrimonium overgaan? De privatisering is natuurlijk sterk gelieerd aan de relatieve daling van het belang van het landelijke domeinbeheer binnen de financiering van het OCMW.

De integrale verkoop van de OCMW-gronden aan een grootinvesteerder, de NV Bijloke, maakt op korte termijn een aanzienlijke som geld vrij.

Tijdens de 19de eeuw vormde het onroerend patrimonium nog het overgrote aandeel binnen de inkomsten van de Commissie Burgerlijke Godshuizen. Dat aandeel liep sterk terug in de loop van de 20ste eeuw. Nochtans kon het landelijk domein toen nog steeds op een aanzienlijke belangstelling rekenen van de toenmalige Commissie Openbare Onderstand, als een risicovrije investering en een soort appeltje voor de dorst.

De 170 hectare landbouwgrond in het West-Vlaamse Wulpen die het Gentse OCMW in 2015 verkocht, had de instelling bijvoorbeeld pas tijdens de jaren 1960 verworven van het Brugse Grootseminarie.

Is het statuut als investeringskapitaal de enige of maatschappelijk wenselijke bestemming die aan landbouwgronden in eigendom van publieke instellingen gegeven kan worden?

Een kentering deed zich voor op het einde van de crisisjaren 1970 wanneer voor het eerst over de verkoop van de Zeeuwse gronden werd nagedacht. “OCMW Gent verkoopt wellicht 500 hectaren landbouwgrond in Zeeuwsch-Vlaanderen”, zo kondigde De Stem: Dagblad van Zuidwest-Nederland in haar nummer van 26 juli 1978 aan.

Van die verkoop werd naderhand echter afgezien. Tot de Gentse Raad voor Maatschappelijk Welzijn, toen nog onder het voorzitterschap van Geert Versnick (OpenVld), het voorstel tot verkoop van de gronden unaniem goedkeurde in haar zitting van 9 juni 2011. Met de uiteindelijke verkoop in 2016 geeft het OCMW de rijke gronden alsnog uit handen aan een particuliere grootinvesteerder, nadat ze eeuwenlang ten dienste gestaan hebben van het Gentse sociaal beleid.

Eén reden die in 2011 werd aangehaald ter motivatie van de verkoop is dat het jaarlijks rendement van de gronden als onroerend vermogen te laag lag in vergelijking met de jaarrente die roerend kapitaal zou kunnen opleveren. Daarnaast zou de opbrengst ook snel aangewend kunnen worden voor herinvesteringen in belangrijke bouwprojecten die in de steigers stonden, niet onlogisch gezien de steeds toenemende zorgnoden. De gedeeltelijke zelffinanciering stelde het OCMW in staat om de rentelast van die investeringen enigszins terug te dringen.

De gronden werden dus volledig als investeringskapitaal gezien op de korte termijn, niet langer als ‘patrimonium van de armen’ met enorm potentieel over de lange termijn.

De timing van de uiteindelijk verkoop is niet toevallig. Het past binnen een algemene tendens waarbij publieke instellingen het steeds moeilijker krijgen om kanalen te vinden ter financiering van de hoogstnoodzakelijke investeringen. Zo maakt ook de integrale verkoop van de OCMW-gronden aan een grootinvesteerder, de NV Bijloke, op korte termijn een aanzienlijke som geld vrij.

De privatisering op zichzelf is dan ook een teken aan de wand. De beperkte mogelijkheden om investeringen op lange termijn af te schrijven, zetten de openbare instelling aan tot kortetermijndenken. In die zin vertonen de OCMW’s sterke gelijkenissen met de mensen in armoede die ze ondersteunen.

Gedurende het voorbije decennium hebben de openbare besturen in België heel wat van hun onroerend patrimonium van de hand gedaan in hun zoektocht naar liquide middelen. De trend gaat dus veel breder dan de Gentse casus. In haar masterscriptie uit 2017 berekende Christel Claes (UAntwerpen) bijvoorbeeld dat ongeveer één vijfde van het volledige OCMW patrimonium in de provincie Antwerpen tijdens de periode 2002-2016 werd verkocht.

De verkoopmodaliteiten en uiteindelijke verkoopprijs van de Zeeuwse landbouwgronden vormen vandaag onderwerp van een juridische betwisting ingesteld door een Oost-Vlaamse landbouwer, gesteund door een concessionaris van één van de Gentse boerenmarkten die zich burgerlijke partij stelde.

Met de grootschaligheid van de verkoop richtte het OCMW zich volledig op grootinvesteerders, en daarbij zou het de modale landbouwer uitgesloten hebben van deelname aan de verkoop. Daarnaast wordt ook de uiteindelijke verkoopprijs betwist omdat die niet marktconform zou zijn. Er wordt bepleit dat de lage verkoopprijs neerkomt op onrechtmatige staatssteun.

Nog los van deze juridische betwisting, is het belangrijk om ons af te vragen welke rol het landelijk patrimonium van publieke instellingen nog kan spelen in de 21ste eeuw.

De allegorie van goed en slecht bestuur

De stad geeft met de verkoop van haar landelijk patrimonium essentiële bouwstenen voor de beoogde transitie naar een participatieve, sociaal rechtvaardige en duurzame stadsgerichte voedselvoorziening uit handen.

In de toelichting bij het voorstel tot verkoop uit 2011 worden de rijke landbouwgronden verengd tot hun functie als onroerend vermogen en investeringskapitaal op de korte termijn. Dit kadert binnen een bredere beweging die Astrid Bouchedor in een Belgische FIAN-studie uit 2017 als een artificialisation des sols bestempelde. Landbouwgrond wordt niet langer in eerste plaats ten dienste gesteld van de landbouw, maar ingezet als investering of bron van recreatie (zie bijvoorbeeld de ‘verpaarding’ van het platteland).

Is het statuut als investeringskapitaal de enige of maatschappelijk wenselijke bestemming die aan landbouwgronden in eigendom van publieke instellingen gegeven kan worden?

Die vraag is bij uitstek relevant in de stad Gent die recent de mogelijkheden onderzoekt om een democratisch toegankelijk, sociaal rechtvaardig en duurzaam voedselsysteem opnieuw een prominente plaats te geven in het stedelijk beleid. Hiertoe ondernam de stad initiatieven als het Gent en Garde-strijdplan uit 2013 en het Commons Transitie Plan uit 2017.

Het stadsbestuur schakelde in het kader daarvan het Brusselse SumResearch consultancybureau in om samen met het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek en de Nederlandse architect Paul de Graaf een visie te ontwikkelen op landbouw in de stedelijke omgeving van Gent in 2030. Het eindrapport werd in 2015 afgeleverd.

Er wordt gesproken over een stadsgerichte landbouw voor Gent 2030, niet louter stadslandbouw. Gezien een structureel gebrek aan beschikbare landbouwgronden in Vlaanderen, benadrukt het rapport de mogelijkheden van gronden die al in eigendom van publieke instellingen zijn. Concrete aanbevelingen zijn onder meer:

  • “Communiceren van stedelijke visie op landbouw naar leden van groep Gent: OCMW, SOGent met als doel hun grondenbeleid in o.a. agrarische bestemmingen meer af te stemmen op de stedelijke visie op landbouw en de lokale voedselstrategie”
  • “Actief grond- en pandenbeleid binnen groep Gent in functie van het stedelijk landbouwbeleid (stad Gent, OCMW/SOGent)”
  • “Aankoopbeleid opportuniteitsgronden: indien nodig moeten voor het uitwerken van de visie op landbouw gronden worden aangekocht door de stad. (vb. OCMW, Kerkfabriek, …). Op korte termijn afspraken maken binnen groep Gent om voorlopig geen landbouwgronden te verkopen.”

Dit klinkt veelbelovend, en ligt in de lijn van het Sitopia-pleidooi dat de Britse architect Carolyn Steel ruim tien jaar geleden hield in haar boek ‘De Hongerige Stad’ (2008). Sitopia verwijst naar het Griekse sitos voor voedsel, en topos voor plaats. Steel brengt verstedelijking in verband met het ommeland door te focussen op voedselsystemen en hoe die de geschiedenis van stad en platteland hebben bepaald.

Steel verwijst daarbij heel passend naar de reeks fresco’s van Ambrogio Lorenzetti in de Palazzo Pubblico van Siena. De imposante muurschilderingen uit 1338-1339, met als titel ‘Allegorie van goed en slecht bestuur’, illustreren treffend hoe sterk de ontwikkeling van stad en platteland met elkaar verweven zijn. Lorenzetti verbeeldt de gevolgen van zowel goed als slechts bestuur op stad en platteland, net zoals ook Risseeuw “de weldadige invloed” van de Gentse armenzorg verbond aan de Zeeuwse gronden als het “heerlijkste sieraad” van het Bijlokehospitaal.

Het eigendomsvraagstuk zal in sterke mate bepalen welke vormen de transitie naar een stadsgericht voedselsysteem in de toekomst kan aannemen.

De dissonantie van het bovenstaande pleidooi voor gronden in eigendom van publieke instellingen als sleutel naar meer stadsgerichte landbouw met de grootschalige verkoop van landelijk patrimonium mag duidelijk zijn.

In de verantwoording bij de verkoop werd de landbouwfunctie van de gronden nog als een probleem gezien. Er werd immers verwezen naar de steeds sterker wordende rechtspositie van de pachters, waardoor het in de toekomst moeilijker zou worden om de eigendommen van de hand te doen.

Waarom kunnen de pachters niet als partners worden gezien in de beoogde transitie naar een stadsgerichte landbouw? De stad Gent is immers perfect geconnecteerd met de gronden via het Kanaal Gent-Terneuzen, en vanuit korte keten denken vormt Gent samen met Antwerpen de meest nabije grootstedelijke agglomeratie.

De stad geeft met de verkoop van haar landelijk patrimonium essentiële bouwstenen voor de beoogde transitie naar een participatieve, sociaal rechtvaardige en duurzame stadsgerichte voedselvoorziening uit handen. Zeker vanuit langetermijnperspectief is het nog maar de vraag of de massale uitverkoop van landbouwgronden door openbare besturen gedurende het voorbije decennium als goed bestuur bestempeld zal worden.

Wat kan de maatschappelijke waarde zijn van de duizenden hectaren landbouwgrond die de voorbije jaren van de hand werden gedaan door de publieke instellingen in laat ons zeggen 2030, 2050 of 2100? Of zijn we zo cynisch om ervan uit te gaan dat de klimaatverandering de polders tegen die tijd waardeloos zal gemaakt hebben?

Eén ding is alvast zeker: het eigendomsvraagstuk zal in sterke mate bepalen welke vormen de transitie naar een stadsgericht voedselsysteem in de toekomst kan aannemen. Het behoud van haar onroerend patrimonium zou de stad vanuit een langetermijnperspectief bijkomende kansen bieden om over de sociale rechtvaardigheid en duurzaamheid van die transitie te waken, en om er ook zelf nog actiever vorm aan te geven.

Aangezien voedsel vanuit langetermijnperspectief de basis vormt van elk sociaal beleid, verdient ook de landbouw een prominentere plaats binnen het sociaal beleid van onze lokale besturen.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Dieter Bruneel en Esther Beeckaert

Dieter Bruneel en Esther Beeckaert zijn historici verbonden aan de onderzoeksgroep Economies, Comparisons, Connections (UGent). Samen met enkele collega’s publiceerden ze onlangs The ‘Societal Turn’. Historicising Future Society, een visie op de toekomst van de sociale en economische geschiedenis in de Lage Landen.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
Titel‘Het heerlijkste sieraad’ van Gents Bijlokehospitaal verpatst voor 17,5 miljoen euro
Auteur(s)Dieter Bruneel & Esther Beeckaert
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=91869
Gepubliceerd 07 januari 2019 @ 10:05. Met update op 07 januari 2019 @ 10:44
Opgevraagd18 juni 2019 @ 01:17
Klik hier om te printen